• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 104 pagina's
College aantekeningen

Uitgebreide college aantekeningen Hersenen en gedrag (AY)

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 104 pagina's

Uitgebreide aantekeningen Hersenen en gedrag

Voorbeeld van de inhoud

 Hoorcollege 1
Functies van het brein:
- Waarnemen - informatie uit de omgeving opnemen via zintuigen.
- Communicatie/taal - informatie verwerken en overbrengen.
- Reageren op omgeving - acties uitvoeren gebaseerd op waarneming.
Reden van deze functies:
- Zo kunnen we interacteren met de omgeving.
- Het ondersteunt onze motoriek (beweging en handelingen).

Communicatie
- Van de mens met zijn omgeving
 Input  verwerking  output
Bijv: Zintuigen  Brein  Motoriek
- Van hersencellen met elkaar - Hersencellen (neuronen) communiceren voortdurend
met elkaar via signalen
- Van hersenen met lichaam - Signalen van hersenen naar spieren en organen voor
acties.

Hersenen zijn opgebouwd uit een centraal zenuwstelsel. Iedere keer wanneer ‘brein’ wordt
gezegd betekent dit het centrale hersenstelsel = brein + ruggenmerg, dit is een tentamenvraag!
Je hebt ook nog het perifere zenuwstelsel, geeft signalen door van ruggenmerg naar spieren.
Hier gaan we het bijna niet over hebben deze cursus.

Bouwstenen van de hersenen
Hersenen bestaan uit twee soorten hersencellen, die beide lichaamscellen
zijn:
1. Neuronen (zenuwcellen)
 Functie: informatie ontvangen, verwerken en doorgeven
 Zijn de “communicatiecellen” van het brein
2. Gliacellen (steuncellen)
o Functie: ondersteunen en beschermen neuronen
o Zorgen voor structuur, voeding en isolatie van neuronen
Een cel is een afgeronde eenheid met een celmembraan eromheen, een
soort “huidje” dat de inhoud beschermt. Pas rond 1900 werd ontdekt dat
hersenen uit cellen bestaan.

Neuron
Een neuron is een speciale cel die informatie kan ontvangen, verwerken
en doorgeven. Net als andere lichaamscellen heeft een neuron
basiscelonderdelen, elk met een specifieke functie:
1. Celmembraan

Een dun “huidje” rondom de cel
o
Bevat kanalen/poriën om stoffen in en uit de cel te laten
o
2. Celkern
o Bevat genetisch materiaal
(DNA)
o Geeft de instructies voor hoe
het lichaam is opgebouwd en
functioneert

, 3. Mitochondriën
o Zorgen voor energievoorziening van de cel
o Zetten voedingsstoffen om in energie
4. Ribosomen
o Produceren eiwitten die nodig zijn voor celstructuur en functie
Een neuron is gewoon een lichaamscel met alle kenmerken van een
lichaamscel. Maar een neuron is ook speciaal. Dat is omdat een neuron
speciaal uitgerust is om te kunnen communiceren, het is een
informatieverwerker. Daarmee onderscheidt hij zich van andere
lichaamscellen.

Hoe informatie door een neuron gaat
1. Informatie binnenkomen via dendrieten (input)
o Dendrieten werken als antennes die signalen van andere
neuronen opvangen.
o Een neuron heeft veel dendrieten.
2. Verwerking in het cellichaam (soma) (putput)
o Soma verzamelt en interpreteert alle informatie van de
dendrieten.
3. Doorgeven via het axon (troughput)
o Axon vervoert de informatie verder als zenuwimpuls.
o Een neuron heeft één axon, dat soms zeer lang kan zijn (bijv.
van hersenen tot staartbeentje).
4. Overdracht naar de volgende cel via presynaptische terminals (output)
o Axon eindigt in eindknopjes (presynaptische terminals).
o Deze geven de informatie door aan de dendrieten van de
volgende neuron.
Dendriet → Soma → Axon → Presynaptische terminal → Volgende cel
Input → Putput → Troughput → Output

