B2 Leerdoelen
Leerdoelen B2:
De student:
1. kan globaal de pathofysiologie, klinisch beloop, diagnostiek
en behandeling uitleggen van het acuut coronair syndroom,
angina pectoris, decompensatio cordis (HFPEF/HFREF) en
longembolie en de meest voorkomende hartritmestoornissen.
2. kan op basis van anamnese, lichamelijk onderzoek en
oriënterend aanvullend onderzoek een differentiaal diagnose
en behandelplan opstellen, een inschatting maken van de
urgentie en adequaat verwijzen bij patiënten met pijn op de
borst, ritmestoornissen en/of tekenen van decompensatio
cordis.
3. kan o.b.v. anamnese, lichamelijk onderzoek en eenvoudig
aanvullend onderzoek een differentiaaldiagnose en
behandelplan opstellen bij patiënten met (chronische)
decompensatio cordis.
4. kan de NYHA classificatie en de prognostische waarde
hiervan bij hartfalen uitleggen.
5. kan op een ECG de belangrijkste aanwijzingen herkennen
voor ischemie of een infarct, inclusief de globale lokalisatie
(voor-/achter-/onderwand/lateraal) en leeftijd (oud/nieuw)
6. kan op een ECG de belangrijkste aanwijzingen herkennen
voor een supraventriculaire of ventriculaire ritmestoornis.
1. Pathofysiologie, klinisch beloop, diagnostiek en behandeling
van cardiovasculaire aandoeningen
Aandoeningen:
Acuut coronair syndroom (ACS): Dit omvat myocardinfarct en
instabiele angina pectoris. Het wordt veroorzaakt door plotselinge
afsluiting van een kransslagader, wat leidt tot zuurstoftekort in het
hartweefsel. Klinisch beloop omvat pijn op de borst en mogelijke
complicaties zoals hartfalen en hartritmestoornissen. Behandeling
richt zich op het herstellen van de bloedtoevoer (bijv. met PCI of
trombolyse) en het stabiliseren van de patiënt met medicatie zoals
nitraten, bloedverdunners, en bètablokkers.
Diagnostiek:
ECG: Het eerste onderzoek bij ACS is een ECG, waarop je kunt letten
op ST-elevaties (bij een STEMI) of ST-depressies/T-top-inversies (bij
een NSTEMI of instabiele angina). Dit helpt bij het snel identificeren
van een hartinfarct en kan ook de locatie van het infarct aangeven.
Bloedonderzoek: Troponine is een belangrijke biomarker die
verhoogd is bij schade aan het hartspierweefsel, zoals bij een infarct.
Troponine kan ook worden gebruikt om onderscheid te maken tussen
instabiele angina (waarbij troponine normaal blijft) en een
myocardinfarct.
, Beeldvorming: Bij twijfel kan een echocardiogram of
coronairangiografie worden uitgevoerd om de ernst en locatie van
de vernauwingen in de kransslagaders te bepalen.
Angina pectoris: Een tijdelijke, meestal inspanningsgebonden pijn
op de borst door ischemie. Behandeling omvat medicatie zoals
nitraten en bètablokkers, en bij instabiele gevallen wordt
revascularisatie overwogen.
Diagnostiek:
ECG: Een ECG tijdens een aanval kan tekenen van ischemie laten
zien (bijv. ST-depressies), maar is vaak normaal als de aanval voorbij
is.
Inspannings-ECG (fietstest): Om angina uit te lokken en de
reactie van het hart te beoordelen onder belasting. ST-
veranderingen tijdens inspanning wijzen op zuurstoftekort in het
hart.
CT-coronairangiografie: Hiermee kan men de mate van
vernauwing in de kransslagaders visualiseren, vooral bij
twijfelachtige gevallen of bij patiënten met een verhoogd risico.
Decompensatio cordis (hartfalen): HFPEF (hartfalen met
behouden ejectiefractie) en HFREF (hartfalen met verminderde
ejectiefractie) zijn vormen van hartfalen. Klinische tekenen zijn
dyspneu, vermoeidheid en vochtretentie. De behandeling varieert
tussen medicatie zoals diuretica, ACE-remmers en bètablokkers.
