Maatschappelijke Bestuurskunde
Inleiding: Beleidsfalen en -succes
Mensen zijn grotendeels tevreden over hun eigen leven, maar negatiever over de
rest. Slechts een klein deel is boos. Wel zijn er bredere gevoelens van
machteloosheid. Ook zijn er grote verschillen tussen groepen. Dat kan afhankelijk
zijn van woonplaats, waar sommigen problematiek ervaren en anderen wel. Ook
opleidingsniveau speelt een factor; hoger opleidingsniveau vaak minder frustratie
(hoger opleidingsniveau kan zich vaker door de bureaucratie worstelen, weet hoe je
bezwaar maakt, bij wie je moet aankloppen).
Idee is: kwalitatief goed beleid → tevredenheid → meer vertrouwen in de overheid?
● Maar wat is (ervaren) kwaliteit? Slachtoffers toeslagen affaire vinden het
strenge beleid waarschijnlijk niet goed. Kwaliteit is dus niet objectief vast te
stellen en het ervaren van kwaliteit wordt vaak bepaald door interacties,
relationele aspecten en zichtbaarheid.
● Beleid kan ervaren kwaliteit verhogen, maar de verwachtingen stijgen mee
met de kwaliteit. De meetlat groeit dus mee, dus de minimale verwachting
ook. Dus: tevredenheid kan dalen ondanks de hoge kwaliteit.
Tevredenheid → vertrouwen.
● Geen eenduidige relatie tussen tevredenheid en algemeen vertrouwen.
Vertrouwen in de overheid is op lange termijn redelijk stabiel. Dit is deels
cultureel bepaald.
● Over het algemeen is er in Nederland veel meer vertrouwen in de overheid
dan in andere landen. Je hebt ook landen (VS) waar er vertrouwen is in de
overheidsinstanties, maar niet in de regering.
Sociale media spelen een grote rol bij onrust, zowel positief als negatief. Social
media kan onder andere leiden tot radicalisering, oproepen tot geweld, verspreiden
van misinformatie en echo chambers. Echo chambers houden in dat je in een
omgeving komt waarin mensen alleen maar zeggen wat jij denkt, zonder
tegengeluid. Op social media zijn algoritmes zo gemaakt dat je blijft hangen. Dit
,zorgt ervoor dat je gedachtegoed beïnvloed wordt, als je bijvoorbeeld alleen maar
bevestiging krijgt kan dit voor radicalisering zorgen.
Echter heeft social media ook een positieve kant. Het komt ten goede door het
organiseren van geweldloze demonstraties en het verdedigen van de democratische
rechtsstaat. Je kan in de gaten houden welke informatie wordt gedeeld. Je kan ook
zien of er een beweging gaande is op social media. Als belangengroep kan je dan
kijken of je moet ingrijpen (bijvoorbeeld bij incorrecte informatie). Ook kan je zien wie
wat steunt, zodat je kan kijken of je specifiek op groepen moet richten.
Er is wat te doen tegen de rol van social media bij maatschappelijke onrust:
● Overheid kan gedragscodes instellen voor bedrijven, zodat de algoritmes niet
helemaal doorslaan. Ook kan je de digitale geletterdheid van burgers
proberen te verbeteren (reclames herkennen, misinformatie herkennen).
● Bedrijven kunnen de inhoud modereren. Hoe ver mag je echter gaan in het
modereren van berichten. Ook kunnen bedrijven algoritmes verbeteren, om
echo chambers te vermijden. Ze zouden ook in hun beleid kunnen opnemen
dat hun product voldoet aan mensenrechten of mensenrechten beschermt.
● Burgerorganisaties kunnen proberen om desinformatie te bestrijden.
Symbolisch beleid = beleid dat het probleem lijkt op te lossen, zodat bugers
gerustgesteld zijn, maar eigenlijk niks oplost. Dit is niet per sé erg, bijvoorbeeld bij
onduidelijkheden over het probleem, de oorzaken, de doelen en de middelen /
instrumenten.
Varianten zijn:
1. Maatstaf verlagen → een maatstaf is jouw visie van hoe jouw ideale wereld er
uit zou moeten zien. Verlagen naar iets concreters, dan wordt het probleem
kleiner.
2. Perceptie veranderen → zeggen dat je een definitie van iets aanpast. Dit
verandert bijvoorbeeld het aantal problemen. De definitie armoedegrens
veranderen leidt tot minder mensen die in armoede leven.
3. Verschil tussen norm en perceptie wegdefiniëren → dit doe je door te framen.
In plaats van 5% fout, de 95% goed benadrukken. Definitie blijft hetzelfde
(hoe je het laat zien aan de buitenwereld verandert vooral).