Gliacellen
Gliacellen ondersteunen neuronen en zijn essentieel voor een goed
functionerend brein.
- Ondersteunen neuronen
 Letterlijk door structuur te geven aan de “puddingachtige”
massa van neuronen.
- Groot aandeel in het brein
 Ze vormen ongeveer de helft van het hersenvolume.
- Beïnvloeden communicatie
 Helpen bij informatieverwerking en efficiënte
signaaloverdracht.
- Voeding en afval
 Voeren voedingsstoffen aan en verwijderen afvalstoffen van
neuronen.
- Productie van hersenvloeistof
Belangrijk voor bescherming en transport van stoffen in het brein.
- Productie van myeline
 Myeline ligt om axonen heen en zorgt dat zenuwimpulsen niet
“weglekken”, waardoor signalen sneller en efficiënter gaan.

, - Afweerfunctie
 Microglia beschermen het brein tegen virussen en schimmels.
- Rol bij ontwikkeling
 Gliacellen helpen bij de groei en rijping van het zenuwstelsel.
Informatieverwerking in het zenuwstelsel
Informatie stroomt op verschillende manieren:
1. Van de zintuigen naar het centraal zenuwstelsel (CZS)
o Sensorische input uit de omgeving → hersenen/ruggenmerg
2. Binnen het CZS
o Informatie wordt van de ene naar de andere plek in het brein
of ruggenmerg gestuurd
3. Van het CZS naar spieren (of organen)
o Motorische output → acties of reacties in het lichaam

Belangrijke begrippen
- Afferente neuron: Voert informatie aan het CZS
 Van zintuigen naar hersenen
- Efferente neuron: Voert informatie af van het CZS
 Van hersenen naar spieren
- Intrinsieke neuron: Verwerkt informatie binnen dezelfde structuur
 Dendrieten en axon liggen in dezelfde plek
We gaan nu de weg van visueel naar hersenen naar motorische respons doorlopen.

Sensorische neuron:
Afferent (ten opzichte van het centrale neuronen stelsel).




Motorische neuron:
Efferent (t.o.v. CNS)

, Hier zie je de communicatie met
de omgeving zeer simpel
weergegeven met efferente en
afferente doorgave

Nu komt er nog wat over de bloed-
hersenbarrière.




Hersenen worden beschermd
- Bot
- Vloeistoflaagje
- Bloedhersenbarrière
 Voedingsstoffen toelaten
 Schadelijke stoffen niet

Hersencellen
- Hersencellen (neuronen en gliacellen) zijn niet vervangbaar; de cellen waar je mee
geboren bent, moet je dus je hele leven gebruiken.
- In tegenstelling tot andere lichaamscellen, die zich kunnen herstellen en vervangen,
blijven hersencellen permanent.

Bescherming van de hersenen: de bloed-hersenbarrière (BHB)
Functie
- Voorkomt dat schadelijke stoffen uit het bloed de hersenen bereiken.
- Laat voedingsstoffen en noodzakelijke stoffen wél door.
- Werkt als een soort filter van de bloedvaten in de hersenen.
Wat er wél doorheen kan
- Kleine moleculen
- Vetoplosbare stoffen
- Ongeladen stoffen zoals zuurstof (O₂) en koolstofdioxide (CO₂)
- Sommige vitaminen
Speciale transportmechanismen
Er zijn ook speciale kanaaltjes gemaakt waar water doorheen kan.
Ook zijn er nog oplossingen gevonden voor een aantal andere stoffen die ook heel belangrijk
zijn:
Actief transport
- Glucose (groot molecuul). Dit gaat door middel van actief transport (stel je voor: een
pomp). Om glucose de hersenen in te krijgen heb je energie nodig. Er wordt dus
energie verbrand om glucose tegen de bloed-hersenbarrière ingepompt te worden.
- Aminozuren
- Sommige vitaminen
- IJzer
Wat er níet doorheen kan
- Schadelijke stoffen zoals virussen en bacteriën
- Sommige medicijnen (probleem voor behandeling van hersenziekten)

