Internationaal publiekrecht
Week 1A Staten, soevereiniteit, staatskarakter, erkenning van staten
- Nolkaemper: hoofdstuk 2 en 3
- Documenten: art 1-3, 6-7 (Montevideo) Convention on Fundamental Duties and Rights of States
(1933), EIR 100
- Art. 2(1), 23, 27, charter of the United Nations (1945), EIR 101
Inleidende vragen:
1. Wat wordt bedoeld met de soevereiniteit van staten? Soevereiniteit van staten verwijst naar
het exclusieve gezag dat een staat bezit over zijn grondgebied en bevolking en de
onafhankelijkheid van andere staten in het bepalen van zijn interne en externe politiek
2. Leg uit wat een staat is. Motiveer uw antwoord aan de hand van relevante
verdragsbepalingen. Een staat is een organisatie met een gezagsstructuur over een stuk grond
en een bevolking met de capaciteit tot internationale betrekkingen (art. 1 Montevideo)
3. Leg uit, aan de hand van de twee theorieën inzake erkenning van staten, wat de juridische
consequenties zijn van erkenning voor de vorming van een staat? Op grond van de
constitutieve theorie ontstaat een staat pas als een staat wordt erkend door andere staten.
Erkenning is hierdoor dus een voorwaarde voor de totstandkoming van een staat. Op grond van
de declaratoire theorie is erkenning niet nodig voor de totstandkoming van een staat. De
erkenning is een bevestiging dat een entiteit reeds aan de feitelijke voorwaarden van het staat
schap voldoet
4. Stelling: Erkenning van staten is een politieke handeling met juridische consequenties.
Klopt deze stelling? Motiveer uw antwoord. Het erkennen van een staat is een politieke
handeling en deze kan juridische consequenties hebben. Erkenning is relevant bij de beoordeling
of een entiteit de voornaamste kenmerken van staten bezit, erkenning geeft praktische betekenis
aan de rechtssubjectiviteit van de staat en erkenning van een correctief effect hebben. De
totstandkoming van een staat is echter niet afhankelijk van erkenning, maar de erkenning is wel
juridisch relevant. Een staat zal een andere staat als staat erkennen als zij die staat nodig hebben
om bepaalde belangen te behartigen. Hierdoor zullen er waarschijnlijk rechtsbetrekkingen
ontstaan en dit is een juridische consequentie van erkenning als politieke handeling.
,Casus 1
Op 18 maart 2014, een dag nadat op basis van een referendum op de Krim het parlement van de Krim, een
autonome republiek binnen Oekraïne, de onafhankelijkheid had uitgeroepen en om aansluiting bij de
Russische Federatie gevraagd had, verklaarde de President van de Russische Federatie, Poetin, het
volgende:
“As it declared independence and decided to hold a referendum, the Supreme Council of Crimea
referred to the United Nations Charter, which speaks of the right of nations to self-determination.
Incidentally, I would like to remind you that when Ukraine seceded from the USSR it did exactly
the same thing, almost word for word. Ukraine used this right, yet the residents of Crimea are
denied it. Why is that?”
In de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties legde de Russische vertegenwoordiger een vergelijkbare
verklaring af:
“In strict compliance with international law and democratic procedure, without outside
interference and through a free referendum, the people of Crimea have fulfilled what is enshrined
in the Charter of the United Nations and a great number of fundamental international legal
documents – their right to self-determination.”
Poetin verklaarde verder in dezelfde speech van 18 maart dat:
“those who opposed the coup were immediately threatened with repression. Naturally, the first
in line here was Crimea, the Russian-speaking Crimea. In view of this, the residents of Crimea and
Sevastopol turned to Russia for help in defending their rights and lives […]. [N]aturally, we could
not leave this plea unheeded; we could not abandon Crimea and its residents in distress.”
Vraag: Onderzoek of op deze uitspraken op een correcte wijze het zelfbeschikkingsrecht van
volkeren toepassen en of Poetin gelijk heeft dat er geen sprake is van enige schending van het
internationaal recht?
Op grond van het beginsel van zelfbeschikking heeft een volk het recht om in vrijheid zijn eigen politieke
status en economische, sociale en culturele ontwikkelingen te bepalen (art. 1 IVBPR). Dit artikel ziet op
interne zelfbeschikking, een recht dat kan worden uitgeoefend binnen de grenzen van een bestaande
staat. In deze betekenis is het recht van zelfbeschikking gegarandeerde door verdragen voor de
bescherming van de rechten van de mens. Echter ziet de situatie in de casus op externe zelfbeschikking,
aangezien de Krim niet een zelfstandige bestaande staat is. Dit recht bestaat voor volkeren die
onderworpen zijn aan kolonisatie of volkeren die zijn onderworpen aan buitenlandse bezetting. De
statenpraktijk verzet zich tegen toekenning van het recht van externe zelfbeschikking aan andere groepen
dan gekoloniseerde volkeren of volkeren onder bezetting. De Krim is geen gekoloniseerd volk of een volk
onder bezetting.
