Histologie = leer van weefsels, hun samenstelling uit verschillende celtypen en hun combinatie tot
organen met verschillende functies.
1 Microscopische technieken
Oplossend vermogen = resolutie = kleinste afstand tussen 2 punten die je nog kunt zien als 2
Kλ
afzonderlijke punten R=
NA
o Afhankelijk van objectief en condensor
o Recht evenredig met golflengte van het licht / NA (numerieke apertuur)
NA van een 100X lens zal vele groter zijn dan van een 10X lens hoe hoger
NA hoe kwaliteitsvoller.
In lichtmicroscoop is λ = 550 nm, Electronenmicroscoop λ = 0,005 nm
R van LM = 0,2 micrometer, R van EM = 0,2 nm
R ongewapend oog: 0,2 mm
1.1 Weefselvoorbereiding
1. Fixatie legt structuur vast (dmv chemicaliën/bevriezen)
LM: Formaldehyde
EM: glutaraldehyde / osmiumtetroxide grijpt aan op lipiden die zo gestabiliseerd
worden
2. Inbedding
Dehydradatie
LM: paraffine
EM: epoxyharsen Zeer dunne coupes mogelijk, met paraffine niet te elastisch
3. Snijden
LM: Microtoom = stalen mes
EM: ultramicrotoom = glas- of diamantmes
4. Opvangen
LM: draagglas
EM: koperen grid
5. Kleuren
LM:
Haematoxyline (basisch) zal binden met zuren DNA & RNA
(donkerblauw)
Eosine (zuur) zal binden met eiwitten acidofiele kleurstof (roos)
Insluiten in hars + afdekken met dekglas
EM:
Contrasteren met Uranylacetaat of Loodnitraat zware metalen houden
elektronen tegen
1.2 Soorten microscopen
Helderveld lichtmicroscoop
Condensor bundeld doorvallend licht op preparaat Objectief vormt een tussenbeeld dat door
oculair wordt vergoot geprojecteerd op netvlies van de waarnemer
Transmissie elektronenmicroscoop
Elektronenbundel gefocust met elektromagnetische lens koperdraad gewonden rond weekijzeren
kern door variatie van elektrische stroom kan de lens meer of minder bekrachtigd worden.
Bron is kathode, met anode spanningsverschil 80kV e- worden versneld naat anode in buis zit
vacuum zodat e- niet gaan afbuigen enigste wat “in de weg” zit zijn constrastmembranen van
cellen. Transmissie: omdat e- echt DOOR het preparaat gaan
Scanningelektronenmicroscoop
1
,Samenvatting Histologie 1e BA BMW 19-20
Preparaat = weefselbrokje (gevriesdroogd) bedekt door dun goudlaagje punt per punt gescanned
Fluorescentiemicroscoop
Er worden geen e- ingebracht maar Fluorescerende stoffen Indien licht ontvangt zal die licht terug
uitzenden met hogere golflengte licht passeert eerst excitatiefilter (wordt opgenomen door
preparaat) emissielicht (hogere λ ) wordt terug uitgezonden door preparaat wordt geleid door
sperfilter
Confocale (laser-scanning) microscoop
Vele duidelijker dan fluorescentiemicroscoop scherpe monochrome laserbundel
1.3 Soorten kleuringen -- Histo- en cytochemie
HE kleuring: haematoxyline + Eosine Y ringstructuren met dubbele bindingen
AZAN kleuring: aniline blauw + Karmijnzuur vele ringstructuren
PAS kleuring: oxidatieve werking van perjoodzuur op glycolgroepen
Orceïne kleuring: kleurt elastine vezels
Oil red O vetkleuring: kleurstof die makkelijker oplost in vet dan in het solvent waarin die
wordt opgelost
o Om vetten zichtbaar te maken in coupes te bevriezen ipv te dehydrateren.
1.4 Enzymhistochemie en -cytochemie
Zure fosfatase lysosomen
Perioxidase catalase peroxisomen
Dehydrogenase endoplasmatisch reticulum
2 Epithelen
Dicht aaneengesloten weefsel
Zeer gering of geen extracellulaire matrix
Functie: bedekken van oppervlakken & opname en afgifte van stoffen
Bestaan uit een of meerdere lagen van epitheelcellen intracellulaire verbindingen
afgescheiden door basaal membraan (bestaande uit lamina basalis (glycoaminoglycanen) &
lamina reticularis (collageen vezels))
o Functie LB: hechten, filterfunctie, regulerende functie betreffende celdelingsactiviteit
& differentiatie van epitheelcelle, door binding van groeifactoren
Embryonale oorsprong:
Ectodermaal: huid, mond, neus, anus
Endodermaal: maagdarmkanaal, luchtwegen, lever
Mesodermaal: endotheel, mesotheel, spieren
2 hoofdgroepen epitheel:
Bedekkend epitheel
Klierepitheel
2.1 Celverbindingen
Occludensverbinding: afsluiten van intercellulaire ruimten
o Zonula occludens (= tight junction) meest apicaal gelegen verbinding tussen
epitheelcellen
o Meeste stoffen die epitheel passeren, gaan transcellulair door de cellen heen
o Doorlaatbaarheid is anfhankelijk van het aantal richels en groeven in de tight
junctions
Adhaerensverbinding: aanhechting
o Zonula adhaerens (= adherent junction) geassocieerd met actine (ronde /
puntvormige verbinding) ondersteund door transmembrane adhesiemoleculen,
2
,Samenvatting Histologie 1e BA BMW 19-20
Cadherinen via actinefilamenten verbonden met apicaal gelegen, dwars
verlopende terminal web. speelt rol bij verankering microvilli
o Macula adhaerens (= desmosoom) geassocieerd met intermediaire filamenten
(bandvormige structuur) uit cadherinen & desmogleïnen
o Fascia (onregelmatiger verbreide verbinding)
Nexusverbinding/gap junctions: communicatie: nicatine kanalen tussen epitheelcellen
o Gap komt van kleine afstand tussen 2 membranen
o Uit connexinen die in een connexon (eiwitcomplex van 6 eiwitten) gerangschikt zijn
o Voor uitwisseling van water, AZ, suikers en ionen
2.2 Apicale celspecialisatie (oppervlakte)
Microvilli
o Staafjeszoom/borstelzoom vergoten opp waardoor uitwisseling van stoffen
bevorderd wordt.
