Week 1 Waarheidsvinding en bewijsstelsels
Waarheidsvinding
Absolute zekerheid over in het verleden liggende gebeurtenissen is niet mogelijk. Van
rechter wordt een zo nauwkeurig mogelijke benadering verlangt aan de feiten kan in
redelijkheid niet worden getwijfeld bepaalt hij zelf. Rechter maakt een sprong: van
feitelijke gegevens naar de daaruit getrokken conclusie vaak subjectief uiteindelijk is
niet de geloofwaardigheid van de bron doorslaggevend, maar wat de rechter daadwerkelijk
gelooft rechterlijke overtuiging
Doordat het gaat om waarderingen, en om een redelijkheidsoordeel, komt de rechter niet
verder dan een opinie over de waarheid. Logische aannemelijkheid blijft weliswaar doel,
maar is meestal onbereikbaar en wordt dan ook niet gevergd. Alléén subjectieve
aannemelijkheid daarentegen is pertinent onvoldoende. Het subjectieve element, de
overtuiging, vormt slechts de sluitsteen van de bewijsvoering - en tegelijkertijd haar zwakste
punt.
Materiele waarheidsvinding: een bewering over de feiten die correspondeert met de
werkelijkheid (corresponderend waarheidsbegrip) historische werkelijk: het
daadwerkelijk gebeurde willen achterhalen
Formele waarheidsvinding: datgene waarvan in rechte – op grond van het aanwezige bewijs
– is gesteld dat het waar is (evaluerend waarheidsbegrip) versie die obv de
bewijsmiddelen het meest geloofwaardig wordt geacht.
Beperking waarheidsvinding:
- Rechten ter bescherming van de verdachte: zwijgrecht
- Rechten ter bescherming van slachtoffer/getuigen
- Efficientie overwegingen: strafbeschikkingen
- Afdoening binnen een redelijke termijn
- Maatschappelijke context (media)
er gelden bepaalde regels om achter de waarheid te komen. Als je echt alleen zou
inzetten op de waarheidsvinding, dan kan het zwijgrecht of het verschoningsrecht niet meer
gelden.
Waarheidstheorieen
- Correspondentietheorie: beweringen zijn waar als ze corresponderen met de
werkelijke stand van zaken/werkelijkheid ideaal in NL, maar de realiteit is dat de
uitkomst van het rechterlijk beslisproces in belangrijke mate een (re)constructie
behelst.
- Consensustheorie: centraal staat niet wat waar is, maar wat wordt geaccepteerd als
zijnde waar.
Onmiddellijkheidsbeginsel: geldt in formele zin, maar in materiele zin komt er in NL weinig
van terecht. Het bewijs moet ttz worden aangevoerd tegen een verdachte, anders mag het
niet worden gebruikt. Maar de auditu.
,Trechterwerking strafproces: van materiele waarheid naar formele waarheid, de historische
werkelijkheid wordt gereduceerd. De vraag wat ertoe doet (welke feiten moeten worden
bewezen) versmalt zich steeds meer. Het wordt steeds sterker geabstraheerd van de
historische waarheid op de zitting gaat het alleen nog maar over de tll; wat niet in de tll is
opgenomen, daar wordt ttz geen aandacht aan besteed. Er heeft een grote selectie
plaatsgevonden. De enige vraag is of de tll bewezen kan worden de tll beinvloedt dus de
waarheidsvinding. de politie is toch nog meer op zoek de echte waarheid, in tegenstelling tot
het OM die via het tenlastelegging op zoek is naar de waarheid.
Grondslagleer
Ter terechtzitting wordt op grondslag van de tenlastelegging onderzocht of wettig en
overtuigend bewezen is dat het daarin omschreven feit door de verdachte is begaan.
Verschil civielrecht en strafproces wat betreft waarheidsvinding
In civiele proces ligt de bewijslast bij de partijen en het accent op het aantonen van de
juistheid van de stelling door procespartijen (formele waarheid) als stelling niet wordt
betwist door andere partij dan wordt het ook aangenomen als waarheid. In het strafproces
meer op zoek naar de materiele waarheid. Rechter is verantwoordelijk voor de vaststelling
van de feiten.
