Artikel McCrae
Van 3 factorenmodel naar FFM.
FFM (volgens Reis de meest wetenschappelijk rigoureuze taxonomie die
gedragswetenschap kent) is dominant paradigma op dit moment. Heeft geleid tot
herformuleren persoonlijkheidsstoornissen die van invloed zijn op DSM-V. Het is
universeel en stereotypen van nationale karakters zijn misvattingen. FFM kan
meeste persoonskenmerken verklaren.
Waarom pas eind 20e eeuw toepassing op grote schaal? Vertraging kwam door
onduidelijkheid van structuur. Oplossing: lexicale hypothese (Galton)
(Eigenschappen vastleggen in duidelijke taal.)
Meestal door zelf-rapportage. Nuttig maar niet perfect.
Bij pubertijd neemt N en E af en C en A nemen toe. O neemt toe tot ergens in de
20 en neemt daarna af.
O- openheid, C- Concentieusheid, E-Extraversie, A-Altruïsme, N- Neuroticisme.
Er zijn consistente patronen in gender. Vrouwen scoren hoger op N&A, Binnen E
zijn vrouwen warmer en mannen assertiever.
Men vertaalt NEO-PI-R van Costa&McCrae. Resultaat is dat persoonlijk het overal
hetzelfde is. FFM structuur is universeel en sterk geworteld in biologie. Elk van de
5 factoren zijn erfelijk. Dit weet men a.d.h.v. tweelingstudies.
Door prominente rol van FFM wel kritiek. Het verandert de manier van denken of
maakt het model sterker.
Trekken zijn geen oorzaak van gedrag maar een bijverschijnsel dat komt van
ontwikkeling van patronen of gedrag. Trekken beschrijven gedrag. FFM zelf is niet
de totale theorie van persoonskenmerken.
Meer kritiek komt van onderzoekers die variatie of verbetering voorstellen.
De FFM is een hiërarchisch model. 5 brede factoren monden uit in specifieke
trekken.
De Raad en Peabody zien meer in 3 factoren EAC dan FFM.
Ashton e.a.: HEXACO – Honesty en Humility.
In de engelse taal weinig woorden voor O. Chinezen voegde Spiritualiteit toe.
TCI (Temperament en Character Inventory, Cloninger) 3 spiritualiteits schalen.
Digman stelt dat 5 factoren niet de hoogste level zijn van
persoonlijkheidsstructuren. Mbv factoranalyse toonde hij aan dat veel factoren
onderling correleerden en bracht 2 factoren van hogere orde aan het ligt: Alfa,
NAC & Beta EO. Sommige onderzoekers denken dat het kenmerken zijn van de
persoonlijkheidsstructuur met wellicht genetische basis. Andere onderzoekers
denk dat het een vooropgezet oordeel is. Te noemen positieve of negatieve
valentie. Negatieve valentie (NAC) (lage alfa), Positieve valentie (EO) Beta.
NEO-PI-R heeft 30 schalen, 6 voor iedere factor. Bekritiseerd als willekeurig : We
moeten meten en onderzoeken wat echt klopt, niet zomaar raden op gevoel.
Van 3 factorenmodel naar FFM.
FFM (volgens Reis de meest wetenschappelijk rigoureuze taxonomie die
gedragswetenschap kent) is dominant paradigma op dit moment. Heeft geleid tot
herformuleren persoonlijkheidsstoornissen die van invloed zijn op DSM-V. Het is
universeel en stereotypen van nationale karakters zijn misvattingen. FFM kan
meeste persoonskenmerken verklaren.
Waarom pas eind 20e eeuw toepassing op grote schaal? Vertraging kwam door
onduidelijkheid van structuur. Oplossing: lexicale hypothese (Galton)
(Eigenschappen vastleggen in duidelijke taal.)
Meestal door zelf-rapportage. Nuttig maar niet perfect.
Bij pubertijd neemt N en E af en C en A nemen toe. O neemt toe tot ergens in de
20 en neemt daarna af.
O- openheid, C- Concentieusheid, E-Extraversie, A-Altruïsme, N- Neuroticisme.
Er zijn consistente patronen in gender. Vrouwen scoren hoger op N&A, Binnen E
zijn vrouwen warmer en mannen assertiever.
Men vertaalt NEO-PI-R van Costa&McCrae. Resultaat is dat persoonlijk het overal
hetzelfde is. FFM structuur is universeel en sterk geworteld in biologie. Elk van de
5 factoren zijn erfelijk. Dit weet men a.d.h.v. tweelingstudies.
Door prominente rol van FFM wel kritiek. Het verandert de manier van denken of
maakt het model sterker.
Trekken zijn geen oorzaak van gedrag maar een bijverschijnsel dat komt van
ontwikkeling van patronen of gedrag. Trekken beschrijven gedrag. FFM zelf is niet
de totale theorie van persoonskenmerken.
Meer kritiek komt van onderzoekers die variatie of verbetering voorstellen.
De FFM is een hiërarchisch model. 5 brede factoren monden uit in specifieke
trekken.
De Raad en Peabody zien meer in 3 factoren EAC dan FFM.
Ashton e.a.: HEXACO – Honesty en Humility.
In de engelse taal weinig woorden voor O. Chinezen voegde Spiritualiteit toe.
TCI (Temperament en Character Inventory, Cloninger) 3 spiritualiteits schalen.
Digman stelt dat 5 factoren niet de hoogste level zijn van
persoonlijkheidsstructuren. Mbv factoranalyse toonde hij aan dat veel factoren
onderling correleerden en bracht 2 factoren van hogere orde aan het ligt: Alfa,
NAC & Beta EO. Sommige onderzoekers denken dat het kenmerken zijn van de
persoonlijkheidsstructuur met wellicht genetische basis. Andere onderzoekers
denk dat het een vooropgezet oordeel is. Te noemen positieve of negatieve
valentie. Negatieve valentie (NAC) (lage alfa), Positieve valentie (EO) Beta.
NEO-PI-R heeft 30 schalen, 6 voor iedere factor. Bekritiseerd als willekeurig : We
moeten meten en onderzoeken wat echt klopt, niet zomaar raden op gevoel.