o Worden bedekt door beschermende laag: glycocalyx die ook rol heeftbij adhesie- en
herkenningsprocessen
o Groepjes van 20 tot 30 actinefilamenten
o Verankerd in terminal web
o Veel mitochondriën aan basale kant
Stereocilia variant van microvilli, langer en soms vertakt.
o In organen met zintuigfuncties
o Geen duidelijk cytoskelet
o Geen structurele aanwezigheid van actine filamenten Geen slagbeweging mogelijk
Kinocilia / trilharen
o Duidelijk cytoskelet Centraal 2 microtubuli
o Wel slagbeweging mogelijk
o Langer en dikker dan microvilli
o Flagellen enkel bij spermatozoa
Crusta
o = proteïneplaatjes die bestaan uit geordende eiwitten in het membraan, verbonden
door beleiers structuur
o Enkel in epithelen van excretiestelsel (nierkelk, urineleider, blaas, uretra) meest
luminale kant
o Plaatjes liggen in een opgevulde blaas en vullen voor 1 cel een vrij groot oppervlak,
indien lege blaas wordt het opp ook kleiner
o Vormt een barrière tussen celcytoplasma en inhoud blaas
2.3 Bedekkende epitheel
Uit 1 of meer lagen aaneengesloten cellen die lichaamsopp / inwendige holte bekleden
Voornaamste functies:
o Bedekken opp huid
o Nieuwvorming cornea
o Absorptie darm
o Secretie klierepitheel
o Ionentransport nierepitheel
o Transcytose bloedvaten
o Gewaarwording sensorische waarneming
o Contractiliteit spieren
Aantal cellagen Cel-/weefselvorm voorkomen functie
Plaveisepitheel longblaasjes, bekleding van Opname en transport,
holten: pericardium, pleura, secretie, facilitatie van
3
, Samenvatting Histologie 1e BA BMW 19-20
peritoneum beweeglijkheid van
Eenlagig vliezen
Kubisch epitheel Eierstokken, schildklier, Bedekking, secretie
afvoergangen van vele klieren
Cilindrisch epitheel Darmkanaal, galblaas Bescherming, secretie,
absorptie
Meerrijig epitheel Luchtpijp, bronchiën, Beschermling, secretie,
neusholte verwijdering van
partikels uit luchtwegen
door slagbeweging
ciliën
2-lagig kubisch Zweetklieren Secretie
2-lagig cilindrisch Conjuctiva Bescherming
Meerlagig Meerlagig niet- Mond, oesofagus, vagina, Bescherming, secretie,
verhoornd anaal kanaal voorkomen van
plaveisepitheel vochtverlies
Meerlagig Epidermis Bescherming (oa tegen
verhoorn uitdroging)
plaveisepitheel
Overgangsepitheel Blaas, ureter Bescherming,
weefselvorm past zich
aan de vullingsgraad
van het orgaan aan
Eenlagig:
Cilindrische cellen: hoogte is afhankelijk van de activiteit van de cel
o Cilindrisch gecilieerd epitheel in oviduct transport eicel en zaadcel
Meerrijig kernen liggen op verschillende niveaus, alle cellen rijken tot basaal membraan
in grote luchtwegen
Meerlagig:
Slechts onderste laag staat in verbinding met BM
Meerlagig verhoornd: bovenste laag is verhoornd en niet meer gekernd
Metastase: cellen kunnen uit normaal verband migreren
Kan gevaarlijk zijn met tumoren, kunnen door mesaalmembraan, in bloedvat terecht komen en de
rest van het lichaam aansteken kwaadaardige tumoren
Melanocyten: cellen in het epitheel gemigreerd zijn in embryonale ontwikkeling
Metaplasie: epithelen kunnen wijzigen
Overgangsepitheel bestaat uit 2 lagen: cellen op BM + paraplucellen die crusta vertonen
urotheel
2.4 Klierepitheel
2.4.1 Indeling
1) Exocrien -endocrien
a. Endoëpitheliaal (eencellige/unicellulaire klier)
i. slijmbekercellen (discontinue secretie secreet verlaat cel in 1 keer)
ii. slijmnapcellen (functioneel individueel maar toch samenwerkend in maag)
- Heel het leven lang produceren de cellen onafhankelijk van
elkaar slijm
- Functie slijm in maag: mucus laag bovenop slijmvlies laag dat
pH gradiënt zal vertonen pH 7 dat een pH 2 van maag tegen
houdt
b. Exocriene klier
4