1D VLOEIENDHEID –
kennisdoelen
, 1. De student definieert de volgende stoornissen en noemt de kernsymptomen (Bezemer &
Bouwen, 2018; Guitar 2006; Zaalen & Winkelman, 2009):
Stotteren: ‘een verstoring in het ritme van de spraak waarbij de spreker precies weet wat
hij/zij wil zeggen, maar dat voor dat moment niet kan vanwege onwillekeurige – stille en
hoorbare – herhalingen en verleningen van spraakklanken, ’ definitie volgens de WHO
(1980). Een stotteraar zelf zou stotteren eerder definiëren als ‘je schamen als je praat.’
Soorten stotteren:
Ontwikkelingsstotteren: stotteren dat in de kinderjaren ontstaat.
Neurologisch stotteren: stotteren komt voor uit een neurologische beschadiging of
ziekteproces.
Psychogeen stotteren: stotteren komt voor uit een onverwerkt psychisch trauma.
Broddelen: een vorm van niet-vloeiend spreken waarin de spreker onvoldoende in staat is
zijn spreektempo aan te passen aan de spraakmotorische en/of linguïstische eisen van het
moment. Soorten broddelen:
Dysartrisch (fonologisch): broddelen dat zich uit in misarticulaties en slechte
coördinatie van de spreekbewegingen.
Dysfatisch (linguïstisch): broddelen dat zich uit in formuleringsproblemen, verward
spreken, zinnen niet afmaken, verkeerde woordvolgorde etc.
Dysrimisch: broddelen dat zich uit in een slechte controle over het spreektempo,
slechte verdeling van de ritmische patronen
o Tachylalie: gehaast of zeer snel spreken
o Bradylalie: vertraagd spreken
Kernsymtomen broddelen:
Een te hoog en/of onregelmatig spreektempo, in combinatie met één of meer van de
volgende karakteristieken:
Een hoge frequentie van verschillende normale niet-vloeiendheden
Een frequente plaatsing van pauzes en het gebruik van prosodische patronen (=het
patroon van ritme, de klemtoon en de intonatie) die niet aan syntactische en
semantische regels voldoen
Een onjuiste mate van co-articulatie (= opeenvolgende klanken beïnvloeden elkaar)
tussen klanken
2. De student beschrijft de ontwikkelingsniveaus van stotteren volgens Guitar (2006) naar
kerngedrag, secundair gedrag, gevoelens en attitudes en mate van chroniciteit:
Ontwikkelingsniveaus stotteren Typische leeftijdsfase
1. Normale onvloeiendheid 1,5 – 6 jr.
2. Bordeline stotteren (grensgeval) 1,5 – 3,5 jr.
3. Beginnend stotteren 3,5 – 6 jr.
4. Intermediate stotteren (overgang) 6 – 13 jr.
5. Gevorderd stotteren (gevestigd) 14 jr. en ouder
2
, ONTWIKKELINGSNIVEAU’S STOTTEREN
Normaal onvloeiend stotteren
Type onvloeiendheden Zie dia ‘normale onvloeiendheden’
Frequentie 10 of minder onvloeiendheden per 100 woorden. Vooral normale
onvloeiendheden met minder dan 3% SLD’s
Secundair gedrag Geen
Gevoelens en attitudes Geen
Periodiciteit Situatie gebonden
Grensgeval (borderline) stotteren
Type onvloeiendheden Normale onvloeiendheden met meer SLD’s, maar minder dan 3%
Frequentie >10 per 100 woorden
Secundair gedrag Geen
Gevoelens en attitudes Zelfden
Periodiciteit Situatie gebonden maar komt ook in ontspannen situaties voor
Beginnend stotteren
Type onvloeiendheden kernstottergedrag: Snelle, onregelmatige en gespannen herhalingen van
meer dan 2 units, soms invoegen schwa; mogelijk fixatie van de
articulatiestand tot blokkades.
