Samenvatting boek ‘Anders kijken’
H1: Het karakter en de plaats van de systeemtheorie
Theorieën over menselijk gedrag:
Psychoanalyse van Freud
Drie ontwikkelingsfasen: orale fase, anale fase en fallische/genitale fase.
Persoonlijkheidsmodel:
- Es: driften, impulsen en seksualiteit, die voortdurend de aandacht van de persoon vragen.
- Ich: sturende en coördinerende functie, bemiddelen tussen Es en Uber-ich.
- Uber-ich: het ‘wetboek’ van de persoonlijkheid, waarden, normen en geboden en verboden van de
samenleving verinnerlijkt. Het Uber-ich houdt toezicht op het gedrag van de persoon.
De mens moet in zijn leven in het reine zien te komen tussen het lustprincipe (zoveel mogelijk genieten) en het
realiteitsprincipe (grenzen aan de realisering van het lustprincipe): taak van het Ich.
Behaviorisme
Alle gedrag is aangeleerd.
Conditionering: gedrag als reactie op een prikkel (speeksel als reactie op voedsel).
Operante conditionering: gedrag dat spontaan voortkomt uit het organisme, zonder dat het duidelijk is dat
hieraan een prikkel vanuit de omgeving voorafgaat. (voorbeeld duif: pikt rond, drukt toevallig op knop, krijgt
voer, pikt daarna vaker op de knop).
Gedragstherapie: therapievorm waarbij gewenst gedrag wordt aangeleerd en ongewenst gedrag afgeleerd.
Humanistische psychologie
De nadruk ligt op de mogelijkheid van de mens om te kiezen en zich te ontplooien.
Mensen hebben de aangeboren behoefte aan groei en zelfontplooiing of -verwerkelijking.
Behoeftenhierarchie (in deze volgorde, eerst lagere type bevredigen voordat een hoger type gerealiseerd kan
worden):
1. Fysieke behoeften: eten, drinken en seksualiteit.
2. Behoefte aan veiligheid: dak boven je hoofd, verzorging van ouders, afwezigheid van oorlog.
3. Behoefte aan liefde, affectie en de behoefte om bij andere mensen te horen.
4. Behoefte aan achting en waardering, bijv. door bevestiging en respect.
5. Behoefte aan zelfverwerkelijking: zelfkennis, psychologisch inzicht in eigen persoonlijkheid. (volgens
Maslow komt de mens pas bij de bedoeling en zin van zijn bestaan als hij deze behoefte serieus
neemt).
Belangrijkste is volgens Maslow belangstelling voor spiritualiteit, religie en zingeving.
Systeemtheorie
De systeemtheorie heeft niet het individu, maar het individu in zijn omgeving tot onderwerp.
De systeemtheorie heeft een interpersoonlijke benaderingswijze.
Het onderzoeksterrein van de systeemtheorie is het interpersoonlijke relatie patroon, het netwerk van relaties
binnen het systeem waartoe de persoon behoort, het communicatiepatroon en de wijze waarop wordt
gecommuniceerd.
Synthetische benaderingswijze: holistische wijze van kijken naar dingen of elementen, vanuit het grotere
geheel.
Belangrijke namen in de systeemtheorie: Katz, Kahn, Watzlawick, Bateson.
De kern van de systeemtheorie in 5 principes:
1. Het geheel is meer dan de som van de delen; het systeem heeft een eigen karakter dat niet te
herleiden is tot de eigenschappen van de delen (personen).
2. Binnen het systeem (geheel, bijv. gezin) zijn de delen van elkaar afhankelijk. In een systeem hangt alles
met elkaar samen.
3. Het gedrag van het individu wordt mede bepaald door het systeem.
4. Het systeem probeert zich op allerlei manieren aan te passen aan zijn omgeving, omdat het wil
overleven.
5. Systemen hebben de neiging en de behoefte om te overleven.
1
, In de systeemtheorie worden de factoren die gedragingen van mensen beïnvloeden niet in de persoon zelf
gezocht, maar in de werking van het systeem en in de wisselwerking tussen personen. De systeemtheorie heeft
een sterk de-individualiserend karakter.
