Hilde Spaan
2755978
Opdracht 1
A. Kies een bekende theorie uit je eigen discipline (antropologie,
communicatiewetenschap,politicologie of sociologie) waar je in eerdere vakken over hebt
geleerd. Vat de theorie of het resultaat in enkele zinnen samen en bespreek dan of en hoe
je een of meer van Risjords drie centrale thema’s in de filosofie van de sociale
wetenschappen – naturalisme, reductionisme en normativiteit– erin herkent.
Een bekende sociologische theorie is het symbolisch interactionisme. Deze theorie is
ontwikkeld door George Herbert Mead, en later uitgewerkt door Herbert Blumer. Deze theorie
stelt dat sociale realiteit wordt gecreëerd en gevormd door interacties tussen individuen.
Betekenis ontstaat hierbij door gedeelde symbolen en taal. Mensen geven dus actief betekenis
aan hun sociale omgeving op basis van interpretaties en reacties van anderen.
Risjord schrijft over drie thema’s in de filosofie van de sociale wetenschappen: naturalisme,
reductionisme en normativiteit. Deze drie thema’s kunnen we herkennen binnen het symbolisch
interactionisme
Naturalisme: Symbolisch interactionisme verzet zich tegen de strikt naturalistische benadering,
omdat het menselijke interacties en betekenissen niet als universele natuurwetten beschouwt.
In plaats daarvan richt de theorie zich op subjectieve ervaringen en hoe de sociale realiteit
voortdurend wordt geconstrueerd.
Reductionisme: De theorie kan worden gezien als anti-reductionistisch omdat ze sociale
fenomenen niet reduceert tot biologische of psychologische factoren. In plaats daarvan bedrukt
symbolisch interactionisme juist de rol van sociale interactie en gedeelde betekenisgeving.
Normativiteit: De theorie kan niet strikt gedefinieerd worden als normatief, maar ze heeft wel
impliciet een normatieve component omdat ze onderzoekt hoe betekenisgeving sociale
structuren en ongelijkheden in stand kan houden of veranderen. Door te laten zien hoe sociale
normen en rolverwachtingen worden geconstrueerd, biedt ze inzichten in machtsverhoudingen
en sociale verandering.
In het hoorcollege zijn twee verschillende demarcatiecriteria besproken; criteria die een
grens trekken tussen wetenschap en niet-wetenschap. (Zie ook de hoofdstukken van
Godfrey-Smith uit de digitale reader voor deze demarcatiecriteria.)
B. Ga na of de theorie die je bij onderdeel a besproken hebt, voldoet aan het
verificatiecriterium en aan het falsificatiecriterium. M.a.w., zijn er empirische observaties
en experimenten die deze theorie kunnen verifiëren en falsifiëren? Leg kort uit wat de
, twee demarcatiecriteria inhouden en bespreek zo concreet mogelijk (met voorbeelden)
wat voor observaties en experimenten relevant zouden zijn voor beide criteria.
Verificatiecriterium: Stelt dat een theorie wetenschappelijk is als ze empirisch kan worden
bevestigd door waarnemingen of experimenten. Een theorie moet dus toetsbare uitspraken
doen die in overeenstemming zijn met empirische gegevens
- Het symbolisch interactionisme kan worden ondersteund door empirische studies door
observaties te leveren die overeenkomen met de theorie.
→ Voorbeeld: Er kan etnografisch onderzoek worden gedaan waarbij onderzoekers
participeren in sociale interacties en vastleggen hoe individuen betekenissen
construeren. Interviews en participerende observaties kunnen aantonen hoe gedeelde
symbolen en taal sociale relaties beïnvloeden.
Falsificatiecriterium: Stelt dat een theorie wetenschappelijk is als ze weerlegbaar is door
empirische observaties. Dit betekent dat er denkbare waarnemingen of experimenten moeten
zijn die de theorie kunnen tegenspreken. Als een theorie in principe niet weerlegbaar is, valt het
onder metafysica, en niet onder wetenschap.
- Het falsificeren van symbolisch interactionisme is lastig. De theorie is vrij open en vaak
biedt het achteraf verklaringen voor sociaal gedrag. Theoretisch zou men de theorie
kunnen weerleggen door te tonen dat sociale interactie geen rol speelt in
betekenisgeving, maar dit is moeilijk empirisch vast te stellen.
→ Voorbeeld: Een mogelijke poging zou zijn om te onderzoeken of mensen zonder
sociale interactie nog steeds complexe betekenissystemen ontwikkelen. Bijvoorbeeld bij
individuen die in extreme isolatie zijn opgegroeid. Als zulke mensen toch gedeelde
symbolen ontwikkelen, zou dat een probleem vormen voor de theorie.
Symbolisch interactionisme voldoet dus slechts beperkt aan het verificatie- en
falsificatiecriterium