Bewijsstelsels
- Vrij bewijsstelsel: het staat de rechter vrij welke bewijsmiddelen hij gebruikt. Geen
gebondenheid aan specifieke, bij wet genoemde bewijsmiddelen. Slechts gebonden
aan zijn eigen rationele maatstaven.
- Wettelijk bewijsstelsel
i. Positief wettelijk bewijsstelsel: de rechter is bij een minimale hoeveelheid
naar voren geschoven belastend en door de wet erkend bewijsmateriaal
verplicht om te veroordelen. Bij een bepaalde hoeveelheid wettig bewijs,
moet worden veroordeeld.
ii. Negatief wettelijk bewijsstelsel: de rechter mag weliswaar beneden een
bepaald minimum aan wettig bewijs niet veroordelen, maar is ook niet
verplicht om – tegen zijn overtuiging in – tot een veroordeling te komen
indien wel aan het vereiste wettelijke minimum is voldaan. Dus: wettelijke
bewijsmiddelen + overtuiging. Negatief wil dus zeggen dat de rechter
overtuigd moet zijn en niet verplicht is om een veroordeling te komen
ondanks voldoende wettige bewijsmiddelen.
Bij wettelijke bewijsstelsels zijn er grenzen gesteld aan de bewijsmiddelen.
NL negatief wettelijk. Art. 338 Sv. Stelt in NL eigenlijk nog maar weinig voor, want
eigenlijk is er niets dat niet valt onder art. 339 Sv. We hebben wel wettelijke bewijsmiddelen,
maar de categorieën zijn eigenlijk zo ruim dat er geen beperkende werking van uit gaat en er
dus alles onder kan vallen. In NL moet de rechter los van de wettelijke bewijsmiddelen ook
nog de overtuiging hebben
Verschil NL en Engeland wat betreft waarheidsvinding
- Engeland: formele waarheidsvinding verdediging veel actievere rol in het
presenteren van een andere versie dan de prosecutor dan in NL meer equality of
, arms. Meer aandacht voor actieve waarheidsvinding voor beide partijen. Meer
advisair/accusatoir systeem dan in NL.
NL: materiele waarheidsvinding.
- Engeland: jury oordeelt over de waarheid
NL: professionele rechter oordeelt over de waarheid
Engeland: twee partijen op voet van gelijkheid tegenover elkaar en de jury beslist wat
waarheid is.
Week 2 Hoofdlijnen Nederlands bewijsrecht
Unus testis
Art. 342 lid 2 Sv brengt geen motiveringsvoorschrift met zich. Maar: bij de toetsing in
cassatie kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat aan de bewijsminimumregel
is voldaan nader heeft gemotiveerd. Met de motivering kan de feitenrechter inzichtelijk
maken waarom bepaald bewijsmateriaal wordt gebezigd en waarom de rechter tot het
oordeel is gekomen dat voldoende steunbewijs aanwezig is. De selectie en de waardering
van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Daarmee is de vraag of aan
de unus testis-regel is voldaan grotendeels ook een feitelijk vraagstuk. De Hoge Raad zal de
selectie van het bewijsmateriaal respecteren, en de waardering daarvan ook, zolang het
uiteindelijke oordeel – in dit geval met betrekking tot het bewijsminimum – niet
onbegrijpelijk is.
Tot slot brengt de Hoge Raad sinds 2010 in zijn standaardoverweging tot uitdrukking dat de
unus testis nullus testis-regel ziet op de tenlastelegging in zijn geheel en niet op een
onderdeel daarvan. Dat betekent dat het steunbewijs niet hoeft te zien op de kern van de
tenlastelegging – het daderschap van de verdachte.
Eigen waarneming rechter
- Waarneming dient te zijn gedaan ttz
- Dit is omdat de verdediging en het OM de waarneming ook zelf kunnen doen en de
gelegenheid hebben om zich over de mogelijke waarnemingen uit te laten.