Diagnostiek:
Echocardiografie: Dit is de gouden standaard om hartfalen te
diagnosticeren. Hiermee kan men de ejectiefractie (EF) meten en
beoordelen of er sprake is van HFREF (verminderde EF) of HFPEF
(behouden EF).
BNP of NT-proBNP: Deze bloedtesten meten de hoeveelheid B-type
natriuretisch peptide, dat verhoogd is bij hartfalen. Een normale
waarde maakt hartfalen minder waarschijnlijk.
Thoraxfoto: Kan tekenen van vochtophoping in de longen of een
vergroot hart laten zien, wat kan wijzen op hartfalen.
Longembolie: Een bloedprop in de longslagaders, vaak met
kortademigheid en pijn bij ademhalen als symptomen. Diagnostiek
omvat D-dimeer en CT-pulmonalisangiografie, en behandeling
bestaat uit antistolling of trombolyse.
Diagnostiek:
D-dimeer test: Verhoogde D-dimeerwaarden kunnen wijzen op een
verhoogde stollingsactiviteit, zoals bij een longembolie. Een normale
D-dimeerwaarde sluit een longembolie redelijk goed uit (hoge NVW).
CT-pulmonalisangiografie (CTPA): Een CT-scan van de longvaten
is de meest betrouwbare methode om een longembolie vast te
, stellen. Hierbij wordt contrastvloeistof ingespoten om de bloedprop
in de longvaten zichtbaar te maken.
Echocardiografie: Bij ernstige longembolie kan een echo van het
hart tekenen van rechterhartbelasting laten zien, wat ondersteunend
kan zijn voor de diagnose.
Hartritmestoornissen: Bijvoorbeeld atriumfibrilleren en
ventriculaire tachycardie, waarbij de elektrische activiteit van het
hart is verstoord. Behandeling hangt af van de aard en ernst van de
ritmestoornis, met opties zoals medicatie, cardioversie en
pacemakers.
Diagnostiek:
ECG: Het basisonderzoek bij vermoeden van hartritmestoornissen.
Een 12-kanaals ECG kan directe aanwijzingen geven voor
ritmestoornissen zoals atriumfibrilleren, ventriculaire tachycardie of
andere afwijkingen.
Holter-monitoring: Bij vermoeden van paroxismale (tijdelijke)
ritmestoornissen kan een Holter-monitor, die 24-48 uur of langer
registreert, helpen om deze aanvalsgewijze stoornissen vast te
leggen.
Event recorder: Voor langere perioden waarin een ritmestoornis
wordt verwacht, kan de patiënt een event recorder dragen om
ritmestoornissen op te sporen.
2. Differentiaaldiagnose, behandelplan en urgentie-inschatting bij
pijn op de borst, ritmestoornissen en decompensatio cordis
Bij patiënten met klachten zoals pijn op de borst of tekenen van hartfalen,
gebruik je anamnese, lichamelijk onderzoek en oriënterend onderzoek
(bijv. ECG, bloeddruk, hartenzymen).
Differentiaaldiagnose voor pijn op de borst kan angina pectoris,
myocardinfarct, pericarditis of longembolie omvatten.
Urgentie-inschatting: Beoordeel de ernst door te letten op
alarmsymptomen zoals instabiele vitale functies, ernstige pijn en
plotse ademhalingsmoeilijkheden. Dit helpt bij de beslissing om een
patiënt spoedig door te verwijzen of te behandelen.
Behandelplan: Afhankelijk van de diagnose kunnen directwerkende
medicaties (bijv. aspirine, zuurstoftoediening) of stabiliserende
behandelingen nodig zijn voordat er verdere zorg wordt verleend.
3. Differentiaaldiagnose en behandelplan bij (chronische)
decompensatio cordis
Voor patiënten met chronisch hartfalen:
Differentiaaldiagnose: Denk aan oorzaken zoals ischemische
hartziekte, hypertensie, cardiomyopathieën, en klepgebreken.
Behandelplan: Gebruik diuretica voor vochtontlasting, ACE-remmers
voor vaatverwijding en bètablokkers voor hartritmecontrole.
Patiënten moeten ook worden geadviseerd over leefstijl (bijv.
zoutbeperking, vochtbalans).
