• Wrong document? Swap it for free
  • Written by students who passed
  • Immediately available after payment
  • Read online or as PDF
Sell
Where do you study
Your language
Start selling Create your account
Document preview thumbnail
Preview 4 out of 245 pages
Exam (elaborations)

Evolutionairy Psychology an Introduction - gedetailleerde tentamen vragen met antwoord + toelichting PB1422

Document preview thumbnail
Preview 4 out of 245 pages

Het document omvat alle hoofdstukken van het boek met uitzondering van hoofdstuk 10 (geen tentamenstof). Op universitair niveau zijn er gedetailleerde tentamen vragen gemaakt waarbij bij elke vraag het antwoord plus een toelichting van het antwoord wordt beschreven. Door het beoefenen van deze tentamen vragen heb ik de toets met een 8.3 behaald.

Content preview

Gedetailleerde universitaire oefenvragen met toelichting Biologische
Grondslagen: Evolutionaire Psychologie (PB1422) 2025
Hoofdstuk 1 en 2;

Vraag 1
Wat is het belangrijkste uitgangspunt van de evolutionaire psychologie?
A. Menselijk gedrag wordt volledig bepaald door sociale en culturele invloeden.
B. De menselijke geest is een product van natuurlijke selectie en kan worden
begrepen in evolutionaire termen.
C. De menselijke geest is uniek en losgekoppeld van biologische evolutie.
D. Gedrag is volledig aangeleerd en niet erfelijk.

1. → B
De evolutionaire psychologie beschouwt de menselijke geest als een product van
natuurlijke selectie.

Vraag 2
Wat bedoelt men met ultieme vragen binnen de evolutionaire psychologie?
A. Ze verklaren hoe gedrag zich ontwikkelt tijdens het leven.
B. Ze gaan over de functie en evolutionaire oorsprong van gedrag.
C. Ze richten zich op directe fysiologische oorzaken van gedrag.
D. Ze beschrijven de rol van leerprocessen in gedrag.

2. → B
Ultieme vragen richten zich op de functie en evolutionaire oorsprong van gedrag
(waarom iets bestaat).

Vraag 3
Wat was volgens Jean-Baptiste Lamarck een belangrijk mechanisme van
evolutie?
A. Natuurlijke selectie en erfelijke variatie.
B. Verwerving van eigenschappen door gebruik of niet-gebruik, die vervolgens
erfelijk worden.
C. Genetische mutaties die willekeurig optreden.
D. Overerving van eigenschappen door seksuele selectie.

3. → B
Lamarck dacht dat verworven eigenschappen erfelijk zijn — een idee dat later
onjuist bleek.

Vraag 4
Wat hield Darwins idee van differentiële reproductie in?
A. Alleen de sterkste individuen overleven.
B. Individuen met bepaalde erfelijke eigenschappen laten meer nakomelingen
achter dan anderen.
C. Soorten passen zich willekeurig aan hun omgeving aan.
D. Erfelijke variatie verdwijnt door vermenging.

4. → B
Differentiële reproductie betekent dat individuen met voordelige eigenschappen
meer nakomelingen krijgen.

,Vraag 5
Wat ontdekte Mendel met zijn kruisingsexperimenten met erwtenplanten?
A. Eigenschappen worden altijd gemengd overgeërfd.
B. Erfelijke eigenschappen worden discreet overgedragen via vaste eenheden
(genen).
C. Verworven eigenschappen kunnen worden doorgegeven.
D. Alleen dominante eigenschappen worden geërfd.

5. → B
Mendel ontdekte dat eigenschappen discreet worden overgedragen via erfelijke
eenheden (genen).

Vraag 6
Wat was de belangrijkste fout van het blendmodel dat vóór Mendel populair was?
A. Het ging uit van dominante en recessieve genen.
B. Het veronderstelde dat erfelijke eigenschappen steeds vermengden, waardoor
variatie verdween.
C. Het negeerde omgevingsinvloeden.
D. Het hield geen rekening met seksuele voortplanting.

6. → B
Het blendmodel ging uit van vermenging, waardoor erfelijke variatie verdween —
iets wat Mendel weerlegde.

Vraag 7
Wie introduceerde de term eugenetica en wat was het doel ervan?
A. Charles Darwin – om te verklaren waarom natuurlijke selectie werkt.
B. Francis Galton – om de menselijke populatie te verbeteren via selectieve
voortplanting.
C. Sigmund Freud – om de invloed van opvoeding te benadrukken.
D. William James – om psychologische adaptaties te bestuderen.