- Verrassingscriterium art. 301 lid 4: de rechtbank is gehouden de waarneming ter
sprake te brengen (verrassingscriterium), tenzij het een waarneming is die iedereen
kan doen. Artikel 301 lid 4 Sv vereist immers dat belastende stukken tijdens de zitting
aan de verdachte worden voorgehouden. De achtergrond van deze bepaling is dat de
verdediging kennis moet kunnen nemen van het belastende bewijs, en daaraan
gerelateerd, binnen het contradictoire strafgeding de mogelijkheid moet krijgen om
zich over de belastende informatie uit te spreken.
Feiten van algemene bekendheid
Art 339 lid 2 ‘.... Behoeven geen bewijs” hoeven niet uit wettige bewijsmiddelen te
blijken, hoeven dus ook niet ter terechtzitting aan de orde te zijn gesteld, hoeven niet in het
vonnis te worden aangeduid, hoeven niet te worden vastgesteld door de feitenrechter.
Definitie: die gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokken geacht moet
worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke
bronnen kan achterhalen
, - Onderdelen hoeven niet bij iedereen in Nederland algemeen bekend te zijn wat in
eerste aanleg van algemene bekendheid is, hoeft dat in hoger beroep niet te zijn (en
omgekeerd). vb. een plaatselijke situatie
- De hoge Raad vindt voorts voldoende dat sprake is van bekendheid binnen een
bepaalde groep van personen.
- Rechter kan op basis van art. 6 evrm gehouden zijn om te verwoorden wat en
waarom hij als gegevens van algemene bekendheid beschouwt, ten einde de
verdachte in staat te stellen zijn recht ‘to challenge the evidence’ geldend te maken.
Vijf gezichtspunten voor het gebruiken van internetinformatie als een feit van algemene
bekendheid
• De bekendheid van de internetbron,
Zal eerder aangenomen worden als de internetbronnen door een van de
procesdeelnemers zijn ingebracht. Ten aanzien van websites die niet door partijen
zijn ingebracht zal de rechter zich moeten afvragen of hij er redelijkerwijs van uit kan
gaat dat vrijwel elke Nederlander ze wel eens raadpleegt.
• De betrouwbaarheid van de bron
Gaat het om een internetpagina van een betrouwbare overheid of organisatie of van
een persoon een met bedenkelijke reputatie?
• De eenduidigheid van de gevonden informatie
Informatie voor meerdere uitleg vatbaar?
• deskundigheid vereist voor het interpreteren van de informatie?
Complexiteit van de informatie feiten van algemene bekendheid veronderstellen
geen specialistische kennis.
• Het aandeel van het feit van algemene bekendheid in de bewijsvoering.
Wil de rechter een na de zitting gevonden gegeven gebruiken om aan de verdachte
een zekere wetenschap toe te rekenen, dan zal hij eerder tegenspraak moeten
organiseren dan wanneer het gaat om het onderbouwen van onderdelen van de
bewijsvoering die niet de kern van de ten laste gelegde norm raken. Daarbij kan het
bijvoorbeeld gaan om de weerlegging van een alibi, het onderbouwen van de
(on)betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige, het bepalen van een
plaatselijke verkeerssituatie of het bepalen van een afstand.
DNA als enige bewijsmiddel
De Groot: Als in een strafzaak het enig bewijsmiddel dat de verdachte in verband brengt met
het strafbare feit een databanktreffer is van een maximaal zeldzaam DNA-profiel uit het
spoor met het DNA-profiel van de verdachte, en dat spoor is naar gangbare praktische logica
delictgerelateerd dan was de verdachte de dader. Dat komt door de beredeneerde
delictrelatie en de extreme, onaardse zekerheid van de match. Dat is alleen anders als de
verdachte een alternatief scenario naar voren brengt dat concreet, niet op voorhand
ongeloofwaardig en onderzoekbaar is.
