Handboek Wijsbegeerte. Een historische inleiding, Gerd Van Riel m.m.v.
Guy Claessens, Leuven,Universitaire Pers Leuven, 2015 (herdr.)
Mondeling examen tijdens de examenperiode met open vragen.
Het examen is mondeling en bestaat uit drie vragen.
één korte vraag, peilend naar parate kennis,
één overzichtsvraag of vergelijkingsvraag,
één vraag over de gelezen teksten (Lectuur van wijsgerige teksten),
die in verband moeten worden gebracht met de stof die in de
hoorcolleges aan bod is gekomen.
Tips mondeling examen Wijsbegeerte
1. Inhoudelijk antwoorden
Voldoende stofferen: geef ruime inhoud met correcte vaktermen.
Voorbeeld: bij Hegel: denken – vervreemding –
subjectieve/objectieve/absolute geest – these/antithese/synthese.
Per filosoof: maak vooraf een 1-blad-schema met kernbegrippen.
Vergeet ethiek niet.
Tijdskader situeren: altijd zelf aangeven: wie, wat, waar, wanneer,
waarom. Vermeld eeuw of historische periode.
Cursuswoorden exact gebruiken:
o “Subject” (modern) ≠ “ziel” (Plato).
o Wees precies met “werkelijkheid”.
Voorbeelden:
o Bij Plato heb je twee werkelijkheden: de zintuiglijke
(onvolmaakt) en de ideale (vormenwereld).
o Bij Aristoteles is er één werkelijkheid, maar opgebouwd
uit substanties (vorm & materie).
o Bij Descartes is er een onderscheid tussen de
werkelijkheid van de res cogitans (denkende substantie)
en de res extensa (uitgebreide substantie).
1
, o Bij Kant is de werkelijkheid verdeeld in fenomenen (wat
verschijnt) en het Ding an sich (dat we niet kunnen
kennen).
o Vermijd anachronismen bij rationalisme / empirisme.
Lectuurcollege: verwijs expliciet naar de tekst.
Juiste uitspraak namen: Descartes, Hume, Bacon, Locke,
Heidegger, Husserl.
Inleiding
1. Verwondering als begin van de filosofie
o Verwondering = wezenlijk kenmerk van filosofie.
o Filosofie begint wanneer men beseft dat de wereld niet is wat ze
lijkt.
o = moment van vervreemding en crisis
o = vanzelfsprekendheden worden in vraag gesteld.
Plato’s allegorie van de grot (vb uit de les)
Het gewone leven:
o gevangenschap in een grot
o mensen zien enkel schaduwen en nemen die voor echt.
Wanneer één gevangene bevrijd wordt:
o ontdekt hij de ware voorwerpen achter de muur;
o vervolgens de zon buiten de grot (symbool voor waarheid/het
Goede).
Hij keert enthousiast terug om de anderen te bevrijden.
o De anderen lachen hem uit en houden vast aan hun
gewoontes.
o In de les: benadrukt dat de filosoof zelfs vermoord kan
worden → de waarheid is bedreigend.
Moraal: filosofie = weg van verwondering naar inzicht, maar
confronterend en oncomfortabel.
2
, Nietzsche’s “dolle mens” (vb uit de les)
Een man loopt met een lantaarn overdag en roept: “Waar is God?”
→ mensen lachen hem uit.
De dolle mens zegt: “Wij hebben God gedood.”
Hij beseft dat hij te vroeg komt → idee van vooruitlopen op de
tijdsgeest.
Verwondering in andere domeinen
Wetenschap: zoekt zekerheid → verwondering stopt zodra
antwoord is gevonden.
Religie: geeft richting via symbolen en rituelen.
Kunst: ook motor van verwondering (naast filosofie).
Filosofie: verwondering is zowel beginpunt als leidraad.
o Het is tegelijk eerste én laatste woord: filosofie blijft kritisch
bevragen.
2. Ideologie van de filosofie
Verwondering overwinnen zonder ze uit te wissen of te
neutraliseren.
Kritisch denken: wetenschap zonder dogmatische waarheden;
Hernieuwde verwondering: elk verworven inzicht kan opnieuw
bevraagd worden.
Filosofie vs ideologie: Filosofie heeft geen zekerheden, terwijl
ideologie juist een systeem van zekerheden vormt.
Gevaar van ideologie
Ideologie = verzameling van vanzelfsprekende zekerheden
die orde scheppen in het bestaan.
Filosofie daarentegen blijft bevragen wat vanzelfsprekend lijkt;
voorkomt verstarring en houdt ruimte voor kritische reflectie en
ethische vooruitgang.
Voorbeelden van filosofische vooruitgang:
o afschaffing van slavernij
3