21 juli 2025
Samenvatting Personen- en familierecht
Leereenheid 1 - De plaats van het personen- en familierecht en de invloed van verdragen
Hoofdstuk 1 - Algemene inleiding
Het personen- en familierecht bestaat uit regels die betrekking hebben op de status van natuurlijke
personen, zoals hun rechtsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid. Het merendeel van de regels over het
personen- en familierecht staat in Boek 1 BW, ingevoerd in 1970. Sinds 1992, toen Boeken 3, 5 en 6 BW
werden ingevoerd, is sprake van een toenemende integratie van het personen- en familierecht in het
algemene vermogensrecht, vooral door schakelbepalingen (art. 3:15, 59, 78, 326 en 6:216 BW). Het
personen- en familierecht omvat tevens het huwelijksvermogensrecht (bv. art. 1:80b BW zegt dat het
huwelijksvermogensrecht in beginsel ook het vermogensrecht is ter zake van geregistreerd partnerschap
m.u.v. scheiding van tafel en bed). Het erfrecht, dat de vermogensrechtelijke gevolgen van de overgang
van het vermogen van de er ater op één of meer erfgenamen regelt, staat in Boek 4 BW. Het huwelijks-
en partnerschapsvermogensrecht en het erfrecht noemt men samen het familievermogensrecht.
Schematisch bevat het familierecht de volgende onderdelen:
- Personen- en familierecht (Boek 1 BW zonder titels 1.6, 1.7 en 1.8);
- Relatievermogensrecht, bestaande uit a) huwelijksvermogensrecht (titel 1.6, 1.7 en 1.8 BW), b)
partnerschapsvermogensrecht (art. 1:80b) en c) samenlevingsvermogensrecht (algemeen vermogensrecht
Boek 3, 5 en 6 BW);
- Erfrecht (Boek 4 BW)
Het EVRM is het belangrijkste verdrag voor het Nederlandse personen- en familierecht geworden, vooral
sinds het arrest Marckx/België. Hierin bepaalde het EHRM dat het onderscheid tussen wettige en
natuurlijke kinderen en dat tussen gehuwde en ongehuwde moeders in het Belgische recht discriminatoir
zijn. Het ging dan om art. 8 EVRM (recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven) en art.
14 EVRM (verbod op discriminatie). Omdat het EVRM direct werkende bepalingen heeft, is deze
uitspraak ook voor Nederland van groot belang (art. 94 Gw). Ook is art. 12 EVRM van belang, volgens
welk artikel mannen en vrouwen van huwbare leeftijd het recht hebben te huwen en een gezin te stichten
volgens de nationale wetten die de uitoefening van dit recht beheersen. Het gezin is elk leefverband van
één of meer volwassenen die verantwoordelijkheid dragen voor de verzorging en opvoeding van één of
meer kinderen. Nederland heeft het onderscheid tussen wettige en natuurlijke kinderen opgeheven, het
afstammingsrecht volgde niet veel later. Maar, er moet nog steeds onderscheid worden gemaakt tussen
erkende en niet-erkende kinderen, omdat het bestaan van een familierechtelijke betrekking voor diverse
onderdelen van het personen- en familierecht van belang blijft (bv. gezag minderjarige kinderen,
alimentatierecht). De werking van het EVRM heeft een positief en negatief effect. Positief is dat, wanneer
de Nederlandse wetgeving door maatschappelijke ontwikkelingen is achterhaald of hiaten vertoont, de
HR/EHRM in het concrete geval tot een oplossing kan komen door toepassing van art. 8 (i.v.m. art. 14
1
,EVRM). Negatief is dat juist door de abstractie van begrippen (familie- en gezinsleven, privéleven) al snel
sprake is van rechtsonzekerheid: de ene keer wordt het nationale recht opzij gezet, de andere keer wordt
het nationale recht toegepast door een beroep ook art. 8 lid 2 EVRM (uitzonderingsbepaling). Ook de
protocollen bij het EVRM en het Handvest van de grondrechten EU zijn van belang. Ook het IVBRP is