, 4. Simplificeren → doen alsof het hele grote probleem terug te brengen is naar
iets kleins. Een klein deel van een groot probleem verhelpen.
5. Compliceren → ‘het is zo complex, je kan niets doen’. Te veel oorzaken om
iets op te lossen.
6. Niet-manipuleerbaar te maken → zeggen dat we geen invloed hebben op het
probleem.
7. Externaliseren van problemen → de oorzaak ergens extern neerleggen
(bijvoorbeeld bij technologie).
8. Probleem veredelen (er zitten positieve kanten aan) → zeggen dat er ook
positieve kanten bij het probleem zijn.
9. Probleem normaliseren → zeggen dat je al zo lang op deze manier leeft, dus
dat het de normale situatie is.
10.Verantwoordelijkheid afschuiven of verdelen → zeggen dat het probleem
buiten je eigen niveau valt, dus bijvoorbeeld op EU niveau.
Er zijn drie dimensies waarop je beleid kan evalueren: process, programs en politics.
Hierbij is het belangrijk om te weten dat succes bij de ene dimensie niets zegt over
de mate van succes bij een andere dimensie. Ook kan het perspectief over
falen/succes veranderen in de loop van de tijd.
Policy as process
1. In welke mate lukt het beleidsmakers om beleid er doorheen te krijgen waarbij
de oorspronkelijke doelen en middelen in dat beleid zo goed als intact blijven?
2. Wordt het beleid op zo’n manier gemaakt dat het als legitiem wordt
beschouwd?
3. In welke mate is het gelukt om een duurzame coalitie te bouwen die het
beleid steunt (i.p.v. een ad hoc coalitie)?
4. In welke mate is het beleid zo gemaakt dat het vernieuwend en invloedrijk te
noemen is?
5. Wordt het beleidsproces gesteund of niet?
, Policy as program
1. Komt implementatie overeen met de doelen die je wilt bereiken? Wordt er
gedaan wat we wilden doen?
2. Levert het beleid ook gewenste uitkomsten op? Verschil tussen doelbereiking
(output) en wat het oplevert voor de maatschappij (outcome).
3. Heeft de doelgroep baat bij het beleid?
4. In welke mate komt het beleid tegemoet aan criteria die als zeer belangrijk
worden ervaren in een beleidsterrein?
5. In welke mate wordt het beleid (de doeleinden, waarden, middelen en
instrumenten) gesteund?
Policy as politics
1. Worden de kansen om herkozen te worden vergroot of neemt de reputatie
van de regering / de leiders toe?
2. In welke mate zijn de besluitvormers in staat om de overheidsagenda te
managen en om lekker soepel te besturen.
3. In welke mate zijn de politici / de besluitvormers in staat om de normen en
waarden van de regering te ondersteunen via en bestendigen in beleid?
4. In welke mate is er steun voor de politieke voordelen voor de regering?
Inleiding: Beleidsfalen en -succes
Mensen zijn grotendeels tevreden over hun eigen leven, maar negatiever over de
rest. Slechts een klein deel is boos. Wel zijn er bredere gevoelens van
machteloosheid. Ook zijn er grote verschillen tussen groepen. Dat kan afhankelijk
zijn van woonplaats, waar sommigen problematiek ervaren en anderen wel. Ook
opleidingsniveau speelt een factor; hoger opleidingsniveau vaak minder frustratie
(hoger opleidingsniveau kan zich vaker door de bureaucratie worstelen, weet hoe je
bezwaar maakt, bij wie je moet aankloppen).
Idee is: kwalitatief goed beleid → tevredenheid → meer vertrouwen in de overheid?
● Maar wat is (ervaren) kwaliteit? Slachtoffers toeslagen affaire vinden het
strenge beleid waarschijnlijk niet goed. Kwaliteit is dus niet objectief vast te
stellen en het ervaren van kwaliteit wordt vaak bepaald door interacties,
relationele aspecten en zichtbaarheid.
● Beleid kan ervaren kwaliteit verhogen, maar de verwachtingen stijgen mee
met de kwaliteit. De meetlat groeit dus mee, dus de minimale verwachting
ook. Dus: tevredenheid kan dalen ondanks de hoge kwaliteit.
Tevredenheid → vertrouwen.
● Geen eenduidige relatie tussen tevredenheid en algemeen vertrouwen.
Vertrouwen in de overheid is op lange termijn redelijk stabiel. Dit is deels
cultureel bepaald.
● Over het algemeen is er in Nederland veel meer vertrouwen in de overheid
dan in andere landen. Je hebt ook landen (VS) waar er vertrouwen is in de
overheidsinstanties, maar niet in de regering.
