, H1: Drama en Dramaturgie
Aristoteles (384 – 322 voor Chr.) = Griekse filosoof en wetenschapper die met Socrates en
Plato werd beschouwd als een van de invloedrijkste klassieke filosofen in de westerse
traditie
Drama = een verhalend verloop vindt je in alles dat een verhaal heeft
Tragedie = een genre, treurspel. Drama met een treurig/rampzalig verloop ->
hoofdrolspelers krijgen een onmogelijke keus kenmerken van de plot van een tragedie:
1. Het gaat om 1 enkel handelingsverloop met 1 afloop
2. Het gaat om een verandering van geluk naar ongeluk
3. De verandering is niet veroorzaakt door verdorvenheid van karakter, maar door een
grote fout die is gemaakt door iemand van gemiddelde goedheid of beter
Elementen van tragedie van Aristoteles:
Schouwspel (wijze waarop drama zich voltrekt)
Liederen en taal (het medium, de drager)
Plot, karakter en denken (onderwerp) = ziel van tragedie, 2e karakters (gaat om de
handeling)
o Leiden van de hoofdpersoon
o Peripetie
Dramaturgie = hoe het drama/verhalende verloop is opgebouwd Aristoteles zei: het moet
een geheel zijn maar ook te overzien zijn (proloog, episode, exodus), maar ook samenhang
door waarschijnlijkheid of noodzakelijkheid -> het moet logisch zijn
Drie-aktenstructuur van tragisch plot:
Proloog (expose):
o Sfeer wordt neergezet
o Expositie: hoofdpersonen en hun rollen worden duidelijk, verhaal is nog niet
begonnen
o Motorisch moment: moment waarop datgene gebeurd
dat het echte verhaal in gang zet (onderdeel van
intrige)
Episode (confrontatie)›:
o Opbouw spanning allerlei crises
o Catastrofe: dramatische ontwikkelingen leiden tot het
hoogtepunt in climaxen/crises
o Afwikkeling catastrofe: deel tussen catastrofe en feitelijke ontknoping van het
verhaal
Epiloog (resolutie):
o Ontknoping: hoofdrolspelers en publiek komen
achter de waarheid of het probleem wordt opgelost
o Catharsis (loutering): hoofdpersoon moet in het
reine komen met datgene wat hem is overkomen
(verzoent zich met het lot)
o Afbouw: alle uitgezette lijnen komen bij elkaar
Aristoteles (384 – 322 voor Chr.) = Griekse filosoof en wetenschapper die met Socrates en
Plato werd beschouwd als een van de invloedrijkste klassieke filosofen in de westerse
traditie
Drama = een verhalend verloop vindt je in alles dat een verhaal heeft
Tragedie = een genre, treurspel. Drama met een treurig/rampzalig verloop ->
hoofdrolspelers krijgen een onmogelijke keus kenmerken van de plot van een tragedie:
1. Het gaat om 1 enkel handelingsverloop met 1 afloop
2. Het gaat om een verandering van geluk naar ongeluk
3. De verandering is niet veroorzaakt door verdorvenheid van karakter, maar door een
grote fout die is gemaakt door iemand van gemiddelde goedheid of beter
Elementen van tragedie van Aristoteles:
Schouwspel (wijze waarop drama zich voltrekt)
Liederen en taal (het medium, de drager)
Plot, karakter en denken (onderwerp) = ziel van tragedie, 2e karakters (gaat om de
handeling)
o Leiden van de hoofdpersoon
o Peripetie
Dramaturgie = hoe het drama/verhalende verloop is opgebouwd Aristoteles zei: het moet
een geheel zijn maar ook te overzien zijn (proloog, episode, exodus), maar ook samenhang
door waarschijnlijkheid of noodzakelijkheid -> het moet logisch zijn
Drie-aktenstructuur van tragisch plot:
Proloog (expose):
o Sfeer wordt neergezet
o Expositie: hoofdpersonen en hun rollen worden duidelijk, verhaal is nog niet
begonnen
o Motorisch moment: moment waarop datgene gebeurd
dat het echte verhaal in gang zet (onderdeel van
intrige)
Episode (confrontatie)›:
o Opbouw spanning allerlei crises
o Catastrofe: dramatische ontwikkelingen leiden tot het
hoogtepunt in climaxen/crises
o Afwikkeling catastrofe: deel tussen catastrofe en feitelijke ontknoping van het
verhaal
Epiloog (resolutie):
o Ontknoping: hoofdrolspelers en publiek komen
achter de waarheid of het probleem wordt opgelost
o Catharsis (loutering): hoofdpersoon moet in het
reine komen met datgene wat hem is overkomen
(verzoent zich met het lot)
o Afbouw: alle uitgezette lijnen komen bij elkaar