7. → B
Francis Galton, Darwins neef, introduceerde eugenetica om de menselijke
populatie te “verbeteren” via selectie.

Vraag 8
Wat is het verschil tussen positieve en negatieve eugenetica?
A. Positieve eugenetica stimuleert voortplanting van “goede” eigenschappen;
negatieve probeert die van “ongewenste” te beperken.
B. Positieve eugenetica is wetenschappelijk, negatieve niet.
C. Positieve eugenetica richt zich op cultuur, negatieve op genen.
D. Positieve eugenetica betreft mensen, negatieve dieren.

8. → A
Positieve eugenetica = stimuleren van “gewenste” voortplanting;
Negatieve eugenetica = beperken van “ongewenste” voortplanting.

Vraag 9
Wat hield het Scala Naturae-concept van Aristoteles in?
A. Een hiërarchische ordening van alle levensvormen van laag naar hoog.
B. Een evolutionair model gebaseerd op natuurlijke selectie.

,C. Een model dat de eenheid van mens en dier benadrukte.
D. Een theorie over culturele evolutie.

9. → A
Aristoteles’ Scala Naturae plaatste organismen in een vaste hiërarchie van
eenvoudig naar complex.

Vraag 10
Welke filosoof geloofde dat het leven voortkwam uit een enkel levend filament?
A. Thales
B. Empedocles
C. Erasmus Darwin
D. Plato

10. → C
Erasmus Darwin (Darwin

1. Wat is het centrale uitgangspunt van de evolutionaire psychologie?
A. De menselijke geest is een product van natuurlijke selectie dat zich heeft
aangepast aan overlevingsproblemen.
B. Menselijk gedrag is volledig cultureel bepaald.
C. De menselijke geest is onafhankelijk van biologische processen.
D. De menselijke geest verandert niet door evolutionaire invloeden.
✅ Antwoord: A
➡️ De evolutionaire psychologie past de principes van natuurlijke selectie toe op
de menselijke geest en ziet mentale mechanismen als adaptaties.

2. Wat wordt bedoeld met proximate vragen?
A. Ze verklaren de evolutionaire functie van gedrag.
B. Ze richten zich op culturele invloeden op gedrag.
C. Ze verklaren de directe, onmiddellijke oorzaken van gedrag.
D. Ze onderzoeken de langetermijnvoordelen van gedrag.
✅ Antwoord: C
➡️ Proximate (nabije) verklaringen gaan over de mechanismen hoe gedrag
ontstaat (zoals hormonen, hersenactiviteit of leerprocessen).

3. Welke van de volgende uitspraken beschrijft het denken van Lamarck?
A. Eigenschappen die door gebruik of niet-gebruik worden verworven, zijn erfelijk.
B. Eigenschappen ontstaan door willekeurige mutaties en selectie.
C. Erfelijke eigenschappen worden discreet overgedragen via genen.
D. Natuurlijke selectie zorgt ervoor dat alleen de sterkste overleven.
✅ Antwoord: A
➡️ Lamarck dacht dat verworven eigenschappen (zoals spierkracht) doorgegeven
konden worden, wat later onjuist bleek.

4. Wat is een voorbeeld van differentiële reproductie?
A. Individuen met voordelige kenmerken krijgen meer nakomelingen dan
anderen.
B. Alle individuen krijgen een gelijke kans op voortplanting.
C. Variatie in een populatie verdwijnt door vermenging.
D. Alleen mutaties bepalen overlevingskansen.
✅ Antwoord: A

, ➡️ Differentiële reproductie betekent dat sommige individuen, dankzij hun
erfelijke eigenschappen, meer voortplantingssucces hebben.

5. Wat toonde Mendel met zijn erwtenplant-experimenten aan?
A. Eigenschappen worden discreet overgeërfd via vaste eenheden.
B. Eigenschappen worden continu gemengd.
C. Erfelijkheid is volledig afhankelijk van omgevingsinvloeden.
D. Alleen dominante eigenschappen worden overgedragen.
✅ Antwoord: A
➡️ Mendel ontdekte de basis van genetica: overerving via discrete eenheden
(genen), niet via vermenging.

6. Wat was het doel van Francis Galtons eugenetica?
A. De menselijke populatie verbeteren door selectieve voortplanting.
B. Aantonen dat gedrag volledig door de omgeving wordt bepaald.
C. Verklaren waarom adaptaties ontstaan.
D. Onderzoeken hoe instincten erfelijk zijn.
✅ Antwoord: A
➡️ Galton wilde menselijke erfelijke kwaliteiten “verbeteren” door voortplanting
van “goede” eigenschappen te bevorderen.

