Hogeschool van Amsterdam – Creative Business – Uitleg grammatica
Inhoudsopgave
Verb tenses 2
Present Simple 2
Present Continuous 2
Present Perfect 3
Past Simple 3
Irregular verbs 3
Quantifiers 4
Adjectives and adverbs4
Prepositions 4
Word order 5
Relative clauses 6
Indefinite article 6
, 1. Verb tenses
Verbs zijn er in drie tijden: verleden (= past), heden (= present) en de toekomst (= future).
Past = wordt gebruikt om dingen te omschrijven die in het verleden hebben plaatsgevonden. Ze zijn
dus al gebeurd.
Present = wordt gebruikt om dingen te omschrijven die in het heden plaatsvinden. Ze vinden nu, op
dit moment plaats. Of ze omschrijven dingen die altijd plaatsvinden.
Future = wordt gebruikt om dingen te omschrijven die in de toekomst plaatsvinden. Ze moeten nog
gebeuren.
1.1 Present Simple
De tegenwoordige tijd. De present simple wordt voor twee dingen gebruikt. Het wordt gebruik voor:
- Iets wat nu plaatsvindt.
- Iets wat we met regelmaat doen.
- Feiten.
- Gewoonten.
Er zijn een aantal signaalwoorden waaraan je de present simple kan herkennen. Dit zijn:
- Always
- Never
- Sometimes
- On Sundays
- Regurarly
- Often
- Seldom
- In the weekends
Er wordt een -s toegevoegd aan het werkwoord als je het in de 3 e persoon enkelvoud gebruikt. In alle
andere gevallen gebruik je gewoon het hele werkwoord (de stam).
I always play guitar.
She lives in Amsterdam.
This book is blue.
1.2 Present Continuous
Heden. Wordt in zinnen gebruikt die allemaal nu plaatsvinden. Je gebruikt het om aan te tonen dat
iets bezig of gaande is. Er zijn een aantal signaalwoorden waaraan je de present continuous kan
herkennen. Dit zijn:
- Right now
- At the moment
- Currently
Om de present continuous te maken heb je altijd twee werkwoorden nodig. Namelijk een vervoeging
van to be + werkwoord met -ing erachter.
2