(Hoofdstukken 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14)
Hoofdstuk 8 – Assertiviteit
Lichaamstaal:
Boodschap zonder woorden = non-verbale communicatie
Nadruk ligt dan op lichaamstaal uit zich in MOHAB
Mimiek – Oogcontact – Houding – Afstand – Bewegingen
Reageren:
1) Agressieve reactie: in aanval gaan en brutaal opkomen voor rechten ten koste
van andere en vaak betreur je jouw reactie achteraf
2) Onderdanige reactie: slachtoffer van de situatie en jezelf opzijschuiven om het
de anderen naar hun zin te maken
3) Assertieve reactie: opkomen voor eigen belangen + gevoelens en belangen en
gevoelens van anderen respecteren
Assertief reageren:
Stappen – 1) Objectieve vaststelling (‘Ik zie dat…’)
2) Negatief effect benoemen (‘Ik kon daardoor niet…’)
3) Gevoel beneomen (‘Ik voelde me...’)
Gebruik ik-vorm en kwets of veroordeel niet
Hoofdstuk 9 – Thema en motief
Motief:
Klein en belangrijk element dat geregeld terugkeert in een verhaal
1. Eé n motief binnen é én werk/tekst
2. Eé n motief binnen é én auteur/maker
3. Universeel motief*
*Figuurlijk en letterlijk motief (reis = tocht of weg en zoektocht naar jezel
, Thema:
Kortst mogelijke omschrijving van waar een verhaal over gaat
Vaak probleem waarmee protagonist worstelt of maatschappelijk probleem
Extra voorbeelden:
Thema: Motief:
Liefde Verboden liefde, verliefd op iemand van andere sociale klasse,
geliefde sterft, geliefde blijkt slechterik
Goed vs. kwaad Lichaamsdeel dat verbonden staat met iemand anders
(litteken van Harry Potter)
Familieverwantschap Isolatie door een object (deur/kast)
Zakenwereld Object waarmee geld verdiend wordt (horloge/auto)
Spionage Persoon die eerst goed is maar dan naar de slechte kant gaat
! Een motief moet niet altijd in verband staan met het thema !
Hoofdstuk 10 – Bronnen gebruiken
Plagiaat:
I. Geraadpleegde bronnen worden niet vermeld
II. Identiek of ongewijzigd overgenomen
III. Vermijden door bronvermelding
Bronvermelding:
Manier waarop geraadpleegde bronnen worden vermeld
In Vlaanderen wordt de APA-stijl het meest gebruikt
Boek I. Auteur, A. (jaar van uitgave). Titel boek. Uitgever
II. Auteur, A., Auteur, B. & Auteur, C. (jaar van uitgave).
Titel boek. Uitgever.
Krantenartikel op papier I. Auteur, A. (jaar, dag maand). Titel van het artikel. Naam
krant. p. paginanummer.
Onlinekrantenartikel I. Auteur, A. (jaar, dag maand). Titel krantenartikel. Naam
krant. https://www...