Frequentie Minimaal 3% SLD
Secundair gedrag Vluchtgedragingen zoals oogknipperen, stemverhoging, vechtgedrag of
harder spreken als onvloeiendheid toeneemt; meer spierspanning.
Gevoelens en attitudes Bewust van onvloeiend spreken, toont soms frustratie, soms begin lichte
angst, begin van negatieve gedachten, geen negatieve gevoelens over
zichzelf als spreker
Periodiciteit Het kan in situaties vloeiend zijn, maar het stotteren is er iedere dag
Overgang beginnend – gevorderd (intermediate) stotteren
Type onvloeiendheden Kernstottergedrag: zie ‘beginnend stotteren’ + meer blokkades waarbij
het geluid onderbroken en de luchtweg afgesloten
Frequentie
Secundair gedrag Vlucht en vermijdingsgedrag; vechtgedrag om blokkade te beëindigen;
anticipaties van blokkades en soms van spreeksituaties
Gevoelens en attitudes Angst, frustratie, gêne, verlegenheid/ hulpeloosheid tijdens het stotteren
en schaamte na het spreken.
Periodiciteit Wisselend in ernst maar het is er altijd
Gevestigd stotteren
Type onvloeiendheden Kernstottergedrag zie ‘overgansstotteren’ + mogelijk lange, gespannen
blokkades; sommigen met tremor.
Frequentie Wisselend en heel persoonsafhankelijk, soms frequentie lager door sterk
vlucht en vermijdingsgedrag.
Secundair gedrag Vlucht en vermijdingsgedrag, vechtgedrag; Stotteren wordt sterk
onderdrukt door vermijdingsgedrag. Complexe patronen van vermijden
vechten en vluchten welke zelf niet meer altijd worden opgemerkt
Gevoelens en attitudes Zie ‘overgangstotteren’ + een toenemend negatief zelfbeeld. Stotteren is
een deel van de eigen identiteit. Sterke gevoelens van angst, schaamte
en verlegenheid
Periodiciteit Chronisch
3
kennisdoelen
, 1. De student definieert de volgende stoornissen en noemt de kernsymptomen (Bezemer &
Bouwen, 2018; Guitar 2006; Zaalen & Winkelman, 2009):
Stotteren: ‘een verstoring in het ritme van de spraak waarbij de spreker precies weet wat
hij/zij wil zeggen, maar dat voor dat moment niet kan vanwege onwillekeurige – stille en
hoorbare – herhalingen en verleningen van spraakklanken, ’ definitie volgens de WHO
(1980). Een stotteraar zelf zou stotteren eerder definiëren als ‘je schamen als je praat.’
Soorten stotteren:
Ontwikkelingsstotteren: stotteren dat in de kinderjaren ontstaat.
Neurologisch stotteren: stotteren komt voor uit een neurologische beschadiging of
ziekteproces.
Psychogeen stotteren: stotteren komt voor uit een onverwerkt psychisch trauma.
Broddelen: een vorm van niet-vloeiend spreken waarin de spreker onvoldoende in staat is
zijn spreektempo aan te passen aan de spraakmotorische en/of linguïstische eisen van het
moment. Soorten broddelen:
Dysartrisch (fonologisch): broddelen dat zich uit in misarticulaties en slechte
coördinatie van de spreekbewegingen.
Dysfatisch (linguïstisch): broddelen dat zich uit in formuleringsproblemen, verward
spreken, zinnen niet afmaken, verkeerde woordvolgorde etc.