Internationaal recht staat echter afscheiding niet in de weg, zolang er tijdens het proces maar geen
fundamentele regels van internationaal recht worden geschonden. Rusland heeft door de Krim te helpen
met de afscheiding en annexatie de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Oekraïne geschonden,
en hiermee een fundamentele regels van internationaal recht geschonden. Hiermee is er dus wel sprake
van schending van het recht
,Casus 2
In Turkije laait van tijd tot tijd de strijd tussen de Turkse overheid en de Koerdische afscheidingsbeweging
PKK weer op. Er wordt regelmatig gevochten in het oosten van Turkije en er zijn Koerdische doelen in de
rest van Turkije (winkels, kantoren van de Koerdische politieke partij, kranten die (vermeend)
sympathiseren met de Koerden) aangevallen. Ook in Syrië lijkt Turkije een te stevige positie van de Koerden
actief tegen te gaan.
Vraag: Probeer te beargumenteren of het Koerdische volk juridisch gezien recht heeft op
zelfbeschikking en welke (juridisch relevante) consequenties daaruit getrokken kunnen worden. Leg
hierbij het verschil tussen intern en extern zelfbeschikkingsrecht uit.
Het recht op zelfbeschikking is een fundamenteel beginsel van het internationaal recht, vastgelegd in
artikel 1 van zowel het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) als
het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR). Dit recht houdt in
dat volkeren vrij hun politieke status kunnen bepalen en hun economische, sociale en culturele
ontwikkeling kunnen nastreven. Daarbij wordt onderscheid gemaakt
tussen intern en extern zelfbeschikkingsrecht.
Interne zelfbeschikking verwijst naar de mogelijkheid van een volk om binnen de bestaande
staatsgrenzen zeggenschap te hebben over het eigen bestuur, bijvoorbeeld via politieke participatie,
culturele autonomie of onderwijs in de eigen taal. Externe zelfbeschikking betekent het recht om zich af
te scheiden en een onafhankelijke staat te vormen. Dit laatste recht wordt in het internationaal recht
slechts erkend in uitzonderlijke situaties: bij kolonisatie, buitenlandse bezetting of wanneer een volk
structureel en ernstig wordt onderdrukt waardoor interne zelfbeschikking onmogelijk is (“remedial
secession”).
Het Koerdische volk, verspreid over Turkije, Irak, Iran en Syrië, kan juridisch worden beschouwd als een
volk met een eigen taal, cultuur en identiteit. Binnen Turkije hebben de Koerden echter te maken met
aanzienlijke beperkingen van hun culturele en politieke rechten. Vanuit het perspectief van het
internationaal recht hebben zij daarom recht op interne zelfbeschikking – dat wil zeggen: op politieke
participatie en culturele autonomie binnen de Turkse staat.
Een extern recht op afscheiding komt de Koerden in Turkije in beginsel niet toe, omdat zij niet onder
koloniale overheersing of buitenlandse bezetting leven. Alleen bij aantoonbare, ernstige en systematische
onderdrukking zou een beroep op “remedial secession” mogelijk zijn, maar een dergelijk recht is
internationaal niet erkend voor de Koerden.
Conclusie:
Het Koerdische volk heeft juridisch gezien recht op interne, maar niet op externe zelfbeschikking. Turkije
is daarom verplicht hun culturele en politieke rechten te respecteren, maar niet om onafhankelijkheid toe
te staan.