, 4. NYHA-classificatie en prognostische waarde bij hartfalen
NYHA-classificatie (New York Heart Association) classificeert
hartfalen op basis van de ernst van symptomen en de beperkingen
bij dagelijkse activiteiten:
o Klasse I: Geen beperkingen.
o Klasse II: Milde beperkingen bij inspanning.
o Klasse III: Duidelijke beperkingen bij lage inspanning.
o Klasse IV: Symptomen in rust.
Prognostische waarde: Hoe hoger de NYHA-klasse, hoe slechter de
prognose. Het wordt gebruikt om het ziektebeloop te volgen en het
behandelplan af te stemmen.
5. Belangrijkste aanwijzingen op een ECG voor ischemie of infarct,
en lokalisatie
Ischemie en infarct tekenen op ECG:
o ST-elevaties en T-top-inversies kunnen wijzen op acute
ischemie of infarct.
o Pathologische Q-golven duiden vaak op een oud infarct.
Lokalisatie:
o Voorwandinfarct: ST-elevaties in V1-V4.
o Onderwandinfarct: ST-elevaties in II, III, en aVF.
o Achterwandinfarct: ST-depressies in V1-V3 (vaak indirecte
tekenen).
Leeftijd van infarct: Een acuut infarct toont doorgaans ST-elevaties
en T-top-veranderingen, terwijl een oud infarct wordt gekenmerkt
door Q-golven.
6. Herkennen van supraventriculaire en ventriculaire
ritmestoornissen op een ECG
Supraventriculaire ritmestoornissen:
o Atriumfibrilleren: Onregelmatige, chaotische QRS-complexen
zonder duidelijke P-golven.
o Supraventriculaire tachycardie (SVT): Snelle, regelmatige
hartslag met smalle QRS-complexen.
Ventriculaire ritmestoornissen:
o Ventriculaire tachycardie (VT): Regelmatige, brede QRS-
complexen bij een hoge hartfrequentie.
o Ventriculaire fibrillatie: Chaotisch patroon zonder duidelijke
QRS-complexen, een levensbedreigende situatie.
Leerdoelen B2:
De student:
1. kan globaal de pathofysiologie, klinisch beloop, diagnostiek
en behandeling uitleggen van het acuut coronair syndroom,
angina pectoris, decompensatio cordis (HFPEF/HFREF) en
longembolie en de meest voorkomende hartritmestoornissen.
2. kan op basis van anamnese, lichamelijk onderzoek en
oriënterend aanvullend onderzoek een differentiaal diagnose
en behandelplan opstellen, een inschatting maken van de
urgentie en adequaat verwijzen bij patiënten met pijn op de
borst, ritmestoornissen en/of tekenen van decompensatio
cordis.
3. kan o.b.v. anamnese, lichamelijk onderzoek en eenvoudig
aanvullend onderzoek een differentiaaldiagnose en
behandelplan opstellen bij patiënten met (chronische)
decompensatio cordis.
4. kan de NYHA classificatie en de prognostische waarde
hiervan bij hartfalen uitleggen.
5. kan op een ECG de belangrijkste aanwijzingen herkennen
voor ischemie of een infarct, inclusief de globale lokalisatie
(voor-/achter-/onderwand/lateraal) en leeftijd (oud/nieuw)
6. kan op een ECG de belangrijkste aanwijzingen herkennen
voor een supraventriculaire of ventriculaire ritmestoornis.
1. Pathofysiologie, klinisch beloop, diagnostiek en behandeling
van cardiovasculaire aandoeningen
Aandoeningen:
Acuut coronair syndroom (ACS): Dit omvat myocardinfarct en
instabiele angina pectoris. Het wordt veroorzaakt door plotselinge
afsluiting van een kransslagader, wat leidt tot zuurstoftekort in het
hartweefsel. Klinisch beloop omvat pijn op de borst en mogelijke
complicaties zoals hartfalen en hartritmestoornissen. Behandeling
richt zich op het herstellen van de bloedtoevoer (bijv. met PCI of
trombolyse) en het stabiliseren van de patiënt met medicatie zoals
nitraten, bloedverdunners, en bètablokkers.