Inhoudsopgave

  1. 01 Hoe informatie door een neuron gaat 2
  2. 02 Informatieverwerking in het zenuwstelsel 3
  3. 03 Informatie stroomt op verschillende manieren: 3
  4. 04 Belangrijke begrippen 3
  5. 05 Afferente neuron: Voert informatie aan het CZS 3
  6. 06 Van zintuigen naar hersenen 3
  7. 07 Efferente neuron: Voert informatie af van het CZS 3
  8. 08 Van hersenen naar spieren 3
  9. 09 Intrinsieke neuron: Verwerkt informatie binnen dezelfde structuur 3
  10. 10 Dendrieten en axon liggen in dezelfde plek 3
  11. 11 We gaan nu de weg van visueel naar hersenen naar motorische respons doorlopen. 3
  12. 12 Sensorische neuron: 3
  13. 13 Afferent (ten opzichte van het centrale neuronen stelsel). 3
  14. 14 Bescherming van de hersenen: de bloed-hersenbarrière (BHB) 4
  15. 15 Functie 4
  16. 16 Voorkomt dat schadelijke stoffen uit het bloed de hersenen bereiken. 4
  17. 17 Laat voedingsstoffen en noodzakelijke stoffen wél door. 4
  18. 18 Werkt als een soort filter van de bloedvaten in de hersenen. 4
    1. Wat er wél doorheen kan 4
    2. Kleine moleculen 4
    3. Vetoplosbare stoffen 4
    4. Ongeladen stoffen zoals zuurstof (O₂) en koolstofdioxide (CO₂) 4
    5. Sommige vitaminen 4
    6. Speciale transportmechanismen 4
    7. Wat er níet doorheen kan 4
    8. Problemen met de bloed-hersenbarrière 5
  19. 19 Actiepotentiaal 6
  20. 20 Een actiepotentiaal is een elektrisch signaal dat door het axon van een neuron loopt om informatie door te geven. 6
    1. Stap voor stap: 6
    2. Belangrijk: 6
  21. 21 Myeline en impulsgeleiding 7
    1. ALS (Amyotrofische Laterale Sclerose) 7
    2. Bij ALS verdwijnt of beschadigt de myeline. 7
    3. Daardoor: 7
    4. Wordt de informatieoverdracht trager of verstoord. 7
    5. Natriumpoortjes verdwijnen → geen goede prikkelgeleiding meer. 7
  22. 22 Functie van het rustpotentiaal 7
    1. Het mechanisme van gewenning (tolerantie) bij drugs of medicijnen speelt zich ook op celniveau af: Bijvoorbeeld door minder receptoren of snellere afbraak/heropname → hetzelfde middel geeft minder effect. 9
    2. Dus: 9
    3. Chemische prikkels – stappen 9
    4. 1. Aanmaak en afgifte 9
  23. 23 Wat motiveert ons gedrag? 11
  24. 24 We doen dingen omdat ze belonend voelen 11
  25. 25 Beloningen zorgen ervoor dat we gedrag willen herhalen. 11
    1. Natuurlijke beloningen 11
    2. Eten 11
    3. Intimiteit / seks 11
    4. Sociaal contact ? 11
    5. Beweging of succeservaringen 11
  26. 26 Het beloningssysteem 11
  27. 27 Verslavende stoffen 11
  28. 28 Stoffen zoals nicotine, alcohol, cocaïne, heroïne maar ook gamen of sociale media → zorgen voor extra veel dopamine in de nucleus accumbens. 11
  29. 29 Amfetamine en cocaïne 13
  30. 30 Effecten 13
    1. Hoe werken ze in de hersenen? 13
  31. 31 Beïnvloedt dopamine → verhoogt afgifte in het beloningssysteem 14
    1. Samengevat 14
  32. 32 Alcoholisme – types 16
  33. 33 Late onset (>25 jaar) 16
  34. 34 Vaak geen familiegeschiedenis van alcoholisme 16
  35. 35 Meer beïnvloed door omgeving / sociale factoren 16
  36. 36 Reageert beter op behandeling 16
  37. 37 Vroege onset (<25 jaar) 16