, Hoorcollege 1a; 2 september 2025
Staten
Historisch: enige rechtssubjecten internationale betrekkingen en internationaal recht reguleert de
betrekkingen tussen staten
Andere rechtssubjecten (tt)? Internationale organisaties, gewapende niet-statelijke actoren/ nationale
vrijheidsbewegingen (internationaal humanitair recht, individuen ((mensen) rechten en plichten), volkeren
(recht op zelfbeschikking), ondernemingen/ bedrijven?? (MnO’s/ guilding principles on busimess and
human rights (ruggie principles), de Heilige Stoel/ het Vaticaan
➢ Ngo’s (niet-gouvernementele organisatie) staan er niet tussen want opgericht onder nationaal
recht, dus niet direct rechtssubject van internationaal recht
ICJ, Reparation opinion EIR 649: “The subjects of law in any legal system are not necessarily, identical in
their nature or in the extent of their rights, and their nature depends upon the needs of the community”
➔ Bezit van internationale rechtspersoonlijkheid geeft niet alle rechten en verplichtingen, noch
specifieke rechten en verplichtingen
Nollkaemper, p. 23: “Internationaal publiekrecht regelt de uitoefening van publiek gezag in de
internationale gemeenschap. Het kent bevoegdheden toe aan entiteiten die publiek gezag uitoefenen
(vooral staten en internationale organisaties) en biedt juridisch kader waarbinnen zij deze bevoegdheden
uitoefenen”
➔ Kanttekening: internationaal recht kent geen bevoegdheden toe aan staten, maar staten hebben
bevoegdheden omdat het soevereine staten zijn. Het internationaal recht biedt een juridisch
kader voor de uitoefening van deze bevoegdheden
Nationale rechtssystemen
Staat =(ongeveer) nationaal rechtssysteem
Centraal gezag = verticale gezag relatie tussen overheid en rechtssubjecten- naleving van het recht wordt
opgelegd
- Wetgeving
- Rechtspraak
- Handhaving (primair politie, maar ook het recht handhaaft, soms het leger)
Internationaal recht
193+ staten =(ongeveer) internationaal recht
Veelvoud aan autoriteiten= horizontale relatie tussen staten (gelijkheid van staten)
Identiteit van rechtssubjecten:
- Staten maken het internationaal recht
- Staten moeten instemmen met internationale rechtspraak
- Staten handhaven het internationale recht
En … staten zijn onderworpen aan het internationaal recht
• Vorming van internationaal recht: instemming (consent) en consensus
• Internationale rechtspraak: vereist instemming (consent)
• Handhaving unilateraal: maar: VN en staten zijn onderworpen aan het internationaal recht
De staten die het recht kunnen maken zijn ook degene die direct gebonden kunnen worden aan dat recht
Soevereiniteit
• Jean Bodin; Les six livres de la république (1576)
Intern vs. Extern:
➢ Intern-> claim van autoriteit (een persoon of groep personen als soeverein over alle inwoners)
➢ Extern-> ontkenning van hogere autoriteit (de staat is niet onderworpen aan externe autoriteit)
= onafhankelijkheid
Week 1A Staten, soevereiniteit, staatskarakter, erkenning van staten
- Nolkaemper: hoofdstuk 2 en 3
- Documenten: art 1-3, 6-7 (Montevideo) Convention on Fundamental Duties and Rights of States
(1933), EIR 100
- Art. 2(1), 23, 27, charter of the United Nations (1945), EIR 101
Inleidende vragen:
1. Wat wordt bedoeld met de soevereiniteit van staten? Soevereiniteit van staten verwijst naar
het exclusieve gezag dat een staat bezit over zijn grondgebied en bevolking en de
onafhankelijkheid van andere staten in het bepalen van zijn interne en externe politiek
2. Leg uit wat een staat is. Motiveer uw antwoord aan de hand van relevante
verdragsbepalingen. Een staat is een organisatie met een gezagsstructuur over een stuk grond
en een bevolking met de capaciteit tot internationale betrekkingen (art. 1 Montevideo)
3. Leg uit, aan de hand van de twee theorieën inzake erkenning van staten, wat de juridische
consequenties zijn van erkenning voor de vorming van een staat? Op grond van de
constitutieve theorie ontstaat een staat pas als een staat wordt erkend door andere staten.
Erkenning is hierdoor dus een voorwaarde voor de totstandkoming van een staat. Op grond van
de declaratoire theorie is erkenning niet nodig voor de totstandkoming van een staat. De
erkenning is een bevestiging dat een entiteit reeds aan de feitelijke voorwaarden van het staat
schap voldoet
4. Stelling: Erkenning van staten is een politieke handeling met juridische consequenties.
Klopt deze stelling? Motiveer uw antwoord. Het erkennen van een staat is een politieke
handeling en deze kan juridische consequenties hebben. Erkenning is relevant bij de beoordeling
of een entiteit de voornaamste kenmerken van staten bezit, erkenning geeft praktische betekenis
aan de rechtssubjectiviteit van de staat en erkenning van een correctief effect hebben. De
totstandkoming van een staat is echter niet afhankelijk van erkenning, maar de erkenning is wel
juridisch relevant. Een staat zal een andere staat als staat erkennen als zij die staat nodig hebben
om bepaalde belangen te behartigen. Hierdoor zullen er waarschijnlijk rechtsbetrekkingen
ontstaan en dit is een juridische consequentie van erkenning als politieke handeling.
