Maatschappelijke Bestuurskunde
Hoorcollege 1.
Maatschappelijke bestuurskunde -> er wordt beleid gemaakt dat over jou gaat (als burger) maar je hebt
het gevoel dat er niet naar je wordt geluisterd (bijv. stikstofbeleid, boeren).
Vraag waar die onrust vandaan komt en hoe de overheid er mee om kan gaan staat centraal in deze
cursus. Een democratische overheid moet een responsieve overheid zijn.
Hoe voelen burgers zich?
Grotendeels tevreden eigen leven – maar negatiever over de rest. Het land gaat de verkeerde
kant op in veel mensen hun zicht
o Gevoel hebben dat iets niet goed gaat (bijv. veiligheid, gelijkheid, migratie,
woningmarkt)
o Mensen hebben snel het gevoel dat er een probleem is met de sociale verbinding in
een land
Slechts klein deel is boos
o Boos in de zin van woedend tegen bestaande instituties
o Wel een grote groep mensen die zich onzeker/machteloos voelen
Wel bredere gevoelens van machteloosheid
Grote verschillen tussen groepen
o Verschil in opleidingsniveau
o Verschil in of je wel of niet in de randstad woont
Belangrijk om je te realiseren, over WIE heb ik het en over WAT heb ik het precies
Kwalitatief goed beleid > tevredenheid > meer vertrouwen in de overheid?
Als wij bestuurskundige goed beleid maken, denken wij dat mensen tevreden zijn over wat wij
leveren en dat dit leidt tot vertrouwen en blijheid onder de burger. Die relatie is er, maar het is
ingewikkelder dan dat. Hierbij komen 3 vragen kijken.
o Wat is (ervaren) kwaliteit?
Kwaliteit wordt bepaald door relationele aspecten/zichtbaarheid (de relatie die
de burger met de overheid heeft/ervaart).
Zijn de verplegers (bijvoorbeeld) aardig tegen je?
Soms wordt de kwaliteit bepaald door zaken die niets te maken hebben met
beleid. Als je wil dat mensen zich veilig voelen kun je het beste de graffiti
(bijvoorbeeld) weghalen, maar dit heeft niks te maken met beleid.
o Kwaliteit > tevredenheid?
Beleid kan ervaren kwaliteit verhogen
Maar: verwachtingen stijgen met de kwaliteit mee
Dus: tevredenheid kan dalen ondanks hoge kwaliteit
Op basis van wat je verwacht, stel je de kwaliteit af
o NL mensen boos als de trein 10min te laat komt, in
Griekenland komt de bus 50min te laat, niemand boos. Is op
basis wat je verwacht
Als de verwachting stijgt, is de kwaliteit dus hetzelfde
In landen waar je relatief snel uit armoede komt, is het geluk het
hoogst. Je bent heel erg gewend, en dan wordt het ineens beter > dus
de kwaliteit is dan in hun ogen beter
o Tevredenheid > vertrouwen?
, Geen eenduidige relatie tussen tevredenheid in concreet geval en algemeen
vertrouwen
Als jij 1x een fijne dokter hebt gehad, ben je meer tevreden. Ligt dus
weer aan je eigen beeld
Vertrouwen in overheid op lange termijn redelijk stabiel
Deels cultureel bepaald
Nederland: vertrouwen in de overheid is heel hoog. Vertrouwen in de
overheid doe je op lange termijn niet zoveel aan (ligt aan je cultuur).
Hoe goed je beleid ook is, de relatie met het vertrouwen in de overheid is niet heel direct en niet
heel sterk. Je moet een aantal stappen doorlopen voordat je meer vertrouwen krijgt door beleid
(bovenstaande 3 vragen).
Symbolisch beleid: wat kan je doen tegen de onrust?
Symbolisch beleid is beleid dat het probleem lijkt op te lossen, maar eigenlijk niks oplost.