Diagnostiek:
ECG: Het eerste onderzoek bij ACS is een ECG, waarop je kunt letten
op ST-elevaties (bij een STEMI) of ST-depressies/T-top-inversies (bij
een NSTEMI of instabiele angina). Dit helpt bij het snel identificeren
van een hartinfarct en kan ook de locatie van het infarct aangeven.
Bloedonderzoek: Troponine is een belangrijke biomarker die
verhoogd is bij schade aan het hartspierweefsel, zoals bij een infarct.
Troponine kan ook worden gebruikt om onderscheid te maken tussen
instabiele angina (waarbij troponine normaal blijft) en een
myocardinfarct.
, Beeldvorming: Bij twijfel kan een echocardiogram of
coronairangiografie worden uitgevoerd om de ernst en locatie van
de vernauwingen in de kransslagaders te bepalen.
Angina pectoris: Een tijdelijke, meestal inspanningsgebonden pijn
op de borst door ischemie. Behandeling omvat medicatie zoals
nitraten en bètablokkers, en bij instabiele gevallen wordt
revascularisatie overwogen.
Diagnostiek:
ECG: Een ECG tijdens een aanval kan tekenen van ischemie laten
zien (bijv. ST-depressies), maar is vaak normaal als de aanval voorbij
is.
Inspannings-ECG (fietstest): Om angina uit te lokken en de
reactie van het hart te beoordelen onder belasting. ST-
veranderingen tijdens inspanning wijzen op zuurstoftekort in het
hart.
CT-coronairangiografie: Hiermee kan men de mate van
vernauwing in de kransslagaders visualiseren, vooral bij
twijfelachtige gevallen of bij patiënten met een verhoogd risico.
Decompensatio cordis (hartfalen): HFPEF (hartfalen met
behouden ejectiefractie) en HFREF (hartfalen met verminderde
ejectiefractie) zijn vormen van hartfalen. Klinische tekenen zijn
dyspneu, vermoeidheid en vochtretentie. De behandeling varieert
tussen medicatie zoals diuretica, ACE-remmers en bètablokkers.
Diagnostiek:
Echocardiografie: Dit is de gouden standaard om hartfalen te
diagnosticeren. Hiermee kan men de ejectiefractie (EF) meten en
beoordelen of er sprake is van HFREF (verminderde EF) of HFPEF
(behouden EF).
BNP of NT-proBNP: Deze bloedtesten meten de hoeveelheid B-type
natriuretisch peptide, dat verhoogd is bij hartfalen. Een normale
waarde maakt hartfalen minder waarschijnlijk.
Thoraxfoto: Kan tekenen van vochtophoping in de longen of een
vergroot hart laten zien, wat kan wijzen op hartfalen.
Longembolie: Een bloedprop in de longslagaders, vaak met
kortademigheid en pijn bij ademhalen als symptomen. Diagnostiek
omvat D-dimeer en CT-pulmonalisangiografie, en behandeling
bestaat uit antistolling of trombolyse.
Diagnostiek:
D-dimeer test: Verhoogde D-dimeerwaarden kunnen wijzen op een
verhoogde stollingsactiviteit, zoals bij een longembolie. Een normale
D-dimeerwaarde sluit een longembolie redelijk goed uit (hoge NVW).
CT-pulmonalisangiografie (CTPA): Een CT-scan van de longvaten
is de meest betrouwbare methode om een longembolie vast te
, stellen. Hierbij wordt contrastvloeistof ingespoten om de bloedprop
in de longvaten zichtbaar te maken.
Echocardiografie: Bij ernstige longembolie kan een echo van het
hart tekenen van rechterhartbelasting laten zien, wat ondersteunend
kan zijn voor de diagnose.
Hartritmestoornissen: Bijvoorbeeld atriumfibrilleren en
ventriculaire tachycardie, waarbij de elektrische activiteit van het
hart is verstoord. Behandeling hangt af van de aard en ernst van de
ritmestoornis, met opties zoals medicatie, cardioversie en
pacemakers.
Diagnostiek:
ECG: Het basisonderzoek bij vermoeden van hartritmestoornissen.