,Casus 1
Op 18 maart 2014, een dag nadat op basis van een referendum op de Krim het parlement van de Krim, een
autonome republiek binnen Oekraïne, de onafhankelijkheid had uitgeroepen en om aansluiting bij de
Russische Federatie gevraagd had, verklaarde de President van de Russische Federatie, Poetin, het
volgende:
“As it declared independence and decided to hold a referendum, the Supreme Council of Crimea
referred to the United Nations Charter, which speaks of the right of nations to self-determination.
Incidentally, I would like to remind you that when Ukraine seceded from the USSR it did exactly
the same thing, almost word for word. Ukraine used this right, yet the residents of Crimea are
denied it. Why is that?”
In de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties legde de Russische vertegenwoordiger een vergelijkbare
verklaring af:
“In strict compliance with international law and democratic procedure, without outside
interference and through a free referendum, the people of Crimea have fulfilled what is enshrined
in the Charter of the United Nations and a great number of fundamental international legal
documents – their right to self-determination.”
Poetin verklaarde verder in dezelfde speech van 18 maart dat:
“those who opposed the coup were immediately threatened with repression. Naturally, the first
in line here was Crimea, the Russian-speaking Crimea. In view of this, the residents of Crimea and
Sevastopol turned to Russia for help in defending their rights and lives […]. [N]aturally, we could
not leave this plea unheeded; we could not abandon Crimea and its residents in distress.”
Vraag: Onderzoek of op deze uitspraken op een correcte wijze het zelfbeschikkingsrecht van
volkeren toepassen en of Poetin gelijk heeft dat er geen sprake is van enige schending van het
internationaal recht?
Op grond van het beginsel van zelfbeschikking heeft een volk het recht om in vrijheid zijn eigen politieke
status en economische, sociale en culturele ontwikkelingen te bepalen (art. 1 IVBPR). Dit artikel ziet op
interne zelfbeschikking, een recht dat kan worden uitgeoefend binnen de grenzen van een bestaande
staat. In deze betekenis is het recht van zelfbeschikking gegarandeerde door verdragen voor de
bescherming van de rechten van de mens. Echter ziet de situatie in de casus op externe zelfbeschikking,
aangezien de Krim niet een zelfstandige bestaande staat is. Dit recht bestaat voor volkeren die
onderworpen zijn aan kolonisatie of volkeren die zijn onderworpen aan buitenlandse bezetting. De
statenpraktijk verzet zich tegen toekenning van het recht van externe zelfbeschikking aan andere groepen
dan gekoloniseerde volkeren of volkeren onder bezetting. De Krim is geen gekoloniseerd volk of een volk
onder bezetting.
Internationaal recht staat echter afscheiding niet in de weg, zolang er tijdens het proces maar geen
fundamentele regels van internationaal recht worden geschonden. Rusland heeft door de Krim te helpen
met de afscheiding en annexatie de soevereiniteit en de territoriale integriteit van Oekraïne geschonden,
en hiermee een fundamentele regels van internationaal recht geschonden. Hiermee is er dus wel sprake
van schending van het recht
,Casus 2
In Turkije laait van tijd tot tijd de strijd tussen de Turkse overheid en de Koerdische afscheidingsbeweging
PKK weer op. Er wordt regelmatig gevochten in het oosten van Turkije en er zijn Koerdische doelen in de
rest van Turkije (winkels, kantoren van de Koerdische politieke partij, kranten die (vermeend)
sympathiseren met de Koerden) aangevallen. Ook in Syrië lijkt Turkije een te stevige positie van de Koerden
actief tegen te gaan.
Vraag: Probeer te beargumenteren of het Koerdische volk juridisch gezien recht heeft op
zelfbeschikking en welke (juridisch relevante) consequenties daaruit getrokken kunnen worden. Leg
hierbij het verschil tussen intern en extern zelfbeschikkingsrecht uit.
Het recht op zelfbeschikking is een fundamenteel beginsel van het internationaal recht, vastgelegd in
artikel 1 van zowel het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR) als
het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten (IVESCR). Dit recht houdt in
dat volkeren vrij hun politieke status kunnen bepalen en hun economische, sociale en culturele
ontwikkeling kunnen nastreven. Daarbij wordt onderscheid gemaakt
tussen intern en extern zelfbeschikkingsrecht.