voor het personen- en familierecht van belang. Artikelen 2, 17, 23, 24 en 26 IVBPR komen grotendeels
overeen met art. 8, 12 en 14 EVRM. Het IVBPR heeft een aantal direct werkende bepalingen. Voor het
familie(vermogens)recht zijn daarnaast de in titel 10.1 BW opgenomen algemene bepalingen van
internationaal privaatrecht van belang. Daarnaast zijn in het algemeen van belang voor het personen- en
familierecht inclusief het huwelijks- en partnerschapsvermogensrecht de titels 10.2-10.7 en voor het
erfrecht titel 10.12 BW. Het VN-Vrouwenverdrag wordt voor het familierecht steeds belangrijker. Ook het
Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) is van cruciale betekenis voor het Nederlandse
personen- en familierecht. Dit verdrag legt een sterke nadruk op het belang van het kind, dat voorop dient
te staan in alle beslissingen die kinderen betreffen (art. 3 IVRK). De werking van het IVRK heeft geleid
tot belangrijke aanpassingen in het Nederlandse recht, zoals de versterkte rechten van kinderen in
adoptie- en voogdijprocedures, het gezagsrecht en het omgangsrecht. Het IVRK introduceert ook het
recht van het kind om gehoord te worden in procedures die hem of haar aangaan (art. 12 IVRK), wat een
grote impact heeft gehad op de manier waarop familierechtelijke zaken worden behandeld. Bovendien
heeft het IVRK invloed gehad op het Nederlandse jeugdbeschermingsrecht, waarbij kinderen een speciale
positie innemen en beschermd worden tegen geweld, misbruik en verwaarlozing (art. 19 en 20 IVRK).
Het grootste gedeelte van het personen- en familierecht is neergelegd in Boek 1 BW. Ook zijn bijzondere
wetten van belang: Pleegkinderenwet (oud), Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie, Jeugdwet,
Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, Wet zorg en dwang, Wet verplichte geestelijke
gezondheidszorg, Wet donorgegevens kunstmatige bevruchting en Embryowet.
Het familieprocesrecht is neergelegd in het Rv, Boek III, titel 6 (art. 798-828 Rv). Ook zijn in het bijzonder
van belang Boek I, titel 3 over de verzoekschriftprocedure in eerste aanleg (art. 261-291 Rv), Boek I, titel
7, afdeling 4 over hoger beroep tegen beschikkingen (art. 358-362 Rv) en Boek I, titel 11, afdeling 5 over
beroep in cassatie in verzoekschriftprocedures (art. 426-429 Rv). Deze algemene regels zijn van toepassing,
tenzij daarvan in het familieprocesrecht wordt afgeweken.
Hoofdstuk 2 - Algemene bepalingen
Art. 1:1 lid 1 BW bepaalt dat allen die zich in Nederland bevinden, vrij zijn en bevoegd zijn tot het genot
van burgerlijke rechten. Dit betekent dat iedereen in Nederland rechtsbevoegd is, dus bevoegd is om
rechtssubject - subject van rechten en verplichtingen - te zijn. Rechtsbevoegdheid is niet hetzelfde als
handelingsbevoegdheid en handelingsbekwaamheid. Art. 1:1 lid 2 BW bevat het verbod van slavernij:
persoonlijke dienstbaarheden, van welke aard of onder welke benaming ook, worden niet geduld. Blijkens
art. 1:2 BW wordt het kind van wie een vrouw zwanger is, als reeds geboren aangemerkt, zo dikwijls zijn
belang dit vordert. Komt het dood ter wereld, dan wordt het geacht nooit te hebben bestaan. Dit is van
belang voor het erfrecht. Dus: rechtssubjectiviteit vangt aan bij de geboorte. De ctie in artikel 1:2 BW
breidt de rechtssubjectiviteit niet uit tot vóór de geboorte, maar beoogt de belangen van een eenmaal
2
,geboren persoon (met terugwerkende kracht) te behartigen ten aanzien van feiten die zich tijdens de
zwangerschap hebben voorgedaan (denk aan erfrechtelijke consequenties). Zo kan op grond van artikel
1:2 BW een kind reeds voor de geboorte worden erkend, wat leidt tot juridisch vaderschap na geboorte.