Een 12-kanaals ECG kan directe aanwijzingen geven voor
ritmestoornissen zoals atriumfibrilleren, ventriculaire tachycardie of
andere afwijkingen.
Holter-monitoring: Bij vermoeden van paroxismale (tijdelijke)
ritmestoornissen kan een Holter-monitor, die 24-48 uur of langer
registreert, helpen om deze aanvalsgewijze stoornissen vast te
leggen.
Event recorder: Voor langere perioden waarin een ritmestoornis
wordt verwacht, kan de patiënt een event recorder dragen om
ritmestoornissen op te sporen.
2. Differentiaaldiagnose, behandelplan en urgentie-inschatting bij
pijn op de borst, ritmestoornissen en decompensatio cordis
Bij patiënten met klachten zoals pijn op de borst of tekenen van hartfalen,
gebruik je anamnese, lichamelijk onderzoek en oriënterend onderzoek
(bijv. ECG, bloeddruk, hartenzymen).
Differentiaaldiagnose voor pijn op de borst kan angina pectoris,
myocardinfarct, pericarditis of longembolie omvatten.
Urgentie-inschatting: Beoordeel de ernst door te letten op
alarmsymptomen zoals instabiele vitale functies, ernstige pijn en
plotse ademhalingsmoeilijkheden. Dit helpt bij de beslissing om een
patiënt spoedig door te verwijzen of te behandelen.
Behandelplan: Afhankelijk van de diagnose kunnen directwerkende
medicaties (bijv. aspirine, zuurstoftoediening) of stabiliserende
behandelingen nodig zijn voordat er verdere zorg wordt verleend.
3. Differentiaaldiagnose en behandelplan bij (chronische)
decompensatio cordis
Voor patiënten met chronisch hartfalen:
Differentiaaldiagnose: Denk aan oorzaken zoals ischemische
hartziekte, hypertensie, cardiomyopathieën, en klepgebreken.
Behandelplan: Gebruik diuretica voor vochtontlasting, ACE-remmers
voor vaatverwijding en bètablokkers voor hartritmecontrole.
Patiënten moeten ook worden geadviseerd over leefstijl (bijv.
zoutbeperking, vochtbalans).
, 4. NYHA-classificatie en prognostische waarde bij hartfalen
NYHA-classificatie (New York Heart Association) classificeert
hartfalen op basis van de ernst van symptomen en de beperkingen
bij dagelijkse activiteiten:
o Klasse I: Geen beperkingen.
o Klasse II: Milde beperkingen bij inspanning.
o Klasse III: Duidelijke beperkingen bij lage inspanning.
o Klasse IV: Symptomen in rust.
Prognostische waarde: Hoe hoger de NYHA-klasse, hoe slechter de
prognose. Het wordt gebruikt om het ziektebeloop te volgen en het
behandelplan af te stemmen.
5. Belangrijkste aanwijzingen op een ECG voor ischemie of infarct,
en lokalisatie
Ischemie en infarct tekenen op ECG:
o ST-elevaties en T-top-inversies kunnen wijzen op acute
ischemie of infarct.
o Pathologische Q-golven duiden vaak op een oud infarct.
Lokalisatie:
o Voorwandinfarct: ST-elevaties in V1-V4.
o Onderwandinfarct: ST-elevaties in II, III, en aVF.
o Achterwandinfarct: ST-depressies in V1-V3 (vaak indirecte
tekenen).
Leeftijd van infarct: Een acuut infarct toont doorgaans ST-elevaties
en T-top-veranderingen, terwijl een oud infarct wordt gekenmerkt
door Q-golven.
6. Herkennen van supraventriculaire en ventriculaire
ritmestoornissen op een ECG
Supraventriculaire ritmestoornissen:
o Atriumfibrilleren: Onregelmatige, chaotische QRS-complexen
zonder duidelijke P-golven.
o Supraventriculaire tachycardie (SVT): Snelle, regelmatige
hartslag met smalle QRS-complexen.
Ventriculaire ritmestoornissen:
o Ventriculaire tachycardie (VT): Regelmatige, brede QRS-
complexen bij een hoge hartfrequentie.
o Ventriculaire fibrillatie: Chaotisch patroon zonder duidelijke
QRS-complexen, een levensbedreigende situatie.