HOOFDSTUK 1: HET BESTUURLIJKE EN WETTELIJKE KADER
Gebaseerd op je eerste en laatste sets foto's over staatsinrichting en wetten.
1.1 De inrichting van Nederland
Nederland is een gedecentraliseerde eenheidsstaat. Dat betekent dat we één centrale
overheid hebben, maar dat taken en bevoegdheden zijn verdeeld over lagere overheden
(provincies en gemeenten).
• Trias Politica (Montesquieu): Om machtsmisbruik te voorkomen, is de macht in
drieën gedeeld:
1. Wetgevende macht: Parlement (1e en 2e Kamer) + Regering. Zij maken de
regels.
2. Uitvoerende macht: Regering + Ambtenaren + Politie. Zij voeren het
beleid uit.
3. Rechterlijke macht: Rechters. Zij toetsen aan de wet.
1.2 Het Gemeentebestuur
Binnen de gemeente (waar jij als IVK'er vaak mee te maken krijgt) zijn er vier
hoofdrolspelers (Bestuursorganen):
1. De Gemeenteraad: De "baas". Zij stellen de kaders (wat gaan we doen?) en
controleren het college.
2. College van B&W (Burgemeester & Wethouders): Het dagelijks bestuur. Zij
voeren het beleid uit.
3. De Burgemeester: Heeft eigen bevoegdheden, vooral op het gebied
van Openbare Orde en Veiligheid. Hij/zij is geen lid van de raad.
4. Heffingsambtenaar: Voor de belastingen.
Let op: Sinds 2002 hebben we dualisme. Dat betekent dat wethouders geen lid meer
zijn van de raad. De raad controleert, de wethouder voert uit. Ze zijn ontvlochten.
1.3 Financiën: Waar komt het geld vandaan?
Een gemeente kan niet zomaar geld uitgeven. Er zijn strenge regels (Wettelijk Kader):
• Gemeentewet: Regelt de basis (begroting, jaarrekening).
• BBV (Besluit Begroting en Verantwoording): De 'boekhoudregels' voor
gemeenten.
, • Wet Fido: Regels over leningen en financieel risico (financiering decentrale
overheden).
Inkomsten: De gemeente krijgt geld via drie potjes:
1. Algemene uitkering: Een grote zak geld van het Rijk (uit het
Gemeentefonds). Gemeente mag zelf weten waaraan ze dit besteden
(autonomie).
2. Specifieke uitkeringen: Geld van het Rijk met een labeltje eraan (bijv. "dit moet
naar jeugdzorg"). Dit heet medebewind.
3. Eigen inkomsten: Lokale belastingen (OZB, parkeergeld, leges).
Cruciaal inzicht: Een gemeente heeft nauwelijks invloed op de inkomsten (die bepaalt
het Rijk grotendeels). Sturen op een gezonde begroting doe je dus vooral aan
de uitgavenkant (bezuinigen).
HOOFDSTUK 2: RECHTSGEBIEDEN EN BRONNEN
Gebaseerd op de slides met de blauwe blokjes en de wetboeken.
Het recht is verdeeld in twee hoofdsmaken:
2.1 Publiekrecht vs. Privaatrecht
• Publiekrecht (Verticaal): De regels tussen de overheid en de burger. De
overheid staat hier 'boven' de burger.
• Voorbeelden: Strafrecht (staat straft burger), Bestuursrecht
(vergunningen, belasting), Staatsrecht.
• Privaatrecht / Burgerlijk Recht (Horizontaal): De regels tussen burgers
onderling (en bedrijven). Partijen zijn gelijkwaardig.
• Voorbeelden: Arbeidsrecht, Huurrecht, Familierecht (scheidingen). Dit
staat in het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.2 Soorten regels
• Dwingend recht: Hier mag je niet van afwijken (bijv. minimumloon, regels
rondom moord).
• Aanvullend recht: Geldt alleen als partijen zelf niets hebben afgesproken
(bijv.standaard leveringsvoorwaarden).
• Materieel recht: De inhoud. Wat mag wel en niet? (Bijv: "Je mag niet stelen").