Week 1
1A: Inleiding in wetenschappelijk onderzoek
1: Wat is wetenschappelijk?
• Systematisch: er is een plan, stappen gemaakt.
• Navolgbaar vanwege de gemaakte plannen.
• Kritisch: de onderzoeker heeft een kritische houding naar onderzoeken uit het verleden en
zijn eigen werk.
2: Doelen van onderzoek
Wetenschappelijk onderzoek kan verschillende doelen hebben. De belangrijkste doelen kun je
indelen in drie categorieën:
1. Beschrijven: beschrijven hoe een verdeling op een bepaald kenmerk is. Bijvoorbeeld op
welke partij iemand wil stemmen.
2. Voorspellen: het gaat om relaties. Er worden relaties gelegd tussen verschillende
kenmerken. Bijvoorbeeld economische status en de politieke voorkeur van iemand. Zijn
er twee dingen die gelijktijdig voorkomen?
3. Verklaren: het gaat er niet alleen om of twee dingen tegelijk voorkomen, maar het gaat om
de oorzaken van bepaald gedrag.
Alle drie de doelen zijn belangrijk en hebben hun eigen rol. Je kunt niet verklaren zonder te
beschrijven en te kijken naar relaties. Elke vorm van onderzoek heb je nodig binnen je onderzoek.
Met theorieën kun je gaan toetsen.
3: Soorten onderzoek
Er zijn verschillende soorten onderzoek.
1. Beschrijvend: wat bestaat er in een bepaalde groep bij een bepaald kenmerk?
2. (Cor)relationeel: je kijkt naar relaties. Komen dingen tegelijkertijd voor?
3. Experimenteel: je kijkt naar oorzaken. Waar komt een gedrag van een kind vandaan? Dit is
onderzoek waarin je iets probeert te veranderen (manipuleren) en kijkt of er iets mee
veranderd. Bijvoorbeeld twee groepen kinderen verschillende soorten films (agressief+
gezellig) laten kijken en daarna kijken hoe het gedrag is veranderd. De indeling van de
groepen moet gebeuren op basis van toeval.
4. Quasi-experimenteel: random groepen indelen is niet mogelijk. Bijvoorbeeld onderzoek
naar roken en gedrag bij jongeren. Je kunt jongeren niet dwingen om in een rokersgroep te
gaan. Je kunt bij dit soort onderzoek lastig conclusies trekken omdat er ook andere
verschillen zijn tussen de deelnemers. Veel variabelen kunnen meespelen.
Het doel van experimenteel en quasi-experimenteel onderzoek is hetzelfde: kijken wat de
oorzaak-gevolg relatie is. Maar bij experimenteel onderzoek kun je de oorzaken en gevolgen beter
vertellen omdat er bij quasi-experimenteel onderzoek meer variabelen meespelen. Een quasi-
experiment weet je al van tevoren dat hetgeen je gaat onderzoeken, het lastig is om random
groepen te maken. Vanwege praktische en ethische bezwaren kan het geen experiment zijn.
1
,Om te zien om wat voor onderzoek het gaat, moet er gekeken worden naar de methode en opzet
van het onderzoek. Je kunt dus niet aan de conclusie zien wat voor onderzoek het is.
4: Definities
- Conceptuele definitie: gaat over wat een concept theoretisch betekent. Bijvoorbeeld
agressie.
- Operationele definitie: hoe meet je een concept.
Je wilt iets meten (begrip zoals bedoeld) -> je gebruikt een operationalisatie om te meten -> begrip
zoals bepaald
Als je goed hebt gemeten en de operationalisatie goed gewerkt heeft, dan lijken het begrip zoals
bedoeld en bepaald erg op elkaar. Een verschil kan ontstaan door een verkeerde meting.
5: Hoe werkt sociale wetenschap?