  38. 38 Vaak mannen 16
  39. 39 Familiegeschiedenis van alcoholisme aanwezig → genetische aanleg 16
  40. 40 Minder gevoelig voor de effecten van alcohol op gedrag 16
  41. 41 Meer stressreductie ervaren door alcohol → motivatie om te blijven drinken 16
  42. 42 Verlengstuk van het ruggenmerg 17
  43. 43 Regelt vitale functies: hartslag, ademhaling 17
  44. 44 Uitval = hersendood 17
  45. 45 Voorbeeld: heroïne kan deze functies platleggen 17
  46. 46 Limbisch systeem 17
  47. 47 Buitenste, gerimpelde laag van de hersenen 17
  48. 48 Functie: controle, evaluatie en planning 17
  49. 49 Meer vouwen → meer oppervlakte → meer capaciteit voor informatie en complexe functies 17
  50. 50 Kort gezegd: 17
  51. 51 Hersenstam = vitale functies, Limbisch systeem = emoties en motivatie, Neo-cortex = hogere controle en planning 17
  52. 52 Overzicht: Het Zenuwstelsel 17
  53. 53 Nervous System (Zenuwstelsel) 17
  54. 54 → Het hele systeem dat signalen in je lichaam verwerkt en doorgeeft. Bestaat uit twee grote delen: 17
    1. Central Nervous System (CNS) = Centraal Zenuwstelsel 17
    2. Bestaat uit: Hersenen & ruggenmerg 17
    3. Peripheral Nervous System (PNS) = Perifeer Zenuwstelsel 18
    4. Bestaat uit: Alle zenuwen buiten hersenen en ruggenmerg 18
    5. Functie: Verbindt het CZS met de rest van het lichaam (spieren, huid, organen). Wordt opgedeeld in twee systemen: 18
  55. 55 1. Somatic Nervous System (somatisch zenuwstelsel) 18
    1. a. Sympathetic Nervous System 18
    2. = Actie / stress-systeem ("fight or flight") 18
  56. 56 Hersenvliezen (meningen) – bescherming van het brein 21
    1. De drie hersenvliezen 21
    2. Belangrijk om te weten 21
  57. 57 Ventrikels en hersenvloeistof (liquor cerebrospinalis) 21
    1. Efferente zenuwen (motorisch / vanuit de hersenen) 24
  58. 58 Indelingen van de hersenen 24
  59. 59 Achterhersenen 24
    1. Middenhersenen 24
    2. Voorhersenen 25
    3. Andere manieren om hersenen in te delen 25
  60. 60 Corticale structuren – De Cortex 26
  61. 61 De cortex (ook wel hersenschors) is het buitenste laagje van de hersenen. Het is geplooid (met veel gyri en sulci) zodat er meer oppervlak is voor informatieverwerking. De cortex is verantwoordelijk voor bijna alle bewuste functies: denken, waarnemen, bewegen, plannen, taal, emoties en beslissingen. 26
    1. Occipitale kwab – Zien (input) 26
    2. Pariëtale kwab – Tast & ruimtelijk inzicht (input) 26
    3. Frontale kwab – Motoriek, taalproductie & executieve functies (output) 26
  62. 62 Zintuigen – hoe we de wereld waarnemen 27
  63. 63 Onze zintuigen zorgen ervoor dat we informatie uit de wereld en uit ons lichaam kunnen opvangen. Er zijn twee soorten zintuigen: 27
    1. 1. Sensorische processen – detectie 28
    2. 2. Perceptieve processen – interpretatie 28
  64. 64 Bottom-up vs. Top-down verwerking 28
  65. 65 Hoe prikkels van de buitenwereld naar de hersenen gaan 29
  66. 66 Onze zintuigen vangen prikkels op uit de omgeving — bijvoorbeeld licht, geluid of aanraking. Maar: je hersenen kunnen natuurkundige prikkels niet direct begrijpen. Ze moeten eerst worden omgezet in elektrische signalen die door de zenuwen kunnen reizen. Dat proces heet transductie. 29