Dysrimisch: broddelen dat zich uit in een slechte controle over het spreektempo,
slechte verdeling van de ritmische patronen
o Tachylalie: gehaast of zeer snel spreken
o Bradylalie: vertraagd spreken
Kernsymtomen broddelen:
Een te hoog en/of onregelmatig spreektempo, in combinatie met één of meer van de
volgende karakteristieken:
Een hoge frequentie van verschillende normale niet-vloeiendheden
Een frequente plaatsing van pauzes en het gebruik van prosodische patronen (=het
patroon van ritme, de klemtoon en de intonatie) die niet aan syntactische en
semantische regels voldoen
Een onjuiste mate van co-articulatie (= opeenvolgende klanken beïnvloeden elkaar)
tussen klanken
2. De student beschrijft de ontwikkelingsniveaus van stotteren volgens Guitar (2006) naar
kerngedrag, secundair gedrag, gevoelens en attitudes en mate van chroniciteit:
Ontwikkelingsniveaus stotteren Typische leeftijdsfase
1. Normale onvloeiendheid 1,5 – 6 jr.
2. Bordeline stotteren (grensgeval) 1,5 – 3,5 jr.
3. Beginnend stotteren 3,5 – 6 jr.
4. Intermediate stotteren (overgang) 6 – 13 jr.
5. Gevorderd stotteren (gevestigd) 14 jr. en ouder
2
, ONTWIKKELINGSNIVEAU’S STOTTEREN
Normaal onvloeiend stotteren
Type onvloeiendheden Zie dia ‘normale onvloeiendheden’
Frequentie 10 of minder onvloeiendheden per 100 woorden. Vooral normale
onvloeiendheden met minder dan 3% SLD’s
Secundair gedrag Geen
Gevoelens en attitudes Geen
Periodiciteit Situatie gebonden
Grensgeval (borderline) stotteren
Type onvloeiendheden Normale onvloeiendheden met meer SLD’s, maar minder dan 3%
Frequentie >10 per 100 woorden
Secundair gedrag Geen
Gevoelens en attitudes Zelfden
Periodiciteit Situatie gebonden maar komt ook in ontspannen situaties voor
Beginnend stotteren
Type onvloeiendheden kernstottergedrag: Snelle, onregelmatige en gespannen herhalingen van
meer dan 2 units, soms invoegen schwa; mogelijk fixatie van de
articulatiestand tot blokkades.
Frequentie Minimaal 3% SLD
Secundair gedrag Vluchtgedragingen zoals oogknipperen, stemverhoging, vechtgedrag of
harder spreken als onvloeiendheid toeneemt; meer spierspanning.
Gevoelens en attitudes Bewust van onvloeiend spreken, toont soms frustratie, soms begin lichte
angst, begin van negatieve gedachten, geen negatieve gevoelens over
zichzelf als spreker
Periodiciteit Het kan in situaties vloeiend zijn, maar het stotteren is er iedere dag
Overgang beginnend – gevorderd (intermediate) stotteren
Type onvloeiendheden Kernstottergedrag: zie ‘beginnend stotteren’ + meer blokkades waarbij
het geluid onderbroken en de luchtweg afgesloten
Frequentie
Secundair gedrag Vlucht en vermijdingsgedrag; vechtgedrag om blokkade te beëindigen;
anticipaties van blokkades en soms van spreeksituaties
Gevoelens en attitudes Angst, frustratie, gêne, verlegenheid/ hulpeloosheid tijdens het stotteren
en schaamte na het spreken.
Periodiciteit Wisselend in ernst maar het is er altijd
Gevestigd stotteren
Type onvloeiendheden Kernstottergedrag zie ‘overgansstotteren’ + mogelijk lange, gespannen
blokkades; sommigen met tremor.
Frequentie Wisselend en heel persoonsafhankelijk, soms frequentie lager door sterk
vlucht en vermijdingsgedrag.
Secundair gedrag Vlucht en vermijdingsgedrag, vechtgedrag; Stotteren wordt sterk
onderdrukt door vermijdingsgedrag. Complexe patronen van vermijden
vechten en vluchten welke zelf niet meer altijd worden opgemerkt
Gevoelens en attitudes Zie ‘overgangstotteren’ + een toenemend negatief zelfbeeld. Stotteren is
een deel van de eigen identiteit. Sterke gevoelens van angst, schaamte
en verlegenheid
Periodiciteit Chronisch
3