Art. 1:3 BW noemt het bloed- en aanverwantschap. Dit is op tal van gebieden van belang: niet
huwen nauw bloedverwanten (art. 1:41 BW), geen geregistreerd partnerschap nauw bloedverwanten (art.
1:80a lid 5 BW), alimentatieverplichting (art. 1:392 e.v. BW), geen verzoek tot curatele,
onderbewindstelling of mentorschap door o.a. bloedverwanten (art. 1:379 lid 1, 432 lid 1, 451 lid 1 BW),
erfrecht (art. 4:8, 10, 53 BW), schadevergoedingsrecht (art. 6:106 aanhef en onder c, 108 lid 1 aanhef en
onder b BW), verschoningsrecht (art. 165, 177 Rv, art. 217, 219, 290 lid 5 Sv) en notariële akte (art. 19 lid
1, 39 lid 4 aanhef en onder a Wet op het Notarisambt). Met de term familierechtelijke betrekking geeft de
wetgever aan dat in juridische zin sprake is van bloedverwantschap: een kind, zijn ouders en hun
bloedverwanten staan in familierechtelijke betrekking tot elkaar (art. 1:197 BW). Juridische
bloedverwantschap zal vaak samenvallen met biologische bloedverwantschap, maar dat hoeft niet (adoptie
art. 1:229 lid 1 BW). De graad van bloedverwantschap wordt bepaald door het getal der geboorten die de
bloedverwantschap hebben veroorzaakt. Hierbij telt een erkenning, een gerechtelijke vaststelling van het
ouderschap of een adoptie als een geboorte (art. 1:3 lid 1 i.v.m. art. 1:203-206, 207-208 en 227-232 BW).
Bloedverwanten in de rechte opgaande lijn worden ascedenten genoemd en bloedverwanten in de rechte
nederdalende lijn, afstammelingen dus, worden descendenten genoemd. Bloedverwanten in de zijlijn
worden zijverwanten genoemd.
Aanverwantschap ontstaat door huwelijk of
geregistreerd partnerschap. Art. 1:3 lid 2 BW bepaalt dat
door huwelijk of geregistreerd partnerschap tussen de ene
echtgenoot dan wel de ene geregistreerde partner en een
bloedverwant van de andere echtgenoot dan wel de
andere geregistreerde partner aanverwantschap ontstaat in
dezelfde graad als er bloedverwantschap is tussen de
andere echtgenoot dan wel de andere geregistreerde
partner en diens bloedverwant (bv. zwagers en
schoonzussen zijn dus aanverwanten in tweede graad in de
zijlijn, schoonouders zijn diens aanverwanten in eerste
graad in de rechte lijn). Door het eindigen van het
huwelijk of geregistreerd partnerschap wordt de
aanverwantschap niet opgeheven (art. 1:3 lid 3 BW).
Leereenheid 2 - Het recht op naam en woonplaats
Hoofdstuk 3 - Het recht op de naam
Het recht op naam is een persoonlijkheidsrecht. In 1998 is het naamrecht ingrijpend gewijzigd: het gaat
om art. 1:5 en 1:9 BW, die de geslachtsnaam van het kind en de echtgenoot of geregistreerde partner
regelen. Er was nog geen sprake van gelijke behandeling van man en vrouw en van kinderen buiten het
3
, huwelijk geboren, ook was de Nederlandse wetgeving m.b.t. de geslachtsnaam van het kind in strijd met
art. 26 IVBPR omdat iedere mogelijkheid van keuze door de ouders van de achternaam van het kind
ontbrak. In het naamrecht moet onderscheid worden gemaakt tussen de voornamen en geslachtsnaam.