    1. Waar vindt transductie plaats? 29
    2. Transductie gebeurt in receptoren, dat zijn gespecialiseerde zintuigcellen die prikkels kunnen omzetten. Voorbeelden van zulke receptoren: 29
    3. Voorbeeld: je ziet een gezicht van iemand op straat 33
    4. Receptief veld? 33
    5. Een receptief veld is het deel van de zintuiglijke wereld (bijv. van je netvlies) waarop één bepaald neuron reageert. Dus: elk neuron “ziet” of “hoort” maar een klein stukje van de wereld. 33
    6. Klein receptief veld 33
  67. 67 Motoriek – van plan naar beweging 35
  68. 68 Motoriek gaat over hoe je hersenen je spieren aansturen om te bewegen. In tegenstelling tot de zintuigen (die informatie ontvangen), gaat motoriek over output — het uitvoeren van bewegingen. 35
    1. Premotorische cortex 35
  69. 69 Twee motorische systemen 36
  70. 70 Hersenbeschadiging 37
    1. Motiverende functie 38
    2. Emoties zorgen dat je iets wilt doen: 38
    3. Interoceptief, je lichaam vertelt iets 40
    4. Je hersenen merken dingen op zoals: 40
    5. Je hart klopt sneller 40
    6. Je hebt honger 40
    7. Je rilt 40
    8. Deze signalen reizen via het ANS (autonome zenuwstelsel) ANS = Autonoom Zenuwstelsel 40
    9. Stuurt automatische processen aan 40
    10. Regelt: spijsvertering, hartslag, ademhaling, kippenvel 40
    11. Je hebt hier geen bewuste controle over 40
    12. Exteroceptief, je omgeving vertelt iets 40
    13. Cognitie Je gedachten vertellen iets 40
    14. Bijv.: 40
    15. Je lichaam (autonoom zenuwstelsel) 41
    16. Hormonen gaan omhoog 41
    17. Hartslag stijgt 41
    18. Pupillen vergroten 41
    19. Je gedrag (somatisch zenuwstelsel) 41
    20. Je gezicht verandert (lachen, angstig kijken) 41
    21. Je beweegt (vluchten, aanvallen, iets pakken) 41
    22. Dit is deels automatisch, deels bewust. 41
    23. Je gedachten 41
    24. Emoties beïnvloeden: 41
    25. Je geheugen 41
    26. Je aandacht 41
    27. Je beslissingen 41
    28. Bijv. als je bang bent → kijk je alleen nog naar gevaar. 41
  71. 71 Amygdala – overzicht 41
  72. 72 De amygdala is een belangrijk emotiegebied, vooral betrokken bij angst, dreiging en snelle emotionele reacties. Ze ligt subcorticaal, aan het uiteinde van de hippocampus, en heeft de vorm van een amandel. 41
  73. 73 Twee routes naar de amygdala 42
  74. 74 De amygdala krijgt visuele (en auditieve) informatie via twee wegen: 42
    1. Zonder cortex: 43
    2. Heb je wél emoties, maar ruw en ongeremd 43
    3. Geen goede interpretatie 43
    4. Niet passend bij de situatie 43
  75. 75 Amygdala – Output (wat doet de amygdala met de informatie?) 43
  76. 76 De amygdala ontvangt input uit allerlei systemen (zintuigen, geheugen, cortex…) en stuurt daarna output naar verschillende hersengebieden om jouw lichaam, gedrag en gedachten aan te passen. Hier is wat elk van die output’s precies doet: 43
    1. Prefrontale cortex (PFC) → gedachten en gedrag reguleren 43
    2. De amygdala stuurt een signaal naar de PFC: 43
    3. PFC gaat nadenken: “Waar ben ik? Is dit gevaar? Wat moet ik doen?” 43
