Literatuur: Reisberg (hst 6), Matlin (hst 5) & Robinson (hst 7) + Artikel
Amnesia (vignet A)
Explicit memory task: de onderzoeker vraagt je direct bepaalde informatie te herinneren; je
realiseert je dat je geheugen wordt getest en de test vereist dat je opzettelijk bepaalde
informatie ophaalt die je eerder hebt geleerd. Vb. recall task of recognition task.
Implicit memory task: meet je geheugen indirect. Je krijgt materiaal te zien en later moet je
een cognitieve taak uitvoeren die niet direct vraagt om recall of recogntion. Door de eerdere
ervaring met het materiaal wordt je prestatie op de taak vergemakkelijkt.
Repitition priming task: recente blootstelling aan een woord verhoogt de kans dat je
aan dit specifieke woord denkt wanneer je een cue krijgt die verschillende woorden
kan uitlokken.
Amnesie: geheugenverlies. Verschillende vormen van amnesie:
Retrograde amnesia: verlies van geheugen voor gebeurtenissen die vóór de
breinschade hebben plaatsgevonden. Het tekort is vooral ernstig voor
gebeurtenissen die in de jaren vlak voor de schade hebben plaatsgevonden. Het
geheugen is dus vaak normaal voor gebeurtenissen na de breinschade.
Anterograde amnesia: verlies van het vermogen om herinneringen te vormen voor
gebeurtenissen die plaatsvinden ná de breinschade. Deze mensen kunnen vaak bijna
niets ophalen op testen van expliciet geheugen, zoals recall of recognition. Ze hebben
dus moeite om bewust een gebeurtenis te herinneren van na de breinschade.
- Meneer H.M. had hevige epilepsie en werd aan zijn brein geopereerd. Onder
andere de hippocampus werd verwijderd, deze is belangrijk bij het verkrijgen van
geheugen. Dit leidde bij hem tot anterograde amnesia. H.M. kon wel een normaal
gesprek voeren, zelfs over eerdere gebeurtenissen uit zijn leven. Maar hij kan
nieuwe gebeurtenissen dus niet onthouden (vb. iemand ontmoeten).
Amnesie: welk geheugen wordt verstoord?
Aangezien mensen met anterograde amnesie gebeurtenissen kunnen herinneren van voor
de amnesie, zou er niks mis zijn met het langetermijngeheugen. Het werkgeheugen is ook
nog intact: dat is hoe ze gebeurtenissen herinneren als ze aan deze denken. Jarenlang werd
gedacht dat het probleem hem zat in de connectie tussen werkgeheugen en
langetermijngeheugen, zodat nieuwe informatie niet van het werkgeheugen kon worden
opgeslagen in het langetermijngeheugen.
Echter hebben onderzoeken ander bewijs gevonden: een patiënt met Korsakoff amnesie
ging kennismaken met Claparède, die stiekem een pin in zijn hand had verstopt. Dus toen ze
de hand schudden, kreeg de patiënt een prik in haar hand. De volgende dag kwam Claparède
terug om nogmaals de hand van de patiënt te schudden. De patiënt had geen expliciet
geheugen van deze ontmoeting, maar wees de hand op het laatste moment toch af. Hieruit
blijkt dat toch een soort van geheugen wordt behouden.
, Eyewitness memory (vignet B)
Eyewitness testimony: ooggetuigen kunnen soms geloven dat ze iets hebben gezien, terwijl
dit eigenlijk aan hen is gesuggereerd in een andere situatie. Ooggetuigen moeten vaak
specifieke details ophalen over mensen en events, waardoor de kans op fouten groot is.
Verschillende factoren beïnvloeden eyewitness memory. Deze factoren kunnen worden
opgedeeld in encoding and storage factors, retrieval factors en witness factors.
Encoding and storage factors
Event-related factors: hebben impact op hoe de gebeurtenis in eerste instantie wordt
gecodeerd – dat is het proces waarbij informatie wordt verkregen en opgeslagen. De meest
logische factoren zijn de kwaliteit van de condities van de observeerder en de specifieke
aspecten van de gebeurtenis. Vb. was het dag of nacht? Was je ver weg of dichtbij? Hoelang
duurde de gebeurtenis? Andere factoren:
Emotional stress: het coderen van een event kan worden beïnvloed door emotionele
stress. Het fenomeen weapon focus laat zien dat de aanwezigheid van een wapen
vaak alle aandacht trekt, waardoor de perifere details niet worden gecodeerd in het
geheugen. Dit komt overeen met emotionele stress: het beperkt aandacht, zodat
centrale details meer geheel worden verwerkt, dit ten koste van de perifere details.
Andere onderzoekers stelden dat stress ook zou leiden tot het vergeten van centrale
details. Zij stelden dat cognitieve en lichamelijke reacties op stress kunnen variëren
en dat de precieze natuur van de reactie bepaald hoeveel wordt onthouden:
1. Arousal mode: wanneer de observeerder fysiologisch ontspannen is en de taak
gemakkelijk kan worden waargenomen. Nieuwe, verrassende en informatieve
gebeurtenissen ontvangen dan de meeste aandacht en worden goed onthouden.
2. Activation mode: wanneer de observeerder hoge levels van cognitieve angst en
fysiologische activatie (lichamelijke uitingen van angst) ervaart. Onder hoge levels
van cognitieve angst zal toenemende fysiologische arousal leiden tot een
toenemend goed geheugen, maar tot een bepaald punt. Als de fysiologische
activatie te intens wordt, zal het coderen van een gebeurtenis hieronder leiden,
zelfs voor centrale details (en worden dus niet goed onthouden).
Cross-racial identification: mensen zouden beter zijn in het herkennen van gezichten
van hun eigen ras, ten opzichte van andere rassen. Volgens sommige onderzoeken
kan dit een bijdragende factor zijn in eyewitness identificatie.
Post-event factors: gebeurtenissen die plaatsvinden na het coderen van de originele
gebeurtenis. Het geheugen wordt hierbij beïnvloed terwijl deze in opslag is.
Misinformation effect: mensen observeren eerst een gebeurtenis en krijgen achteraf
misleidende informatie over de gebeurtenis. Hierdoor herinneren ze zich later de
misleidende informatie, in plaats van de gebeurtenis die ze werkelijk zagen. Dit komt
overeen met retroactive interference: mensen hebben moeite met het herinneren
van de originele gebeurtenis, omdat nieuw geleerd materiaal (dus de misleidende
informatie) interfereert met oude herinneringen.