Waarheidsvinding
Absolute zekerheid over in het verleden liggende gebeurtenissen is niet mogelijk. Van
rechter wordt een zo nauwkeurig mogelijke benadering verlangt aan de feiten kan in
redelijkheid niet worden getwijfeld bepaalt hij zelf. Rechter maakt een sprong: van
feitelijke gegevens naar de daaruit getrokken conclusie vaak subjectief uiteindelijk is
niet de geloofwaardigheid van de bron doorslaggevend, maar wat de rechter daadwerkelijk
gelooft rechterlijke overtuiging
Doordat het gaat om waarderingen, en om een redelijkheidsoordeel, komt de rechter niet
verder dan een opinie over de waarheid. Logische aannemelijkheid blijft weliswaar doel,
maar is meestal onbereikbaar en wordt dan ook niet gevergd. Alléén subjectieve
aannemelijkheid daarentegen is pertinent onvoldoende. Het subjectieve element, de
overtuiging, vormt slechts de sluitsteen van de bewijsvoering - en tegelijkertijd haar zwakste
punt.
Materiele waarheidsvinding: een bewering over de feiten die correspondeert met de
werkelijkheid (corresponderend waarheidsbegrip) historische werkelijk: het
daadwerkelijk gebeurde willen achterhalen
Formele waarheidsvinding: datgene waarvan in rechte – op grond van het aanwezige bewijs
– is gesteld dat het waar is (evaluerend waarheidsbegrip) versie die obv de
bewijsmiddelen het meest geloofwaardig wordt geacht.
Beperking waarheidsvinding:
- Rechten ter bescherming van de verdachte: zwijgrecht
- Rechten ter bescherming van slachtoffer/getuigen
- Efficientie overwegingen: strafbeschikkingen
- Afdoening binnen een redelijke termijn
- Maatschappelijke context (media)
er gelden bepaalde regels om achter de waarheid te komen. Als je echt alleen zou
inzetten op de waarheidsvinding, dan kan het zwijgrecht of het verschoningsrecht niet meer
gelden.
Waarheidstheorieen
- Correspondentietheorie: beweringen zijn waar als ze corresponderen met de
werkelijke stand van zaken/werkelijkheid ideaal in NL, maar de realiteit is dat de
uitkomst van het rechterlijk beslisproces in belangrijke mate een (re)constructie
behelst.
- Consensustheorie: centraal staat niet wat waar is, maar wat wordt geaccepteerd als
zijnde waar.
Onmiddellijkheidsbeginsel: geldt in formele zin, maar in materiele zin komt er in NL weinig
van terecht. Het bewijs moet ttz worden aangevoerd tegen een verdachte, anders mag het
niet worden gebruikt. Maar de auditu.
,Trechterwerking strafproces: van materiele waarheid naar formele waarheid, de historische
werkelijkheid wordt gereduceerd. De vraag wat ertoe doet (welke feiten moeten worden
bewezen) versmalt zich steeds meer. Het wordt steeds sterker geabstraheerd van de
historische waarheid op de zitting gaat het alleen nog maar over de tll; wat niet in de tll is
opgenomen, daar wordt ttz geen aandacht aan besteed. Er heeft een grote selectie
plaatsgevonden. De enige vraag is of de tll bewezen kan worden de tll beinvloedt dus de
waarheidsvinding. de politie is toch nog meer op zoek de echte waarheid, in tegenstelling tot
het OM die via het tenlastelegging op zoek is naar de waarheid.
Grondslagleer
Ter terechtzitting wordt op grondslag van de tenlastelegging onderzocht of wettig en
overtuigend bewezen is dat het daarin omschreven feit door de verdachte is begaan.
Verschil civielrecht en strafproces wat betreft waarheidsvinding
In civiele proces ligt de bewijslast bij de partijen en het accent op het aantonen van de
juistheid van de stelling door procespartijen (formele waarheid) als stelling niet wordt
betwist door andere partij dan wordt het ook aangenomen als waarheid. In het strafproces
meer op zoek naar de materiele waarheid. Rechter is verantwoordelijk voor de vaststelling
van de feiten.
Bewijsstelsels
- Vrij bewijsstelsel: het staat de rechter vrij welke bewijsmiddelen hij gebruikt. Geen
gebondenheid aan specifieke, bij wet genoemde bewijsmiddelen. Slechts gebonden
aan zijn eigen rationele maatstaven.
- Wettelijk bewijsstelsel
i. Positief wettelijk bewijsstelsel: de rechter is bij een minimale hoeveelheid
naar voren geschoven belastend en door de wet erkend bewijsmateriaal
verplicht om te veroordelen. Bij een bepaalde hoeveelheid wettig bewijs,
moet worden veroordeeld.
ii. Negatief wettelijk bewijsstelsel: de rechter mag weliswaar beneden een
bepaald minimum aan wettig bewijs niet veroordelen, maar is ook niet
verplicht om – tegen zijn overtuiging in – tot een veroordeling te komen
indien wel aan het vereiste wettelijke minimum is voldaan. Dus: wettelijke
bewijsmiddelen + overtuiging. Negatief wil dus zeggen dat de rechter
overtuigd moet zijn en niet verplicht is om een veroordeling te komen
ondanks voldoende wettige bewijsmiddelen.
Bij wettelijke bewijsstelsels zijn er grenzen gesteld aan de bewijsmiddelen.
NL negatief wettelijk. Art. 338 Sv. Stelt in NL eigenlijk nog maar weinig voor, want
eigenlijk is er niets dat niet valt onder art. 339 Sv. We hebben wel wettelijke bewijsmiddelen,
maar de categorieën zijn eigenlijk zo ruim dat er geen beperkende werking van uit gaat en er
dus alles onder kan vallen. In NL moet de rechter los van de wettelijke bewijsmiddelen ook
nog de overtuiging hebben
Verschil NL en Engeland wat betreft waarheidsvinding
- Engeland: formele waarheidsvinding verdediging veel actievere rol in het
presenteren van een andere versie dan de prosecutor dan in NL meer equality of
, arms. Meer aandacht voor actieve waarheidsvinding voor beide partijen. Meer
advisair/accusatoir systeem dan in NL.
NL: materiele waarheidsvinding.
- Engeland: jury oordeelt over de waarheid
NL: professionele rechter oordeelt over de waarheid
Engeland: twee partijen op voet van gelijkheid tegenover elkaar en de jury beslist wat
waarheid is.
Week 2 Hoofdlijnen Nederlands bewijsrecht
Unus testis
Art. 342 lid 2 Sv brengt geen motiveringsvoorschrift met zich. Maar: bij de toetsing in
cassatie kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat aan de bewijsminimumregel
is voldaan nader heeft gemotiveerd. Met de motivering kan de feitenrechter inzichtelijk
maken waarom bepaald bewijsmateriaal wordt gebezigd en waarom de rechter tot het
oordeel is gekomen dat voldoende steunbewijs aanwezig is. De selectie en de waardering
van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Daarmee is de vraag of aan
de unus testis-regel is voldaan grotendeels ook een feitelijk vraagstuk. De Hoge Raad zal de
selectie van het bewijsmateriaal respecteren, en de waardering daarvan ook, zolang het
uiteindelijke oordeel – in dit geval met betrekking tot het bewijsminimum – niet
onbegrijpelijk is.
Tot slot brengt de Hoge Raad sinds 2010 in zijn standaardoverweging tot uitdrukking dat de
unus testis nullus testis-regel ziet op de tenlastelegging in zijn geheel en niet op een
onderdeel daarvan. Dat betekent dat het steunbewijs niet hoeft te zien op de kern van de
tenlastelegging – het daderschap van de verdachte.
Eigen waarneming rechter
- Waarneming dient te zijn gedaan ttz
- Dit is omdat de verdediging en het OM de waarneming ook zelf kunnen doen en de
gelegenheid hebben om zich over de mogelijke waarnemingen uit te laten.
- Verrassingscriterium art. 301 lid 4: de rechtbank is gehouden de waarneming ter
sprake te brengen (verrassingscriterium), tenzij het een waarneming is die iedereen
kan doen. Artikel 301 lid 4 Sv vereist immers dat belastende stukken tijdens de zitting
aan de verdachte worden voorgehouden. De achtergrond van deze bepaling is dat de
verdediging kennis moet kunnen nemen van het belastende bewijs, en daaraan
gerelateerd, binnen het contradictoire strafgeding de mogelijkheid moet krijgen om
zich over de belastende informatie uit te spreken.
Feiten van algemene bekendheid
Art 339 lid 2 ‘.... Behoeven geen bewijs” hoeven niet uit wettige bewijsmiddelen te
blijken, hoeven dus ook niet ter terechtzitting aan de orde te zijn gesteld, hoeven niet in het
vonnis te worden aangeduid, hoeven niet te worden vastgesteld door de feitenrechter.
Definitie: die gegevens die ieder van de rechtstreeks bij het geding betrokken geacht moet
worden te kennen of die hij zonder noemenswaardige moeite uit algemeen toegankelijke
bronnen kan achterhalen
, - Onderdelen hoeven niet bij iedereen in Nederland algemeen bekend te zijn wat in
eerste aanleg van algemene bekendheid is, hoeft dat in hoger beroep niet te zijn (en
omgekeerd). vb. een plaatselijke situatie
- De hoge Raad vindt voorts voldoende dat sprake is van bekendheid binnen een
bepaalde groep van personen.
- Rechter kan op basis van art. 6 evrm gehouden zijn om te verwoorden wat en
waarom hij als gegevens van algemene bekendheid beschouwt, ten einde de
verdachte in staat te stellen zijn recht ‘to challenge the evidence’ geldend te maken.
Vijf gezichtspunten voor het gebruiken van internetinformatie als een feit van algemene
bekendheid
• De bekendheid van de internetbron,
Zal eerder aangenomen worden als de internetbronnen door een van de
procesdeelnemers zijn ingebracht. Ten aanzien van websites die niet door partijen
zijn ingebracht zal de rechter zich moeten afvragen of hij er redelijkerwijs van uit kan
gaat dat vrijwel elke Nederlander ze wel eens raadpleegt.
• De betrouwbaarheid van de bron
Gaat het om een internetpagina van een betrouwbare overheid of organisatie of van
een persoon een met bedenkelijke reputatie?
• De eenduidigheid van de gevonden informatie
Informatie voor meerdere uitleg vatbaar?
• deskundigheid vereist voor het interpreteren van de informatie?
Complexiteit van de informatie feiten van algemene bekendheid veronderstellen
geen specialistische kennis.
• Het aandeel van het feit van algemene bekendheid in de bewijsvoering.
Wil de rechter een na de zitting gevonden gegeven gebruiken om aan de verdachte
een zekere wetenschap toe te rekenen, dan zal hij eerder tegenspraak moeten
organiseren dan wanneer het gaat om het onderbouwen van onderdelen van de
bewijsvoering die niet de kern van de ten laste gelegde norm raken. Daarbij kan het
bijvoorbeeld gaan om de weerlegging van een alibi, het onderbouwen van de
(on)betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige, het bepalen van een
plaatselijke verkeerssituatie of het bepalen van een afstand.
DNA als enige bewijsmiddel
De Groot: Als in een strafzaak het enig bewijsmiddel dat de verdachte in verband brengt met
het strafbare feit een databanktreffer is van een maximaal zeldzaam DNA-profiel uit het
spoor met het DNA-profiel van de verdachte, en dat spoor is naar gangbare praktische logica
delictgerelateerd dan was de verdachte de dader. Dat komt door de beredeneerde
delictrelatie en de extreme, onaardse zekerheid van de match. Dat is alleen anders als de
verdachte een alternatief scenario naar voren brengt dat concreet, niet op voorhand
ongeloofwaardig en onderzoekbaar is.