7. LANDSCHAPPEN BESCHRIJVEN (RUIMTE)
De plaats van aardrijkskunde:
- Bestudeert de ruimtelijke ordening van verschijnselen + relaties
- Wetenschap; stelt wetmatigheden op
- Aardrijkskundig denken gericht op 3 vragen: Wat? Waar? Waarom daar?
→ Wat is aardrijkskunde?
- Via waarnemingen gegevens verzamelen
- Op zoek gaan naar regelmaat
- Ruimtelijk patroon opstellen
- Via ‘kunnen’ komen tot ‘kennis’
Slaat de brug tussen humane wetenschappen en natuurwetenschappen
Binnen de eindtermen:
7.1 WAT VERSTA JE ONDER LANDSCHAP?
Het woord landschap roept een beeld op bij de mensen, vaak te maken met persoonlijke appreciatie.
3 aspecten van het landschap die universeel aanvaard worden:
1) Het landschap heeft te maken met HOE we onze leefomgeving ervaren
2) Heeft de waarde van een gemeenschappelijk erfgoed
3) Is dynamisch: voortdurend in verandering
1
,7.2 LANDSCHAPVORMENDE FACTOREN
Landschap => systeem van relaties tussen verschillende geofactoren:
- Substraat (geologische ondergrond & reliëf)
- Klimaat
- Menselijke inbreng
→ Zijn de basis van de andere factoren
Soorten landschappen:
Natuurlandschappen = landschappen die door natuurlijke krachten tot stand kwamen – enkel bestaande uit
natuurlijke elementen.
Cultuurlandschappen = natuurlandschappen die door de invloed van de mens omgevormd zijn → verschillen
door de tijd en mentaliteit van volkeren
→ Zijn dynamisch & weerspiegelen de dynamische ecologische en geografische relaties tussen de
mens en zijn leefmilieu en het technologisch kunnen van de mens in een bepaalde periode.
→ Agrarisch landschap (landbouw), stedelijk landschap (straten, dichte bebouwing), industrieel landschap
(verkeerswegen, industriële gebouwen), recreatielandschap (verblijf en ontspanning elementen)
Landschappen herkennen:
2
, 7.3 LANDSCHAPSELEMENTEN
Het landschap wordt gevormd door het uitzicht van de verschijnselen op het aardoppervlak → grote
verscheidenheid!
Reliëfoppervlak = een continu verschijnsel dat alle andere oppervlakken
draagt
Het landschap wordt opgebouwd uit een aantal landschapselementen:
7.3.1 RELIËF
Reliëf = oneffenheden op het aardvlak, afwisseling hoogten en laagten.
→ Sterk reliëf: veel oneffenheden → zwak reliëf: weinig oneffenheden.
ELEMENTEN VAN HET RELIËF (4 H’s)
Waarnemen van reliëf steunt op 3 aspecten: Helling, Horizonlijn & Hoogteverschil. De Hoogte is afleesbaar van
de kaart (die is belangrijk reliëfvormen te determineren)
1) Hoogteligging = aantal meter boven de zeespiegel, (afleesbaar op de kaart)
2) Helling = overgang van de top naar de voet (hellingsgraad wordt uitgedrukt in % → 10% = hoogte
neemt 10 m toe over een afstand van 100m) (waarnemen)
3) Horizon (waarnemen)
4) Hoogteverschil = verschil tussen het hoogste en het laagste punt. Geeft aan hoe sterk of zwak het
reliëf is. (Waarnemen)
RELIËF BENOEMEN
Reliëfvormen = herkenbare natuurlijke entiteiten van het aardoppervlak:
- Vlakte = overwegend horizontale reliëfvorm, geen of zeer zwakke hellingen, met horizontale
horizonlijn en met bijna geen/ of weinig plaatselijke hoogteverschillen. (Bv: Polders)
- Plateau = een overwegend horizontale reliëfvorm, waarvan de horizonlijn in alle richtingen geen of
weinig hoogteverschillen vertoont en waarin de hellingen van dal insnijdingen dit horizontaal karakter
verbreken
- Heuvel = een reliëfvorm met een omhoog uitstekende horizonlijn, met hellingen van niet meer dan
500m hoogte. We spreken ook van een heuvelrij, een heuvelrug.