7. Wat onderscheidt positieve van negatieve eugenetica?
A. Positieve stimuleert voortplanting van gewenste eigenschappen, negatieve
beperkt die van ongewenste.
B. Positieve is ethisch verantwoord, negatieve niet.
C. Positieve richt zich op dieren, negatieve op mensen.
D. Positieve is gebaseerd op natuurlijke selectie, negatieve op culturele selectie.
✅ Antwoord: A
➡️ Positieve eugenetica = aanmoediging van voortplanting bij gezonde
individuen; negatieve = beperking bij “ongewenste” individuen.

8. Wat is de Scala Naturae van Aristoteles?
A. Een hiërarchische ladder van levensvormen van eenvoudig tot complex.
B. Een evolutionair model dat soorten verklaart via natuurlijke selectie.
C. Een genetische verklaring voor verwantschap.
D. Een sociale ordening van menselijke culturen.
✅ Antwoord: A
➡️ Aristoteles zag de natuur als een hiërarchische keten waarin elk organisme
een vaste plaats had.

9. Wie stelde dat alle levende wezens afstammen van een “levend filament”?
A. Erasmus Darwin
B. Plato
C. Empedocles
D. Thales
✅ Antwoord: A
➡️ Erasmus Darwin, de grootvader van Charles Darwin, dacht dat al het leven
één gemeenschappelijke oorsprong had.

10. Wat was de belangrijkste bijdrage van Charles Darwin aan de wetenschap?
A. De theorie van natuurlijke selectie als verklaring voor evolutie.
B. Het idee dat soorten onveranderlijk zijn.
C. De ontdekking van DNA.
D. De ontwikkeling van de erfelijkheidswetten.