Je begint met ideeën die je hebt over de werkelijkheid -> theorie. Een theorie bestaat uit
verschillende hypothesen. Een wetenschapper probeert het aannemelijk te maken dat die theorie
klopt. Hij loopt wel tegen 2 problemen:
1. Het bewijzen van een theorie is logisch onmogelijk.
2. Het falsificeren van een theorie is praktisch onmogelijk.
Een detective onderzoekt een moord. Zijn theorie: Jack is de moordenaar. Hij wil die theorie
bewijzen. Hypothese: Jack was op het feest. Hij gaat iedereen die op het feest was bevragen of
Jack er was. Jack is door iedereen gezien. De hypothese is bevestigd. De hypothese is nog niet
bewezen. Er kunnen nog meer hypothesen zijn. Het vaststellen van een theorie is niet gelijk
gebeurd wanneer een hypothese is bevestigd.
Voldoende bewijs heb je bij herhaald onderzoek.
6: Herhaald meten
Replicatie:
- In dezelfde context
- In verschillende contexten
Methodologisch pluralisme (herhaalonderzoek d.m.v. verschillende methoden):
- Meerdere theoretische benaderingen
- Meerdere designs/meetmethoden
- Meerdere meetinstrumenten
7: Onderzoek in de praktijk
Een onderzoek bestaat uit verschillende fasen:
1. Vragen opstellen
2. Theorie -> hypothesen
3. Ontwerpen
4. Meten en analyseren
5. Concluderen
6. Wetenschappelijk artikel
2
,8+9: Opzet artikel
• Inleiding: literatuuroverzicht, onderzoeksvragen + hypothesen
• Methoden: steekproefbeschrijving, procedure, meetinstrumenten voor elke variabele,
analysemethoden
• Resultaten: uitkomsten van analyses, GEEN gevolgtrekkingen
• Discussie: algemene samenvatting/conclusie, link naar literatuur, beperkingen
onderzoek, suggesties vervolgonderzoek, implicaties voor de praktijk
10: Empirische cyclus
Elk wetenschappelijk onderzoekt loopt in een soort cirkel. Dit wordt de empirische cyclus
genoemd. Je begint steeds met het observeren van specifieke waarnemingen. Je leidt hier een
theorie uit (inductie). Uit de theorie kun je verwachtingen afleiden.
3
, 1B: Meten van variabelen
1: Wat gaan we meten?
Een variabele is een kenmerk (van personen) dat je meet in onderzoek en dat varieert. Een
variabele kan variëren tussen mensen in je onderzoek. Er zijn verschillende soorten variabelen:
1. Onafhankelijk: oorzaak
2. Afhankelijk: gevolg
➔ Onderscheid niet altijd te maken. Soms zijn alle variabelen even belangrijk en is er
geen oorzaak-gevolgrelatie tussen variabelen.
Samengestelde variabelen zijn theoretisch interessant.
2: De dataset
Kenmerken die je hebt gemeten, zet je in een dataset. Je kunt een dataset zo uitvoerig maken als
dat je wil.
3: Meetniveaus
Wat je met een variabele precies kunt doen, hangt af van het meetniveau van een variabele. Er zijn
vier soorten meetniveaus:
1. Nominaal: geen vaste volgorde, geen gelijke afstanden, geen absoluut nulpunt. Het zijn
waarden die geen waarden hebben, maar labels. Bijvoorbeeld het favoriete fruit van
kinderen. Zijn vaak voorwerpen.
2. Ordinaal: deelt mensen in categorieën in met een vaste volgorde. Geen gelijke afstanden
en geen absoluut nulpunt. Bijvoorbeeld een vragenlijst met punten van 1-5.
3. Interval: vaste volgorde, gelijke afstanden en geen absoluut nulpunt.
4. Ratio: vaste volgorde, gelijke afstanden en absoluut nulpunt. Bijvoorbeeld het meten van
leeftijd. Er is een absoluut nulpunt want je kunt niet -jaren zijn.
De kenmerken waar je naar kijkt zijn: vaste volgorde, gelijke afstanden en absoluut nulpunt.
Nominaal en ordinaal vallen onder categorisch. Interval en ratio vallen onder numeriek. De
getallen geven iets aan.
4: Discreet en continu
Een variabele kan discreet of continu gemeten zijn. Discrete variabelen zijn gemeten in
categorieën waar niets tussen zit. Dat zijn categorische variabelen. Het aantal kinderen meet je in
hele aantallen.
4