1. Organismen:
Bios is Grieks voor leven. Logos is Grieks voor Leer of wetenschap.
Biologie betekent de leer van het leven.
Organisme: een levend wezen met levenskenmerken.
Zeven levenskenmerken zijn:
- Ademhalen
- Voeden
- Uitscheiden
- Waarnemen
- Bewegen
- Voortplanten
- Groeien
De 3 levenskenmerken die te maken hebben met Stoffen opnemen en afgeven zijn:
Ademen, Voeden en Uitscheiden
De 2 levenskenmerken die te maken hebben met Reageren op omgeving zijn:
Waarnemen en bewegen
De 2 levenskenmerken die te maken hebben met Voortbestaan zijn:
Voortplanten en Groeien
Als een organisme geen levenskenmerken meer heeft is het dood.
Dingen die nooit geleefd hebben noem je levenloos (bijv. water, stenen, lucht)
2. Groei en ontwikkeling:
Groei: het groter en zwaarder worden van een organisme.
De meeste planten groeien uit zaden. Een voorbeeld van een zaad is een bruine boon.
Levenscyclus van een plant is:
De ontwikkeling van een zaad tot een plant en daarna tot een vrucht met zaden. Deze begint telkens weer
opnieuw.
Ontwikkeling: Veranderingen in de bouw van een organisme.