Kan een doelbewuste strategie zijn van een regering of gemeenteraad (bijvoorbeeld) zodat je
het onderwerp EVEN in de koelkast kan zetten (er is niks mis met symbolisch beleid)
Varianten symbolisch beleid:
o Maatstaf verlagen: norm die je hebt van de ideale situatie: het liefst wil je bijv geen
gewonden in het verkeer. Maar als je kloof te groot is tussen normaliteit en de
maatstaf, verlaag je de maatstaf.
o Perceptie veranderen: als je het meetsysteem van het aantal arme mensen in
Nederland aanpast, heb je minder armen in Nederland, dus geen beleid nodig
Verschil weg definiëren. Taal gebruiken en met cijfers te goochelen.
o Simplificeren: zaak simpeler maken, aan een simpelere casus hangen
o Compliceren: elke keer het probleem dat aangepakt moet worden aan een ander
probleem hangen, waardoor het lastig wordt om op te lossen
o Niet manipuleerbaar maken: iets heeft te maken met factoren die je NIET KAN
beïnvloeden
o Externaliseren van problemen: koppelen aan andere problemen waarvan je van te
voren weet dat die problemen onoplosbaar zijn
o Probleem veredelen (er zitten positieve kanten aan): het probleem is er al een tijdje,
maar er zitten ook goede kanten aan
o Probleem normaliseren: we hebben het probleem al zo lang, we leven er al zolang
mee, is het nou echt urgent?
o Verantwoordelijkheid afschuiven of verdelen: hoort dit probleem bij mij als nationale
overheid? Hoort het niet ergens anders?
Via taal kan je een probleem kleiner maken, dan kan je dus symbolisch beleid maken
Echt beleid: gradaties van falen en succes – drie dimensies (McConnel, 2010)
Drie dimensies waarop je beleid kan evalueren:
o Process: hoe is het beleid gemaakt, hoe is er informatie verzameld, hoe is de
besluitvorming gegaan, hoe is het besluit genomen?
o Programs: beleid zelf. Wat staat er in?
o Politics
Succes bij ene dimensie zegt niets over mate van succes andere dimensie
, o Als je achterban ziet dat je ergens heel erg hard aan hebt gewerkt (maar het beleid
werkt niet) ben je wel politics succesvol maar niet in programs en process
(voorbeeld).
o Als je op de ene dimensie succesvol bent, hoeft dat niet persee op de andere dimensie
zo te zijn
Over de tijd heen kan succes ook nog verschuiven. Beleid dat vroeger faalde,
kan nu succesvol zijn
Policy as process (McConnel, 2010)
McConnel maakt onderscheid op een aantal indicatoren waar je naar kan kijken binnen process. Bij
elke indicator kan je een vraag stellen
In welke mate lukt het beleidsmakers om beleid er doorheen te krijgen waarbij de
oorspronkelijke doelen en middelen in tact blijven (preserving government policy goals and
instruments)
De manier waarop beleid wordt gemaakt, wordt dat als legitiem ervaren?
o Een gemeenteraad kan ergens iets doorheen duwen, wat de legitimiteit van de
wethouder naar beneden gaat. (conferring legitimacy on the policy)
In welke mate is het jou gelukt om tijdens het proces een duurzame coalitie te bouwen die het
beleid steunt? (building a sustainable coalition)
o Wil beleid goed werken, dan heb je daar langdurige steun voor nodig
In welke mate is het beleid zo gemaakt dat het vernieuwend en invloedrijk te noemen is?
(symbolizing innovation and influence)
Wordt het beleid gesteund, ja of nee (in zijn algemeenheid)
Policy as program (McConnel, 2010)
Gaat over het beleid zelf, hoe ziet dat er uit, wat gebeurd daar precies
Komt implementatie overeen met de doelen die we bereiken (wordt er gedaan wat je wil)? ->
output (implementation in line with objectives)
Levert het beleid de gewenste uitkomsten op? (daadwerkelijke maatschappelijke effecten van
het beleid) (maatschappelijk effect) -> outcome (achievement of desired outcomes)
o Tussen 1e en 2e indicator is er een verschil tussen output en outcome
In het beleid heb je een doelgroep geformuleerd. Heeft die doelgroep baat gehad bij het beleid
van jou? Een voordeel? Een bepaalde doelgroep moet dus geholpen worden (creating benefit
fot a target group)
In welke mate komen belangrijke criteria binnen een bepaald beleidsterrein terug in jouw
beleid? (meets policy domain criteria)
o Als je voor de AIVD werkt is geheimhouding heel belangrijk. Binnen de
gezondheidszorg is een belangrijk criterium dat patiënten goed geholpen en beter
worden.
Een aantal beleidsterreinen hebben een KERN die terug moet komen in beleid
Steun: is er steun vanuit de maatschappij voor dat beleid?
Policy as politics (McConnel, 2010)
Gaat over de politiek, ben jij in staat om tijdens het proces (het maken van het beleid, daadwerkelijk
beleid) dingen te bereiken waar jij als politiek baat bij gaat hebben? Politieke partijen hebben een
kortetermijnhorizon, willen herkozen worden
, Neemt de reputatie van de politieke leiders toe? (Enhancing electoral prospects or reputation
of governments and leaders)
o Beleid waar je achterban heel blij van wordt, daardoor ga je nog een keer daarop
stemmen
o Als je probeert iets voor elkaar te krijgen (beleid) en het is jou niet gelukt, heb je het
wel geprobeerd omdat jou kiezers blij zijn om hun zorgen te vertegenwoordigen. Op
politics scoor je dus hoog
o Kan ook betrekking hebben op een crisis. Een ministerpresident staat bij de
coronacrisis veel in de schijnwerpers. HOE komen ze over? Zijn ze in STAAT om de
crisis te managen?
In welke mate zijn besluitvormers in staat om de overheidsagenda te managen en lekker
soepel te besturen (Controlling policy agenda and easing the business of governing)
o Managen van de agenda: de overheid kan niet overal aandacht aan besteden, tijd is
beperkt.
Voorbeeld: zwartepietendebat. Nooit in tweede kamer besproken. De
samenleving moet dit volgens Rutte oplossen. Onderwerp lekker van de
agenda te halen. Wat je ook zegt, sommige kiezers gaan sowieso boos
worden.
Mate waarin politici (en besluitvormers) in staat zijn om de normen en waarden van de
regering te ondersteunen en te bestendigen in beleid (Sustaining the broad values and direction
of government)
Coalitieakkoord: afspraken wat we zouden willen bereiken, wat er belangrijk
is in de regering. Ben jij in staat als regering om wat er afgesproken is in het
coalitieakkoord, voor elkaar te krijgen in beleid?
Opmerking: McConnel gebruikt het woord goverment: als je kijkt naar wat er gebeurd, bedoeld hij de
regering, NIET de overheid an sich.
Antwoorden op die vragen kan variëren tot enorm succes en enorm falen.
Hoorcollege 1.
Maatschappelijke bestuurskunde -> er wordt beleid gemaakt dat over jou gaat (als burger) maar je hebt
het gevoel dat er niet naar je wordt geluisterd (bijv. stikstofbeleid, boeren).
Vraag waar die onrust vandaan komt en hoe de overheid er mee om kan gaan staat centraal in deze
cursus. Een democratische overheid moet een responsieve overheid zijn.
Hoe voelen burgers zich?
Grotendeels tevreden eigen leven – maar negatiever over de rest. Het land gaat de verkeerde
kant op in veel mensen hun zicht
o Gevoel hebben dat iets niet goed gaat (bijv. veiligheid, gelijkheid, migratie,
woningmarkt)
o Mensen hebben snel het gevoel dat er een probleem is met de sociale verbinding in
een land
Slechts klein deel is boos
o Boos in de zin van woedend tegen bestaande instituties
o Wel een grote groep mensen die zich onzeker/machteloos voelen
Wel bredere gevoelens van machteloosheid
Grote verschillen tussen groepen
o Verschil in opleidingsniveau
o Verschil in of je wel of niet in de randstad woont
Belangrijk om je te realiseren, over WIE heb ik het en over WAT heb ik het precies
Kwalitatief goed beleid > tevredenheid > meer vertrouwen in de overheid?
Als wij bestuurskundige goed beleid maken, denken wij dat mensen tevreden zijn over wat wij
leveren en dat dit leidt tot vertrouwen en blijheid onder de burger. Die relatie is er, maar het is
ingewikkelder dan dat. Hierbij komen 3 vragen kijken.
o Wat is (ervaren) kwaliteit?
Kwaliteit wordt bepaald door relationele aspecten/zichtbaarheid (de relatie die
de burger met de overheid heeft/ervaart).
Zijn de verplegers (bijvoorbeeld) aardig tegen je?
Soms wordt de kwaliteit bepaald door zaken die niets te maken hebben met
beleid. Als je wil dat mensen zich veilig voelen kun je het beste de graffiti
(bijvoorbeeld) weghalen, maar dit heeft niks te maken met beleid.
o Kwaliteit > tevredenheid?