Table of contents

  1. 01 Blok 2 — Paringssystemen, dimorfie & testikelgrootte 68
  2. 02 Blok 3 — Buss & Schmitt, lang vs. kort, partnerkeuze 69
  3. 03 Blok 4 — Pre/extra-huwelijkse seks, Clark & Hatfield, voordelen kortetermijn 71
  4. 04 Blok 5 — Spermacompetitie, jaloezie & onzekerheidsreductie 72
  5. 05 Blok 6 — Mens vs. primaten, vlees/voorziening & pair-bond 74
  6. 06 Blok 7 — Extra voorkeuren, reproductieve waarde & cultuur 75
  7. 07 Blok 8 — Baviaan tot Buss: integratie & valkuilen 77
    1. 1. Volgens Hamilton is altruïstisch gedrag evolutionair zinvol als... 79
    2. 2. De biologische verwantschap tussen volle broers of zussen bedraagt gemiddeld... 79
    3. 3. Volgens Hamilton’s formule zou het genetisch ‘de moeite waard’ zijn om je leven te riskeren voor... 79
    4. 4. Neven en nichten delen gemiddeld... 79
    5. 5. Volgens Hamilton zou je je leven opofferen voor acht neven of nichten omdat... 80
    6. 6. Insecten zoals bijen tonen extreem altruïsme doordat... 80
    7. 7. Bij werksterbijen is de verwantschap tussen zusters gemiddeld... 80
    8. 8. De verwantschap tussen een koningin en haar dochters bij bijen is... 80
    9. 9. De kritiek van Sahlins op Hamiltons theorie betrof vooral dat... 81
    10. 10. Tooby & Cosmides weerlegden Sahlins door te stellen dat... 81
    11. 11. Het onderscheid tussen proximale en ultimale verklaringen is dat... 81
    12. 12. Ouderlijke investering verwijst naar... 81
    13. 13. Ouders zullen volgens de theorie van ouderlijke investering hun energie verdelen... 82
    14. 14. Ouder-kindconflict ontstaat wanneer... 82
    15. 15. Een pasgeboren kind zal evolutionair gezien... 82
    16. 16. Vanuit het perspectief van het eerste kind ontstaat conflict vooral wanneer... 82
    17. 17. Vanuit inclusieve fitness hebben ouders baat bij... 83
    18. 18. Broers en zussen hebben evolutionair belang bij samenwerking omdat... 83
    19. 19. Conflicten tussen broers en zussen ontstaan vooral wanneer... 83
    20. 20. Een voorbeeld van een proximale verklaring van ouderlijke investering is... 83
    21. 1. Wat is volgens evolutionaire psychologen de juiste definitie van altruïsme? 84
    22. 2. Wat beschrijft Hamilton’s regel (1964)? 84
    23. 3. Wat betekent het begrip inclusive fitness? 84
    24. 4. Volgens John Maynard Smith heeft verwantschapsselectie betrekking op... 85
    25. 5. Vanuit sociaalpsychologisch perspectief is altruïsme... 85
    26. 6. Waarom wordt onbaatzuchtigheid tegenover familieleden evolutionair als ‘egoïstisch’ beschouwd? 85
    27. 7. Volgens Sahlins is Hamilton’s regel niet toepasbaar op de mens, omdat... 85
    28. 8. Volgens evolutionaire psychologen weerspreekt Sahlins’ kritiek zichzelf, omdat... 86
    29. 9. Welke van de onderstaande mechanismen is géén vorm van verwantschapsherkenning? 86
    30. 10. Wat houdt fenotype matching in? 86
    31. 11. Wat is volgens Trivers de definitie van ouderlijke investering? 86
    32. 12. Wat bepaalt volgens de theorie van ouderlijke investering de optimale verdeling van ouderlijke zorg? 87
    33. 13. Wat is het verschil tussen r- en K-strategieën? 87
    34. 14. Wat verklaart de grootmoederhypothese? 87
    35. 15. Waarom is de verwantschap tussen grootouders asymmetrisch verdeeld? 88
    36. 16. Volgens evolutionaire logica investeren grootmoeders gemiddeld het meest in... 88
    37. 17. Waarom kan menopauze evolutionair gezien adaptief zijn? 88
    38. 18. Wat bedoelt men met “vaderschapszekerheid”? 89
    39. 19. Wat voorspelt de volgorde van grootouderlijke investering volgens evolutionaire theorie (van hoog naar laag)? 89
    40. 20. Wat is het belangrijkste nadeel van ouderlijke investering volgens Trivers? 89
    41. 21. Wat is volgens Trivers het kernidee van ouder-kindconflict? 89
    42. 22. Wanneer is het ouder-kindconflict volgens Trivers het sterkst? 90
    43. 23. Wat houdt het Assepoestereffect in? 90
    44. 24. Wat is volgens evolutionaire psychologie een mogelijke verklaring voor het Assepoestereffect? 90
    45. 25. Wat stelde David Buller als kritiek op het Assepoestereffect? 91
    46. 26. Wat betekent ouderlijke manipulatie in evolutionaire zin? 91
    47. 27. Volgens sociaal psychologen zijn familieconflicten meestal... 91
    48. 28. Volgens evolutionaire psychologen zijn familieconflicten... 91