    4. PFC kan de amygdala remmen: “Rustig, het is geen gevaar.” 43
    5. Dit is waarom je jezelf kunt kalmeren door na te denken. 43
    6. Voorbeeld: Je schrikt van een schaduw → amygdala Je kijkt beter → cortex zegt: “Oh, het is een kat” → amygdala wordt geremd → je ontspant. 43
    7. Limbisch Systeem – Belangrijke Structuren 44
    8. 1. Amygdala (al gehad) 44
    9. Functie: Verwerking van emoties, vooral angst; detectie van bedreigingen; rol bij aangeleerde angst; beïnvloedt emotionele beslissingen. 44
    10. Beschadiging: Emotionele afvlakking; moeilijkheden bij het leren van angstreacties; verminderd vermogen om gevaar in te schatten. 44
    11. Functie: Verwerkt gevoelens van walging en afschuw; betrokken bij zelfbewustzijn en emotionele ervaringen. 44
    12. 2. Insula 44
    13. Functie: Verwerkt gevoelens van walging en afschuw; betrokken bij zelfbewustzijn en emotionele ervaringen. 44
    14. 3. Cingulate gyrus 44
    15. Episodisch geheugen 45
    16. Persoonlijke gebeurtenissen / ervaringen 45
    17. Voorbeelden: Je verjaardag van vorig jaar, De eerste schooldag 45
  77. 77 Impliciet (onbewust) geheugen 45
    1. Procedureel geheugen 45
  78. 78 Geheugen: 4 basisstappen 45
  79. 79 Alle vormen van leren en onthouden volgen deze vier stappen: 45
    1. 1. Encoding (coderen) 45
    2. Dit is de eerste stap: de informatie moet worden omgezet in een neurale code. 45
    3. Wat gebeurt er? 45
    4. Je brein zet wat je ziet, hoort of denkt om in een patroon van activiteit. 45
    5. Je kiest onbewust wat je aandacht geeft → alleen dat wordt gecodeerd. 45
    6. Hoe meer aandacht of betekenis, hoe sterker de code. 45
    7. Voorbeeld: Je leest een definitie en denkt: "Oh dit lijkt op iets dat ik eerder heb geleerd." 45
    8. 2. Consolidatie 45
    9. Dit is het proces waarbij de informatie wordt vastgezet in het brein. 45
    10. Wat gebeurt er? 45
    11. Synapsen veranderen door synaptische plasticiteit. 45
    12. Vaak ontstaan er meer dendritische uitlopers (nieuwe verbindingen). 45
    13. De verbindingen worden sterker of sneller. 45
    14. Vooral tijdens slaap gebeurt veel consolidatie. 45
    15. Voorbeeld: Na een dag studeren onthoud je het morgen beter door consolidatie tijdens de slaap. 45
  80. 80 Geheugenverlies 46
    1. Anterograde geheugenverlies 46
  81. 81 *Lateralisatie 50
  82. 82 Lateralisatie verwijst naar het verschijnsel dat de twee hersenhelften (hemisferen) specialiseren in verschillende functies. Hoewel de hersenhelften qua structuur sterk op elkaar lijken, zijn ze functioneel niet symmetrisch. Deze asymmetrie blijkt in de evolutie nuttig te zijn geweest. 50
    1. Functies per hemisfeer 51
    2. Hoewel beide hersenhelften met elkaar samenwerken, zijn bepaalde functies duidelijk sterker vertegenwoordigd in één kant. 51

Documentinformatie

Geüpload op
9 december 2025
Aantal pagina's
104
Geschreven in
2025/2026
Type
College aantekeningen
Docent(en)
X
Bevat
Alle colleges
€6,99

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Verkocht
0
Volgers
0
Items
3
Laatst verkocht
-

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen