Hoofdstuk 5 Afdeling 1 Inleiding in het Nederlandse recht
We onderscheiden tussen algemeen bestuursrecht en bijzonder bestuursrecht. Dat
laatste begrip betreft de regels over de verschillende, specifieke deelterreinen van
het bestuursrecht, zoals het milieurecht, het belastingrecht en het sociaal
zekerheidsrecht. Het algemeen deel van het bestuursrecht is neergelegd in de
Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Awb bevat regels die voor het hele
bestuursrecht van toepassing zijn.
De uitoefening van het bestuursrecht geschiedt door bestuursorganen. Art. 1:1 lid 1
Awb.
A-orgaan
‘’een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld’’ art. 1:1
lid 1 sub a Awb. Zij vormen de kern van het bestuursapparaat en staan opgesomd in
art. 2:1 lid 1 BW: de Staat, de provincies, de gemeenten, de waterschappen en alle
lichamen bij of waaraan krachtens de Grondwet (art. 134 Gw) rechtspersoonlijkheid
is toegekend. Wordt mee bedoeld openbare lichamen voor beroep en bedrijf, zoals
de Sociaal-Economische Raad en de Nederlandse Orde van Advocaten (art. 17 lid 1
Advocatenwet).
B-orgaan
‘’een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed’’ art. 1:1 lid 1 sub b
Awb. Zij oefenen hun bevoegdheid uit op een specifiek terrein van het
maatschappelijk leven. Vaak, maar niet altijd zijn dit colleges en personen van
privaatrechtelijke rechtspersonen die met enig openbaar gezag zijn bekleed, zoals
De Nederlandsche Bank NV, het Nederlands Meetinstituut NV dat snelheidsmeters
van de politie keurt en daarover een verklaring afgeeft. Een ‘ander persoon’ die met
openbaar gezag is bekleed is de garagehouder o.g.v. art. 85a Wegenverkeerswet
1994 voor auto’s een Apk-keuring mag afgeven.
Art. 1:1 lid 2 Awb zijn GEEN bestuursorgaan en vallen niet onder de werking van de
Awb.
1 Handelingen van bestuursorganen
Bestuursorganen kunnen twee soorten handelingen verrichten die voor het recht van
belang zijn: feitelijke handelingen en publiekrechtelijke rechtshandelingen.
Feitelijke handelingen van een bestuursorgaan zijn handelingen met een
rechtsgevolg, ongeacht de wil van het bestuursorgaan. Te denken valt het
onderhoud aan wegen, bruggen, dijken en waterwegen. Soms gaat het mis, bij het
openbreken van een weg wordt er onzorgvuldig gehandeld waardoor er bij iemand
schade ontstaat. Dan is het bestuursorgaan aansprakelijk voor de schade. Het
toebrengen van schade is een feitelijke handeling met als rechtsgevolg
aansprakelijkheid wegens schade (onrechtmatige overheidsdaad). Er zijn ook
rechtmatige overheidsdaden: straat openbreken waardoor winkels minder omzet
draaien. Ook hier is de burgerlijke rechter bevoegd.
Privaatrechtelijke rechtshandelingen
, Dit zijn handelingen met een beoogd rechtsgevolg. Zij sluiten koopovereenkomsten
voor kantoormeubilair en huurovereenkomsten. Dan gelden de gewone
privaatrechtelijke regels over koop en huur.
Publiekrechtelijke rechtshandelingen hebben twee aspecten: publiekrechtelijk en
rechtshandeling. Publiekrechtelijk is dat het bestuursorgaan binnen de hem exclusief
toegekende overheidsbevoegdheid optreedt. Een rechtshandeling is een handeling
gericht op enig rechtsgevolg. We spreken dan van een beoogd rechtsgevolg: het
bestuursorgaan wenst dat een bepaald rechtsgevolg ontstaat. Voorbeeld: opleggen
aanslag onroerende zaakbelasting (OZB) en een vergunning verlenen.
Publiekrechtelijke rechtshandelingen van bestuursorganen worden onderscheiden in
Awb-besluiten en besluiten die niet onder de werking van de Awb vallen: Awb
besluiten: art. 1:3 lid 1 Awb. Het gaat om besluiten van zowel a-organen als b-
organen.
Besluiten door publiekrechtelijk orgaan, maar die geen Awb-besluiten zijn omdat
het betreffende orgaan geen b.o. in de zin van de Awb is. Zij behoren tot de organen
van art. 1:1 lid 2 Awb. Voorbeeld: strafoplegging door de strafrechter. En besluiten
zonder rechtsgevolg: brief over 2 keer oppakken met drank achter het stuur is
e
rijbewijs kwijt. Dit was alleen informatie over de gevolgen van een tweede
alcoholmisdrijf.
Awb-besluiten
In art. 1:3 Awb staan 4 definities. Alleen de beschikking is een rechtsvaststelling in
een individueel geval.
De belangrijkste besluiten die vallen onder de werking van art. 1:3 lid 1 Awb zijn de
algemeen verbindende voorschriften (AVV) die een bestuursorgaan maakt.
Hiertoe behoren ook lagere wetgevers, zoals AMvB’s van de regering, ministeriële
regelingen van de ministers en verordeningen van provincies en gemeenten. Als
voorbeeld een APV van de gemeente. Deze bevat algemeen verbindende
voorschriften voor de inwoners en bezoekers van een gemeente en valt dus onder
de werking van de Awb. Hoogste wetgeving afkomstig van de regering en de Staten-
Generaal tezamen zijn geen besluiten in de zin van de Awb door art. 1:1 lid 2 Awb
geen bestuursorgaan.
AVV’s hebben met elkaar gemeen dat ze van toepassing zijn in een onbepaald
aantal gevallen. Dat laatste ontbreekt in de tweede categorie van Awb-besluiten: de
andere besluiten van algemene strekking die geen avv’s zijn. Het gaat hier om
besluiten die betrekking hebben op de werkingssfeer of het toepassingsbereik van
reeds bestaande algemeen verbindende voorschriften. Dit zijn
aanwijzingsbesluiten. Voorbeeld: er is in een gemeentelijke verordening verboden
om honden aangelijnd te laten lopen. Het college van B&W wijst hierop zones toe
waar wél honden aangelijnd mogen rondlopen. Ze wijzen hierbij de plekken aan op
een bestaand besluit. Ook bij parkeerverbod (gebaseerd op een AMvB). Het bestaat
al, maar invulling aan gegeven.