Motieven, bedoelingen en intenties zijn niet belangrijk in de systeemtheorie. De systeemtheorie heeft
belangstelling voor zichtbare zaken: gedrag, relaties, coalities, relatiepatronen en de wijze waarop het systeem
probeert te voldoen aan de door zichzelf gestelde norm.
Ook gaat het uit van hier en nu, niet van het verleden.
De systeemtheorie is een metatheorie, een theorie van een hoger abstractieniveau; een benaderingswijze.
Termen uit de systeemtheorie
Informatie: voortdurende stroom van verbale en non-verbale, onbewuste en bewuste signalen die mensen
uitzenden en ontvangen.
Feedback: alle processen van informatieterugkoppeling en verwerking. Andere betekenis dan in het algemeen
spraakgebruik.
- Negatieve feedback: draagt bij aan het behouden van de situatie, aan het voortbestaan van de
bestaande toestand van het systeem. Erop gericht veranderingen tegen te gaan (met ‘negatieve’
wordt niet slecht of zoiets dergelijks bedoelt).
- Positieve feedback: erop gericht dat het systeem verandert en dat een bepaalde systeemnorm die tot
dan toe gold, wordt losgelaten.
Herhaling: het kenmerk waaraan een systeem te herkennen is.
Beperking: gedragsmogelijkheden die niet meer tot de waarschijnlijke opties horen, omdat een systeem een
vast patroon heeft ontwikkelt.
Dit zorgt voor vertrouwdheid, zekerheid en voorspelbaarheid van de situatie. Deze steeds grotere
voorspelbaarheid wordt redundantie genoemd. Redundantie en patroon zijn synoniemen in de
systeemtheorie.
Vier begrippen met dezelfde betekenis: communicatie = interactie = gedrag = beïnvloeding.
Alle gedrag is communicatie, ook asociaal gedrag.
Lineaire causaliteit: A veroorzaakt B.
Circulaire causaliteit: oorzaak = gevolg = oorzaak = gevolg etc. Van deze vorm van oorzakelijkheid is binnen de
systeemtheorie sprake.
H2: Het systeembegrip en de belangrijkste kenmerken van open systemen
Systeem: een samenstel van elementen en van betrekkingen tussen die elementen, dat als geheel functioneert
door de onderlinge afhankelijkheid van de elementen en dat voor de betrokken elementen bepaalde functies
vervult.
Niveaus: de niveaus waarop systemen en hun delen worden geformuleerd variëren per situatie. Worden in
eerste instantie bepaald door de belangstelling en de invalshoek van degene die het systeem beschrijft of
bestudeert.
Tijdselement: een systeem heeft altijd een zekere wordingsgeschiedenis, die een bepaalde tijdsduur impliceert.
Een systeem moet tot ontwikkeling komen.
Totaliteit of systeemsamenhang: duidt aan dat als er een verandering optreedt in een deel van het systeem,
dat zijn weerslag heeft op het gehele systeem. Deze verandering zal ook veranderingen teweeg brengen in
andere delen van het systeem; alles hangt met alles samen.
Niet-optelbaarheid: het karakter en de eigenschappen van het systeem die niet herleid kunnen worden tot de
eigenschappen van de individuele leden van het systeem, omdat het om eigenschappen gaat van het systeem.
Ook wel ‘meer dan optelbaarheid’ genoemd.
Subsysteem: een willekeurige samenstelling van twee of meer leden van het systeem (bijv. ouders, kinderen,
echtgenoten).
Coalitie: een subsysteem van twee of meer leden van het systeem dat wordt gekenmerkt door
gemeenschappelijke intenties, belangen en gemeenschappelijke inspanningen om deze intenties te
verwezenlijken (niet bedoelt als samenzweringen of op een negatieve wijze).
Homeostase: evenwicht.
Definitie 2: toestand van dynamisch evenwicht die gekenmerkt wordt door veelvuldige onderlinge afhankelijke
acties van de leden van het systeem, die erop gericht zijn de doelen of normen die voor het betreffende
systeem gelden te realiseren. Impliceert trouw aan de norm en aan de samenwerking met betrekking tot
2
H1: Het karakter en de plaats van de systeemtheorie
Theorieën over menselijk gedrag:
Psychoanalyse van Freud
Drie ontwikkelingsfasen: orale fase, anale fase en fallische/genitale fase.