Beleid kan ervaren kwaliteit verhogen
Maar: verwachtingen stijgen met de kwaliteit mee
Dus: tevredenheid kan dalen ondanks hoge kwaliteit
Op basis van wat je verwacht, stel je de kwaliteit af
o NL mensen boos als de trein 10min te laat komt, in
Griekenland komt de bus 50min te laat, niemand boos. Is op
basis wat je verwacht
Als de verwachting stijgt, is de kwaliteit dus hetzelfde
In landen waar je relatief snel uit armoede komt, is het geluk het
hoogst. Je bent heel erg gewend, en dan wordt het ineens beter > dus
de kwaliteit is dan in hun ogen beter
o Tevredenheid > vertrouwen?
, Geen eenduidige relatie tussen tevredenheid in concreet geval en algemeen
vertrouwen
Als jij 1x een fijne dokter hebt gehad, ben je meer tevreden. Ligt dus
weer aan je eigen beeld
Vertrouwen in overheid op lange termijn redelijk stabiel
Deels cultureel bepaald
Nederland: vertrouwen in de overheid is heel hoog. Vertrouwen in de
overheid doe je op lange termijn niet zoveel aan (ligt aan je cultuur).
Hoe goed je beleid ook is, de relatie met het vertrouwen in de overheid is niet heel direct en niet
heel sterk. Je moet een aantal stappen doorlopen voordat je meer vertrouwen krijgt door beleid
(bovenstaande 3 vragen).
Symbolisch beleid: wat kan je doen tegen de onrust?
Symbolisch beleid is beleid dat het probleem lijkt op te lossen, maar eigenlijk niks oplost.
Kan een doelbewuste strategie zijn van een regering of gemeenteraad (bijvoorbeeld) zodat je
het onderwerp EVEN in de koelkast kan zetten (er is niks mis met symbolisch beleid)
Varianten symbolisch beleid:
o Maatstaf verlagen: norm die je hebt van de ideale situatie: het liefst wil je bijv geen
gewonden in het verkeer. Maar als je kloof te groot is tussen normaliteit en de
maatstaf, verlaag je de maatstaf.
o Perceptie veranderen: als je het meetsysteem van het aantal arme mensen in
Nederland aanpast, heb je minder armen in Nederland, dus geen beleid nodig
Verschil weg definiëren. Taal gebruiken en met cijfers te goochelen.
o Simplificeren: zaak simpeler maken, aan een simpelere casus hangen
o Compliceren: elke keer het probleem dat aangepakt moet worden aan een ander
probleem hangen, waardoor het lastig wordt om op te lossen
o Niet manipuleerbaar maken: iets heeft te maken met factoren die je NIET KAN
beïnvloeden
o Externaliseren van problemen: koppelen aan andere problemen waarvan je van te
voren weet dat die problemen onoplosbaar zijn
o Probleem veredelen (er zitten positieve kanten aan): het probleem is er al een tijdje,
maar er zitten ook goede kanten aan
o Probleem normaliseren: we hebben het probleem al zo lang, we leven er al zolang
mee, is het nou echt urgent?
o Verantwoordelijkheid afschuiven of verdelen: hoort dit probleem bij mij als nationale
overheid? Hoort het niet ergens anders?
Via taal kan je een probleem kleiner maken, dan kan je dus symbolisch beleid maken
Echt beleid: gradaties van falen en succes – drie dimensies (McConnel, 2010)
Drie dimensies waarop je beleid kan evalueren:
o Process: hoe is het beleid gemaakt, hoe is er informatie verzameld, hoe is de
besluitvorming gegaan, hoe is het besluit genomen?
o Programs: beleid zelf. Wat staat er in?
o Politics
Succes bij ene dimensie zegt niets over mate van succes andere dimensie
, o Als je achterban ziet dat je ergens heel erg hard aan hebt gewerkt (maar het beleid
werkt niet) ben je wel politics succesvol maar niet in programs en process
(voorbeeld).