De geslachtsnaam wordt onderscheiden tussen de geslachtsnaam van het kind en die van de echtgenoot/
geregistreerd partner.
Eenieder heeft de voornamen (of voornaam) die hem in zijn geboorteakte zijn gegeven (art. 1:4 lid 1
BW). Er is sprake van een grote vrijheid, er zijn twee beperkingen: de ambtenaar van de burgerlijke stand
weigert in de geboorteakte voornamen op te nemen die ongepast zijn of overeenstemmen met bestaande
geslachtsnamen, tenzij deze tevens gebruikelijke voornamen zijn (art. 1:4 lid 2 BW). Geeft de aangever
geen voornamen op of worden ze geweigerd zonder dat de aangever ze vervangt, dan geeft de ambtenaar
ambtshalve het kind een of meer voornamen en vermeldt hij dit uitdrukkelijk in de akte (art. 1:4 lid 3
BW). Wijziging van de voornamen kan op verzoek van de betrokken persoon of zijn wettelijk
vertegenwoordiger worden gelast door de rechtbank. De wijziging geschiedt doordat van de beschikking
een latere vermelding aan de akte van geboorte wordt toegevoegd conform art. 1:20a lid 1 (art. 1:4 lid 4
BW).
In het oude naamrecht was de geslachtsnaam van een wettig, gewettigd of geadopteerd kind die van
zijn vader. Die van een onwettig kind was die van zijn vader, wanneer deze het kind had erkend en anders
die van de moeder. In Beukema/Van Veen oordeelde de HR dat de wetgeving m.b.t. de geslachtsnaam in
strijd is met art. 26 IVBPR en liet het aan de wetgever tot een oplossing te komen. Uitgangspunten van de
herziening van het naamrecht zijn: a) gelijke behandeling van man en vrouw en van kinderen staande en
buiten het huwelijk geboren, b) (meer) keuzevrijheid in het naamrecht, c) het rekening houden met de
eenheid van het gezin (als het tot uitdrukking komt in de naam) en d) het rekening houden met de
belangen van het maatschappelijk verkeer en die van een goed functionerende overheidsadministratie.
Als een man en vrouw niet met elkaar zijn gehuwd of geregistreerd en uit de relatie wordt een kind
geboren, dan komt het kind alleen in familierechtelijke betrekking tot de moeder te staan en heeft het haar
geslachtsnaam als de man het kind niet erkent (art. 1:5 lid 1 eerste volzin). Als het kind door erkenning in
familierechtelijke betrekking tot de vader komt te staan, houdt het kind de geslachtsnaam van moeder
tenzij de moeder en de erkenner ter gelegenheid van de erkenning gezamenlijk verklaren dat het kind de
naam van de vader zal hebben of van beide ouders. Hiervan wordt melding gemaakt in de akte van
erkenning (art. 1:5 lid 2 eerste en tweede volzin). Dit geldt ook bij erkenning van een ongeboren kind (art.
1:5 lid 2 derde volzin). De ouders kunnen ter gelegenheid van hun huwelijk of registratie van hun
partnerschap alsnog gezamenlijk verklaren dat hun kind voortaan de geslachtsnaam van de andere ouder
zal hebben of van beide ouders, hiervan wordt een akte van naamskeuze opgemaakt (art. 1:5 lid 2 vierde
en vijfde volzin). In geval van gerechtelijke vaststelling van het ouderschap geldt een soortgelijke regeling
als voor erkenning (art. 1:207 BW). Als een kind door adoptie alleen in familierechtelijke betrekking tot de
vader staat, heeft het zijn geslachtsnaam (art. 1:5 lid 1 tweede volzin). Staat het kind door adoptie in
familierechtelijke betrekking tot beide adoptanten van verschillend geslacht die met elkaar zijn gehuwd,
dan heeft het kind de geslachtsnaam van de vader, tenzij de adoptanten bij adoptie gezamenlijk verklaren
4