    49. 29. Waarom kunnen nieuwe kinderen in een gezin leiden tot conflict tussen broers en zussen? 92
    50. 30. Wat voorspelde Trivers over het moment waarop een moeder haar investering verschuift naar een nieuw kind? 92
    51. 31. Wat is volgens Haig’s theorie de evolutionaire oorzaak van moeder-foetusconflict? 92
    52. 32. Wat is de biologische basis van dit moeder-foetusconflict? 93
    53. 33. Wat is een evolutionaire verklaring voor zwangerschapsmisselijkheid (morning sickness)? 93
    54. 34. Wat voorspelt de theorie van genomische imprinting (Haig, 2000)? 93
    55. 35. Wat is het evolutionaire voordeel van maternale beperking van foetale groei? 93
    56. 36. Wat verklaart de verhoogde kans op zwangerschapsdiabetes vanuit evolutionair perspectief? 94
    57. 37. Wat voorspelt de evolutionaire theorie over moederlijke bloeddruk tijdens de zwangerschap? 94
    58. 38. Waarom kunnen keizersnedes en moderne medische ingrepen evolutionair gezien mismatches creëren? 95
    59. 39. Waarom is postnatale depressie mogelijk adaptief volgens de evolutionaire hypothese van Hagen (1999)? 95
    60. 40. Wat is een algemene evolutionaire conclusie over familierelaties volgens de inclusieve fitnesstheorie? 95
    61. Vraag 1 95
    62. Vraag 2 96
    63. Vraag 3 96
    64. Vraag 4 96
    65. Vraag 5 97
    66. Vraag 6 97
    67. Vraag 7 97
    68. Vraag 8 98
    69. Vraag 9 98
    70. Vraag 10 98
    71. Vraag 11 99
    72. Vraag 12 99
    73. Vraag 13 99
    74. Vraag 14 100
    75. Vraag 15 100
    76. Vraag 16 100
    77. Vraag 17 101
    78. Vraag 18 101
    79. Vraag 19 101
    80. Vraag 20 102
    81. Vraag 21 102
    82. Vraag 22 102
    83. Vraag 23 103
    84. Vraag 24 103
    85. Vraag 25 103
    86. Vraag 26 104
    87. Vraag 27 104
    88. Vraag 28 104
    89. Vraag 29 105
    90. Vraag 30 105
    91. Vraag 31 105
    92. Vraag 32 106
    93. Vraag 33 106
    94. Vraag 34 107
    95. Vraag 35 107
    96. Vraag 36 107
    97. Vraag 37 108
    98. Vraag 38 108
    99. Vraag 39 108
    100. Vraag 40 109
    101. Vraag 1 128
    102. Vraag 2 129
    103. Vraag 3 129
    104. Vraag 4 129
    105. Vraag 5 130
    106. Vraag 6 130
    107. Vraag 7 130
    108. Vraag 8 131
    109. Vraag 9 131
    110. Vraag 10 131
    111. Vraag 11 131
    112. Vraag 12 132
    113. Vraag 13 132
    114. Vraag 14 133
    115. Vraag 15 133
    116. Vraag 16 133
    117. Vraag 17 134
    118. Vraag 18 134
    119. Vraag 19 134
    120. Vraag 20 135
    121. Vraag 21 135
    122. Vraag 22 135
    123. Vraag 23 136
    124. Vraag 24 136
    125. Vraag 25 136
    126. Vraag 26 137
    127. Vraag 27 137
    128. Vraag 28 137
    129. Vraag 29 138
    130. Vraag 30 138
    131. Vraag 1 139
    132. Vraag 2 139
    133. Vraag 3 139
    134. Vraag 4 140
    135. Vraag 5 140
    136. Vraag 6 140
    137. Vraag 7 141
    138. Vraag 8 141
    139. Vraag 9 141
    140. Vraag 10 142
    141. Vraag 11 142
    142. Vraag 12 142
    143. Vraag 13 143
    144. Vraag 14 143
    145. Vraag 15 143
    146. Vraag 16 144
    147. Vraag 17 144
    148. Vraag 18 144
    149. Vraag 19 144
    150. Vraag 20 145
    151. Vraag 21 145
    152. Vraag 22 145
    153. Vraag 23 146
    154. Vraag 24 146
    155. Vraag 25 146
    156. Vraag 26 147
    157. Vraag 27 147
    158. Vraag 28 147
    159. Vraag 29 148
    160. Vraag 30 148
    161. Vraag 31 148
    162. Vraag 32 149
    163. Vraag 33 149
    164. Vraag 34 149
    165. Vraag 35 149
    166. Vraag 36 150
    167. Vraag 37 150
    168. Vraag 38 150
    169. Vraag 39 151
    170. Vraag 40 151
    171. Vraag 1 166
    172. Vraag 2 166
    173. Vraag 3 167
    174. Vraag 4 167
    175. Vraag 5 167
    176. Vraag 6 168
    177. Vraag 7 168
    178. Vraag 8 168
    179. Vraag 9 169
    180. Vraag 10 169
    181. Vraag 1 169
    182. Vraag 2 169
    183. Vraag 3 170
    184. Vraag 4 170
    185. Vraag 5 170
    186. Vraag 6 171
    187. Vraag 7 171
    188. Vraag 8 171
    189. Vraag 9 172
    190. Vraag 10 172
    191. Vraag 11 172
    192. Vraag 12 172
    193. Vraag 13 173
    194. Vraag 14 173
    195. Vraag 15 173
    196. Vraag 16 174
    197. Vraag 17 174
    198. Vraag 18 174
    199. Vraag 19 174
    200. Vraag 20 175
    201. Vraag 21 175
    202. Vraag 22 175
    203. Vraag 23 176