o Als je op de ene dimensie succesvol bent, hoeft dat niet persee op de andere dimensie
zo te zijn
Over de tijd heen kan succes ook nog verschuiven. Beleid dat vroeger faalde,
kan nu succesvol zijn
Policy as process (McConnel, 2010)
McConnel maakt onderscheid op een aantal indicatoren waar je naar kan kijken binnen process. Bij
elke indicator kan je een vraag stellen
In welke mate lukt het beleidsmakers om beleid er doorheen te krijgen waarbij de
oorspronkelijke doelen en middelen in tact blijven (preserving government policy goals and
instruments)
De manier waarop beleid wordt gemaakt, wordt dat als legitiem ervaren?
o Een gemeenteraad kan ergens iets doorheen duwen, wat de legitimiteit van de
wethouder naar beneden gaat. (conferring legitimacy on the policy)
In welke mate is het jou gelukt om tijdens het proces een duurzame coalitie te bouwen die het
beleid steunt? (building a sustainable coalition)
o Wil beleid goed werken, dan heb je daar langdurige steun voor nodig
In welke mate is het beleid zo gemaakt dat het vernieuwend en invloedrijk te noemen is?
(symbolizing innovation and influence)
Wordt het beleid gesteund, ja of nee (in zijn algemeenheid)
Policy as program (McConnel, 2010)
Gaat over het beleid zelf, hoe ziet dat er uit, wat gebeurd daar precies
Komt implementatie overeen met de doelen die we bereiken (wordt er gedaan wat je wil)? ->
output (implementation in line with objectives)
Levert het beleid de gewenste uitkomsten op? (daadwerkelijke maatschappelijke effecten van
het beleid) (maatschappelijk effect) -> outcome (achievement of desired outcomes)
o Tussen 1e en 2e indicator is er een verschil tussen output en outcome
In het beleid heb je een doelgroep geformuleerd. Heeft die doelgroep baat gehad bij het beleid
van jou? Een voordeel? Een bepaalde doelgroep moet dus geholpen worden (creating benefit
fot a target group)
In welke mate komen belangrijke criteria binnen een bepaald beleidsterrein terug in jouw
beleid? (meets policy domain criteria)
o Als je voor de AIVD werkt is geheimhouding heel belangrijk. Binnen de
gezondheidszorg is een belangrijk criterium dat patiënten goed geholpen en beter
worden.
Een aantal beleidsterreinen hebben een KERN die terug moet komen in beleid
Steun: is er steun vanuit de maatschappij voor dat beleid?
Policy as politics (McConnel, 2010)
Gaat over de politiek, ben jij in staat om tijdens het proces (het maken van het beleid, daadwerkelijk
beleid) dingen te bereiken waar jij als politiek baat bij gaat hebben? Politieke partijen hebben een
kortetermijnhorizon, willen herkozen worden
, Neemt de reputatie van de politieke leiders toe? (Enhancing electoral prospects or reputation
of governments and leaders)
o Beleid waar je achterban heel blij van wordt, daardoor ga je nog een keer daarop
stemmen
o Als je probeert iets voor elkaar te krijgen (beleid) en het is jou niet gelukt, heb je het
wel geprobeerd omdat jou kiezers blij zijn om hun zorgen te vertegenwoordigen. Op
politics scoor je dus hoog
o Kan ook betrekking hebben op een crisis. Een ministerpresident staat bij de
coronacrisis veel in de schijnwerpers. HOE komen ze over? Zijn ze in STAAT om de
crisis te managen?
In welke mate zijn besluitvormers in staat om de overheidsagenda te managen en lekker
soepel te besturen (Controlling policy agenda and easing the business of governing)
o Managen van de agenda: de overheid kan niet overal aandacht aan besteden, tijd is
beperkt.
Voorbeeld: zwartepietendebat. Nooit in tweede kamer besproken. De
samenleving moet dit volgens Rutte oplossen. Onderwerp lekker van de
agenda te halen. Wat je ook zegt, sommige kiezers gaan sowieso boos
worden.
Mate waarin politici (en besluitvormers) in staat zijn om de normen en waarden van de
regering te ondersteunen en te bestendigen in beleid (Sustaining the broad values and direction
of government)
Coalitieakkoord: afspraken wat we zouden willen bereiken, wat er belangrijk
is in de regering. Ben jij in staat als regering om wat er afgesproken is in het
coalitieakkoord, voor elkaar te krijgen in beleid?
Opmerking: McConnel gebruikt het woord goverment: als je kijkt naar wat er gebeurd, bedoeld hij de
regering, NIET de overheid an sich.
Antwoorden op die vragen kan variëren tot enorm succes en enorm falen.