Persoonlijkheidsmodel:
- Es: driften, impulsen en seksualiteit, die voortdurend de aandacht van de persoon vragen.
- Ich: sturende en coördinerende functie, bemiddelen tussen Es en Uber-ich.
- Uber-ich: het ‘wetboek’ van de persoonlijkheid, waarden, normen en geboden en verboden van de
samenleving verinnerlijkt. Het Uber-ich houdt toezicht op het gedrag van de persoon.
De mens moet in zijn leven in het reine zien te komen tussen het lustprincipe (zoveel mogelijk genieten) en het
realiteitsprincipe (grenzen aan de realisering van het lustprincipe): taak van het Ich.
Behaviorisme
Alle gedrag is aangeleerd.
Conditionering: gedrag als reactie op een prikkel (speeksel als reactie op voedsel).
Operante conditionering: gedrag dat spontaan voortkomt uit het organisme, zonder dat het duidelijk is dat
hieraan een prikkel vanuit de omgeving voorafgaat. (voorbeeld duif: pikt rond, drukt toevallig op knop, krijgt
voer, pikt daarna vaker op de knop).
Gedragstherapie: therapievorm waarbij gewenst gedrag wordt aangeleerd en ongewenst gedrag afgeleerd.
Humanistische psychologie
De nadruk ligt op de mogelijkheid van de mens om te kiezen en zich te ontplooien.
Mensen hebben de aangeboren behoefte aan groei en zelfontplooiing of -verwerkelijking.
Behoeftenhierarchie (in deze volgorde, eerst lagere type bevredigen voordat een hoger type gerealiseerd kan
worden):
1. Fysieke behoeften: eten, drinken en seksualiteit.
2. Behoefte aan veiligheid: dak boven je hoofd, verzorging van ouders, afwezigheid van oorlog.
3. Behoefte aan liefde, affectie en de behoefte om bij andere mensen te horen.
4. Behoefte aan achting en waardering, bijv. door bevestiging en respect.
5. Behoefte aan zelfverwerkelijking: zelfkennis, psychologisch inzicht in eigen persoonlijkheid. (volgens
Maslow komt de mens pas bij de bedoeling en zin van zijn bestaan als hij deze behoefte serieus
neemt).
Belangrijkste is volgens Maslow belangstelling voor spiritualiteit, religie en zingeving.
Systeemtheorie
De systeemtheorie heeft niet het individu, maar het individu in zijn omgeving tot onderwerp.
De systeemtheorie heeft een interpersoonlijke benaderingswijze.
Het onderzoeksterrein van de systeemtheorie is het interpersoonlijke relatie patroon, het netwerk van relaties
binnen het systeem waartoe de persoon behoort, het communicatiepatroon en de wijze waarop wordt
gecommuniceerd.
Synthetische benaderingswijze: holistische wijze van kijken naar dingen of elementen, vanuit het grotere
geheel.
Belangrijke namen in de systeemtheorie: Katz, Kahn, Watzlawick, Bateson.
De kern van de systeemtheorie in 5 principes:
1. Het geheel is meer dan de som van de delen; het systeem heeft een eigen karakter dat niet te
herleiden is tot de eigenschappen van de delen (personen).
2. Binnen het systeem (geheel, bijv. gezin) zijn de delen van elkaar afhankelijk. In een systeem hangt alles
met elkaar samen.
3. Het gedrag van het individu wordt mede bepaald door het systeem.
4. Het systeem probeert zich op allerlei manieren aan te passen aan zijn omgeving, omdat het wil
overleven.
5. Systemen hebben de neiging en de behoefte om te overleven.
1
, In de systeemtheorie worden de factoren die gedragingen van mensen beïnvloeden niet in de persoon zelf
gezocht, maar in de werking van het systeem en in de wisselwerking tussen personen. De systeemtheorie heeft
een sterk de-individualiserend karakter.