3
De plaats van aardrijkskunde:
- Bestudeert de ruimtelijke ordening van verschijnselen + relaties
- Wetenschap; stelt wetmatigheden op
- Aardrijkskundig denken gericht op 3 vragen: Wat? Waar? Waarom daar?
→ Wat is aardrijkskunde?
- Via waarnemingen gegevens verzamelen
- Op zoek gaan naar regelmaat
- Ruimtelijk patroon opstellen
- Via ‘kunnen’ komen tot ‘kennis’
Slaat de brug tussen humane wetenschappen en natuurwetenschappen
Binnen de eindtermen:
7.1 WAT VERSTA JE ONDER LANDSCHAP?
Het woord landschap roept een beeld op bij de mensen, vaak te maken met persoonlijke appreciatie.
3 aspecten van het landschap die universeel aanvaard worden:
1) Het landschap heeft te maken met HOE we onze leefomgeving ervaren
2) Heeft de waarde van een gemeenschappelijk erfgoed
3) Is dynamisch: voortdurend in verandering
1
,7.2 LANDSCHAPVORMENDE FACTOREN
Landschap => systeem van relaties tussen verschillende geofactoren:
- Substraat (geologische ondergrond & reliëf)
- Klimaat
- Menselijke inbreng
→ Zijn de basis van de andere factoren
Soorten landschappen:
Natuurlandschappen = landschappen die door natuurlijke krachten tot stand kwamen – enkel bestaande uit
natuurlijke elementen.
Cultuurlandschappen = natuurlandschappen die door de invloed van de mens omgevormd zijn → verschillen
door de tijd en mentaliteit van volkeren
→ Zijn dynamisch & weerspiegelen de dynamische ecologische en geografische relaties tussen de
mens en zijn leefmilieu en het technologisch kunnen van de mens in een bepaalde periode.
→ Agrarisch landschap (landbouw), stedelijk landschap (straten, dichte bebouwing), industrieel landschap
(verkeerswegen, industriële gebouwen), recreatielandschap (verblijf en ontspanning elementen)
Landschappen herkennen:
2
, 7.3 LANDSCHAPSELEMENTEN
Het landschap wordt gevormd door het uitzicht van de verschijnselen op het aardoppervlak → grote
verscheidenheid!
Reliëfoppervlak = een continu verschijnsel dat alle andere oppervlakken
draagt
Het landschap wordt opgebouwd uit een aantal landschapselementen:
7.3.1 RELIËF
Reliëf = oneffenheden op het aardvlak, afwisseling hoogten en laagten.
→ Sterk reliëf: veel oneffenheden → zwak reliëf: weinig oneffenheden.
ELEMENTEN VAN HET RELIËF (4 H’s)
Waarnemen van reliëf steunt op 3 aspecten: Helling, Horizonlijn & Hoogteverschil. De Hoogte is afleesbaar van
de kaart (die is belangrijk reliëfvormen te determineren)
1) Hoogteligging = aantal meter boven de zeespiegel, (afleesbaar op de kaart)
2) Helling = overgang van de top naar de voet (hellingsgraad wordt uitgedrukt in % → 10% = hoogte
neemt 10 m toe over een afstand van 100m) (waarnemen)
3) Horizon (waarnemen)
4) Hoogteverschil = verschil tussen het hoogste en het laagste punt. Geeft aan hoe sterk of zwak het
reliëf is. (Waarnemen)
RELIËF BENOEMEN
Reliëfvormen = herkenbare natuurlijke entiteiten van het aardoppervlak:
- Vlakte = overwegend horizontale reliëfvorm, geen of zeer zwakke hellingen, met horizontale
horizonlijn en met bijna geen/ of weinig plaatselijke hoogteverschillen. (Bv: Polders)
- Plateau = een overwegend horizontale reliëfvorm, waarvan de horizonlijn in alle richtingen geen of
weinig hoogteverschillen vertoont en waarin de hellingen van dal insnijdingen dit horizontaal karakter
verbreken
- Heuvel = een reliëfvorm met een omhoog uitstekende horizonlijn, met hellingen van niet meer dan
500m hoogte. We spreken ook van een heuvelrij, een heuvelrug.
3