    204. Vraag 24 176
    205. Vraag 25 176
    206. Vraag 26 177
    207. Vraag 27 177
    208. Vraag 28 177
    209. Vraag 29 178
    210. Vraag 30 178
    211. Vraag 31 178
    212. Vraag 32 178
    213. Vraag 33 179
    214. Vraag 34 179
    215. Vraag 35 179
    216. Vraag 36 180
    217. Vraag 37 180
    218. Vraag 38 180
    219. Vraag 39 180
    220. Vraag 40 181
    221. Vraag 1 181
    222. Vraag 2 181
    223. Vraag 3 182
    224. Vraag 4 182
    225. Vraag 5 182
    226. Vraag 6 182
    227. Vraag 7 183
    228. Vraag 8 183
    229. Vraag 9 183
    230. Vraag 10 184
    231. Vraag 11 184
    232. Vraag 12 184
    233. Vraag 13 185
    234. Vraag 14 185
    235. Vraag 15 185
    236. Vraag 16 186
    237. Vraag 17 186
    238. Vraag 18 186
    239. Vraag 19 186
    240. Vraag 20 187
    241. Vraag 21 187
    242. Vraag 22 187
    243. Vraag 23 188
    244. Vraag 24 188
    245. Vraag 25 188
    246. Vraag 26 188
    247. Vraag 27 189
    248. Vraag 28 189
    249. Vraag 29 189
    250. Vraag 30 190
    251. Vraag 31 190
    252. Vraag 32 190
    253. Vraag 33 190
    254. Vraag 34 191
    255. Vraag 35 191
    256. Vraag 36 191
    257. Vraag 37 192
    258. Vraag 38 192
    259. Vraag 39 192
    260. Vraag 40 193
    261. Vraag 1 193
    262. Vraag 2 193
    263. Vraag 3 193
    264. Vraag 4 194
    265. Vraag 5 194
    266. Vraag 6 194
    267. Vraag 7 195
    268. Vraag 8 195
    269. Vraag 9 195
    270. Vraag 10 195
    271. Vraag 1 196
    272. Vraag 2 196
    273. Vraag 3 196
    274. Vraag 4 197
    275. Vraag 5 197
    276. Vraag 6 197
    277. Vraag 7 198
    278. Vraag 8 198
    279. Vraag 9 198
    280. Vraag 10 198
    281. Vraag 1 199
    282. Vraag 2 199
    283. Vraag 3 199
    284. Vraag 4 199
    285. Vraag 5 200
    286. Vraag 6 200
    287. Vraag 7 200
    288. Vraag 8 201
    289. Vraag 9 201
    290. Vraag 10 201
    291. 1. 224
    292. 2. 224
    293. 3. 224
    294. 4. 225
    295. 5. 225
    296. 6. 225
    297. 7. 226
    298. 8. 226
    299. 9. 226
    300. 10. 227
    301. 11. 227
    302. 12. 227
    303. 13. 227
    304. 14. 228
    305. 15. 228
    306. 16. 228
    307. 17. 229
    308. 18. 229
    309. 19. 229
    310. 20. 229
    311. 21. 230
    312. 22. 230
    313. 23. 230
    314. 24. 231
    315. 25. 231
    316. 27. 232
    317. 28. 232
    318. 29. 232
    319. 30. 232
    320. 31. 233
    321. 32. 233
    322. 33. 233
    323. 34. 234
    324. 35. 234
    325. 36. 234
    326. 37. 234
    327. 38. 235
    328. 39. 235
    329. 40. 235
    330. 41. 236
    331. 42. 236
    332. 43. 236
    333. 44. 236
    334. 45. 237
    335. 46. 237
    336. 47. 237
    337. 48. 238
    338. 49. 238
    339. 50. 238
    340. 51. 239
    341. 52. 239
    342. 53. 239
    343. 54. 240
    344. 55. 240
    345. 56. 240
    346. 57. 240
    347. 58. 241
    348. 59. 241
    349. 60. 241
    350. 61. 242
    351. 62. 242
    352. 63. 242
    353. 64. 243
    354. 65. 243
    355. 66. 243
    356. 67. 243
    357. 68. 244
    358. 69. 244
    359. 70. 244

Connected book
 image
Lance Workman, Will Reader Evolutionary Psychology
Publisher: Unknown ISBN: 9781108716468 Edition: Unknown

Document information

Study
Uploaded on
November 9, 2025
Number of pages
245
Written in
2025/2026
Type
Exam (elaborations)
Contains
Questions & answers
£7.10

Wrong document? Swap it for free Within 14 days of purchase and before downloading, you can choose a different document. You can simply spend the amount again.
Written by students who passed
Immediately available after payment
Read online or as PDF

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
daniquevanderaa
3.7
(3)
Sold
27
Followers
0
Items
8
Last sold
4 days ago



Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their exams and reviewed by others who've used these revision notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No problem! You can straightaway pick a different document that better suits what you're after.

Pay as you like, start learning straight away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and smashed it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Working on your references?

Create accurate citations in APA, MLA and Harvard with our free citation generator.

Working on your references?

Frequently asked questions