Motieven, bedoelingen en intenties zijn niet belangrijk in de systeemtheorie. De systeemtheorie heeft
belangstelling voor zichtbare zaken: gedrag, relaties, coalities, relatiepatronen en de wijze waarop het systeem
probeert te voldoen aan de door zichzelf gestelde norm.
Ook gaat het uit van hier en nu, niet van het verleden.
De systeemtheorie is een metatheorie, een theorie van een hoger abstractieniveau; een benaderingswijze.
Termen uit de systeemtheorie
Informatie: voortdurende stroom van verbale en non-verbale, onbewuste en bewuste signalen die mensen
uitzenden en ontvangen.
Feedback: alle processen van informatieterugkoppeling en verwerking. Andere betekenis dan in het algemeen
spraakgebruik.
- Negatieve feedback: draagt bij aan het behouden van de situatie, aan het voortbestaan van de
bestaande toestand van het systeem. Erop gericht veranderingen tegen te gaan (met ‘negatieve’
wordt niet slecht of zoiets dergelijks bedoelt).
- Positieve feedback: erop gericht dat het systeem verandert en dat een bepaalde systeemnorm die tot
dan toe gold, wordt losgelaten.
Herhaling: het kenmerk waaraan een systeem te herkennen is.
Beperking: gedragsmogelijkheden die niet meer tot de waarschijnlijke opties horen, omdat een systeem een
vast patroon heeft ontwikkelt.
Dit zorgt voor vertrouwdheid, zekerheid en voorspelbaarheid van de situatie. Deze steeds grotere
voorspelbaarheid wordt redundantie genoemd. Redundantie en patroon zijn synoniemen in de
systeemtheorie.
Vier begrippen met dezelfde betekenis: communicatie = interactie = gedrag = beïnvloeding.
Alle gedrag is communicatie, ook asociaal gedrag.
Lineaire causaliteit: A veroorzaakt B.
Circulaire causaliteit: oorzaak = gevolg = oorzaak = gevolg etc. Van deze vorm van oorzakelijkheid is binnen de
systeemtheorie sprake.
H2: Het systeembegrip en de belangrijkste kenmerken van open systemen
Systeem: een samenstel van elementen en van betrekkingen tussen die elementen, dat als geheel functioneert
door de onderlinge afhankelijkheid van de elementen en dat voor de betrokken elementen bepaalde functies
vervult.
Niveaus: de niveaus waarop systemen en hun delen worden geformuleerd variëren per situatie. Worden in
eerste instantie bepaald door de belangstelling en de invalshoek van degene die het systeem beschrijft of
bestudeert.
Tijdselement: een systeem heeft altijd een zekere wordingsgeschiedenis, die een bepaalde tijdsduur impliceert.
Een systeem moet tot ontwikkeling komen.
Totaliteit of systeemsamenhang: duidt aan dat als er een verandering optreedt in een deel van het systeem,
dat zijn weerslag heeft op het gehele systeem. Deze verandering zal ook veranderingen teweeg brengen in
andere delen van het systeem; alles hangt met alles samen.
Niet-optelbaarheid: het karakter en de eigenschappen van het systeem die niet herleid kunnen worden tot de
eigenschappen van de individuele leden van het systeem, omdat het om eigenschappen gaat van het systeem.
Ook wel ‘meer dan optelbaarheid’ genoemd.
Subsysteem: een willekeurige samenstelling van twee of meer leden van het systeem (bijv. ouders, kinderen,
echtgenoten).
Coalitie: een subsysteem van twee of meer leden van het systeem dat wordt gekenmerkt door
gemeenschappelijke intenties, belangen en gemeenschappelijke inspanningen om deze intenties te
verwezenlijken (niet bedoelt als samenzweringen of op een negatieve wijze).
Homeostase: evenwicht.
Definitie 2: toestand van dynamisch evenwicht die gekenmerkt wordt door veelvuldige onderlinge afhankelijke
acties van de leden van het systeem, die erop gericht zijn de doelen of normen die voor het betreffende
systeem gelden te realiseren. Impliceert trouw aan de norm en aan de samenwerking met betrekking tot
2