Interne zelfbeschikking verwijst naar de mogelijkheid van een volk om binnen de bestaande
staatsgrenzen zeggenschap te hebben over het eigen bestuur, bijvoorbeeld via politieke participatie,
culturele autonomie of onderwijs in de eigen taal. Externe zelfbeschikking betekent het recht om zich af
te scheiden en een onafhankelijke staat te vormen. Dit laatste recht wordt in het internationaal recht
slechts erkend in uitzonderlijke situaties: bij kolonisatie, buitenlandse bezetting of wanneer een volk
structureel en ernstig wordt onderdrukt waardoor interne zelfbeschikking onmogelijk is (“remedial
secession”).
Het Koerdische volk, verspreid over Turkije, Irak, Iran en Syrië, kan juridisch worden beschouwd als een
volk met een eigen taal, cultuur en identiteit. Binnen Turkije hebben de Koerden echter te maken met
aanzienlijke beperkingen van hun culturele en politieke rechten. Vanuit het perspectief van het
internationaal recht hebben zij daarom recht op interne zelfbeschikking – dat wil zeggen: op politieke
participatie en culturele autonomie binnen de Turkse staat.
Een extern recht op afscheiding komt de Koerden in Turkije in beginsel niet toe, omdat zij niet onder
koloniale overheersing of buitenlandse bezetting leven. Alleen bij aantoonbare, ernstige en systematische
onderdrukking zou een beroep op “remedial secession” mogelijk zijn, maar een dergelijk recht is
internationaal niet erkend voor de Koerden.
Conclusie:
Het Koerdische volk heeft juridisch gezien recht op interne, maar niet op externe zelfbeschikking. Turkije
is daarom verplicht hun culturele en politieke rechten te respecteren, maar niet om onafhankelijkheid toe
te staan.
, Hoorcollege 1a; 2 september 2025
Staten
Historisch: enige rechtssubjecten internationale betrekkingen en internationaal recht reguleert de
betrekkingen tussen staten
Andere rechtssubjecten (tt)? Internationale organisaties, gewapende niet-statelijke actoren/ nationale
vrijheidsbewegingen (internationaal humanitair recht, individuen ((mensen) rechten en plichten), volkeren
(recht op zelfbeschikking), ondernemingen/ bedrijven?? (MnO’s/ guilding principles on busimess and
human rights (ruggie principles), de Heilige Stoel/ het Vaticaan
➢ Ngo’s (niet-gouvernementele organisatie) staan er niet tussen want opgericht onder nationaal
recht, dus niet direct rechtssubject van internationaal recht
ICJ, Reparation opinion EIR 649: “The subjects of law in any legal system are not necessarily, identical in
their nature or in the extent of their rights, and their nature depends upon the needs of the community”
➔ Bezit van internationale rechtspersoonlijkheid geeft niet alle rechten en verplichtingen, noch
specifieke rechten en verplichtingen
Nollkaemper, p. 23: “Internationaal publiekrecht regelt de uitoefening van publiek gezag in de
internationale gemeenschap. Het kent bevoegdheden toe aan entiteiten die publiek gezag uitoefenen
(vooral staten en internationale organisaties) en biedt juridisch kader waarbinnen zij deze bevoegdheden
uitoefenen”
➔ Kanttekening: internationaal recht kent geen bevoegdheden toe aan staten, maar staten hebben
bevoegdheden omdat het soevereine staten zijn. Het internationaal recht biedt een juridisch
kader voor de uitoefening van deze bevoegdheden
Nationale rechtssystemen
Staat =(ongeveer) nationaal rechtssysteem
Centraal gezag = verticale gezag relatie tussen overheid en rechtssubjecten- naleving van het recht wordt
opgelegd
- Wetgeving
- Rechtspraak
- Handhaving (primair politie, maar ook het recht handhaaft, soms het leger)
Internationaal recht
193+ staten =(ongeveer) internationaal recht
Veelvoud aan autoriteiten= horizontale relatie tussen staten (gelijkheid van staten)
Identiteit van rechtssubjecten:
- Staten maken het internationaal recht
- Staten moeten instemmen met internationale rechtspraak
- Staten handhaven het internationale recht
En … staten zijn onderworpen aan het internationaal recht
• Vorming van internationaal recht: instemming (consent) en consensus
• Internationale rechtspraak: vereist instemming (consent)
• Handhaving unilateraal: maar: VN en staten zijn onderworpen aan het internationaal recht
De staten die het recht kunnen maken zijn ook degene die direct gebonden kunnen worden aan dat recht
Soevereiniteit
• Jean Bodin; Les six livres de la république (1576)
Intern vs. Extern:
➢ Intern-> claim van autoriteit (een persoon of groep personen als soeverein over alle inwoners)
➢ Extern-> ontkenning van hogere autoriteit (de staat is niet onderworpen aan externe autoriteit)
= onafhankelijkheid