🧬 OEFENTENTAMEN GENETICA & EVOLUTIE (30 vragen)
Tijd: 2,5 uur
Hulpmiddelen: rekenmachine
Puntentotaal: 60 punten
🔹 DEEL A – MULTIPLE CHOICE (10 vragen, 1 punt per vraag)
1. Welke uitspraak over retrotransposons is correct? B (maar
eigenlijk ook C werken via cut and paste)
A. Ze komen veel voor in bacteriën
B. Ze verplaatsen zich via een RNA-intermediair
C. Ze gebruiken alleen cut-and-paste
D. Ze laten geen target site duplicatie achter
2. dN/dS = 0,2 duidt op:
A. Positieve selectie
B. Neutrale evolutie
C. Zuiverende selectie
D. Balancerende selectie
3. Welke sequencingtechniek maakt géén gebruik van PCR-
amplificatie?
A. Sanger
B. Illumina
C. Nanopore
D. Exome sequencing
4. Welke mutatie leidt het vaakst tot een frameshift?
A. Synonieme substitutie
B. Nonsense mutatie
C. Insertie van 1 base
D. Conservatieve missense mutatie
5. Wat is een kenmerk van GWAS maar niet van QTL-analyse?
A. Gebruik van genetische markers
B. Analyse van kwantitatieve eigenschappen
C. Gebruik van grote, niet-verwante populaties
D. Correlatie tussen genotype en fenotype
, 6. Welke DNA-reparatie herstelt thymine-dimeren door directe
omzetting?
A. Nucleotide excision repair
B. Base excision repair
C. Mismatch repair
D. Direct repair (fotolyase)
7. Wat is een insertion sequence (IS-element)?
A. Een retrotransposon met LTR’s
B. Een klein DNA-transposon met alleen transposase
C. Een microsatelliet
D. Een exon-duplicatie
8. Wat gebeurt er bij non-disjunctie in meiose I?
A. Zusterchromatiden scheiden niet
B. Homologe chromosomen scheiden niet
C. Geen effect op gameten
D. Alleen structurele afwijkingen
9. Welke eigenschap verhoogt de kans op snelle genetische drift?
A. Grote populatie
B. Sterke selectie
C. Kleine populatie
D. Hoge mutatiesnelheid
10. Wat betekent linkage disequilibrium (D ≠ 0)?
A. Allelen assorteren onafhankelijk
B. Allelen liggen op verschillende chromosomen
C. Allelen komen vaker samen voor dan verwacht
D. Populatie is in Hardy-Weinberg evenwicht
🔹 DEEL B – WAAR / NIET WAAR (6 vragen, 1 punt per vraag)
11. De meeste gefixeerde mutaties in genomen zijn neutraal.
12. Broad-sense heritability meet alleen additieve genetische variantie.
13. Retrovirussen en retrotransposons gebruiken beide reverse
transcriptase.
Tijd: 2,5 uur
Hulpmiddelen: rekenmachine
Puntentotaal: 60 punten
🔹 DEEL A – MULTIPLE CHOICE (10 vragen, 1 punt per vraag)
1. Welke uitspraak over retrotransposons is correct? B (maar
eigenlijk ook C werken via cut and paste)
A. Ze komen veel voor in bacteriën
B. Ze verplaatsen zich via een RNA-intermediair
C. Ze gebruiken alleen cut-and-paste
D. Ze laten geen target site duplicatie achter
2. dN/dS = 0,2 duidt op:
A. Positieve selectie
B. Neutrale evolutie
C. Zuiverende selectie
D. Balancerende selectie
3. Welke sequencingtechniek maakt géén gebruik van PCR-
amplificatie?
A. Sanger
B. Illumina
C. Nanopore
D. Exome sequencing
4. Welke mutatie leidt het vaakst tot een frameshift?
A. Synonieme substitutie
B. Nonsense mutatie
C. Insertie van 1 base
D. Conservatieve missense mutatie
5. Wat is een kenmerk van GWAS maar niet van QTL-analyse?
A. Gebruik van genetische markers
B. Analyse van kwantitatieve eigenschappen
C. Gebruik van grote, niet-verwante populaties
D. Correlatie tussen genotype en fenotype
, 6. Welke DNA-reparatie herstelt thymine-dimeren door directe
omzetting?
A. Nucleotide excision repair
B. Base excision repair
C. Mismatch repair
D. Direct repair (fotolyase)
7. Wat is een insertion sequence (IS-element)?
A. Een retrotransposon met LTR’s
B. Een klein DNA-transposon met alleen transposase
C. Een microsatelliet
D. Een exon-duplicatie
8. Wat gebeurt er bij non-disjunctie in meiose I?
A. Zusterchromatiden scheiden niet
B. Homologe chromosomen scheiden niet
C. Geen effect op gameten
D. Alleen structurele afwijkingen
9. Welke eigenschap verhoogt de kans op snelle genetische drift?
A. Grote populatie
B. Sterke selectie
C. Kleine populatie
D. Hoge mutatiesnelheid
10. Wat betekent linkage disequilibrium (D ≠ 0)?
A. Allelen assorteren onafhankelijk
B. Allelen liggen op verschillende chromosomen
C. Allelen komen vaker samen voor dan verwacht
D. Populatie is in Hardy-Weinberg evenwicht
🔹 DEEL B – WAAR / NIET WAAR (6 vragen, 1 punt per vraag)
11. De meeste gefixeerde mutaties in genomen zijn neutraal.
12. Broad-sense heritability meet alleen additieve genetische variantie.
13. Retrovirussen en retrotransposons gebruiken beide reverse
transcriptase.