Sociale media spelen een grote rol bij onrust, zowel positief als negatief. Social
media kan onder andere leiden tot radicalisering, oproepen tot geweld, verspreiden
van misinformatie en echo chambers. Echo chambers houden in dat je in een
omgeving komt waarin mensen alleen maar zeggen wat jij denkt, zonder
tegengeluid. Op social media zijn algoritmes zo gemaakt dat je blijft hangen. Dit
,zorgt ervoor dat je gedachtegoed beïnvloed wordt, als je bijvoorbeeld alleen maar
bevestiging krijgt kan dit voor radicalisering zorgen.
Echter heeft social media ook een positieve kant. Het komt ten goede door het
organiseren van geweldloze demonstraties en het verdedigen van de democratische
rechtsstaat. Je kan in de gaten houden welke informatie wordt gedeeld. Je kan ook
zien of er een beweging gaande is op social media. Als belangengroep kan je dan
kijken of je moet ingrijpen (bijvoorbeeld bij incorrecte informatie). Ook kan je zien wie
wat steunt, zodat je kan kijken of je specifiek op groepen moet richten.
Er is wat te doen tegen de rol van social media bij maatschappelijke onrust:
● Overheid kan gedragscodes instellen voor bedrijven, zodat de algoritmes niet
helemaal doorslaan. Ook kan je de digitale geletterdheid van burgers
proberen te verbeteren (reclames herkennen, misinformatie herkennen).
● Bedrijven kunnen de inhoud modereren. Hoe ver mag je echter gaan in het
modereren van berichten. Ook kunnen bedrijven algoritmes verbeteren, om
echo chambers te vermijden. Ze zouden ook in hun beleid kunnen opnemen
dat hun product voldoet aan mensenrechten of mensenrechten beschermt.
● Burgerorganisaties kunnen proberen om desinformatie te bestrijden.
Symbolisch beleid = beleid dat het probleem lijkt op te lossen, zodat bugers
gerustgesteld zijn, maar eigenlijk niks oplost. Dit is niet per sé erg, bijvoorbeeld bij
onduidelijkheden over het probleem, de oorzaken, de doelen en de middelen /
instrumenten.
Varianten zijn:
1. Maatstaf verlagen → een maatstaf is jouw visie van hoe jouw ideale wereld er
uit zou moeten zien. Verlagen naar iets concreters, dan wordt het probleem
kleiner.
2. Perceptie veranderen → zeggen dat je een definitie van iets aanpast. Dit
verandert bijvoorbeeld het aantal problemen. De definitie armoedegrens
veranderen leidt tot minder mensen die in armoede leven.
3. Verschil tussen norm en perceptie wegdefiniëren → dit doe je door te framen.
In plaats van 5% fout, de 95% goed benadrukken. Definitie blijft hetzelfde
(hoe je het laat zien aan de buitenwereld verandert vooral).
, 4. Simplificeren → doen alsof het hele grote probleem terug te brengen is naar
iets kleins. Een klein deel van een groot probleem verhelpen.
5. Compliceren → ‘het is zo complex, je kan niets doen’. Te veel oorzaken om
iets op te lossen.
6. Niet-manipuleerbaar te maken → zeggen dat we geen invloed hebben op het
probleem.
7. Externaliseren van problemen → de oorzaak ergens extern neerleggen
(bijvoorbeeld bij technologie).
8. Probleem veredelen (er zitten positieve kanten aan) → zeggen dat er ook
positieve kanten bij het probleem zijn.
9. Probleem normaliseren → zeggen dat je al zo lang op deze manier leeft, dus
dat het de normale situatie is.
10.Verantwoordelijkheid afschuiven of verdelen → zeggen dat het probleem
buiten je eigen niveau valt, dus bijvoorbeeld op EU niveau.
Er zijn drie dimensies waarop je beleid kan evalueren: process, programs en politics.
Hierbij is het belangrijk om te weten dat succes bij de ene dimensie niets zegt over
de mate van succes bij een andere dimensie. Ook kan het perspectief over
falen/succes veranderen in de loop van de tijd.
Policy as process
1. In welke mate lukt het beleidsmakers om beleid er doorheen te krijgen waarbij
de oorspronkelijke doelen en middelen in dat beleid zo goed als intact blijven?
2. Wordt het beleid op zo’n manier gemaakt dat het als legitiem wordt
beschouwd?
3. In welke mate is het gelukt om een duurzame coalitie te bouwen die het
beleid steunt (i.p.v. een ad hoc coalitie)?
4. In welke mate is het beleid zo gemaakt dat het vernieuwend en invloedrijk te
noemen is?
5. Wordt het beleidsproces gesteund of niet?
, Policy as program
1. Komt implementatie overeen met de doelen die je wilt bereiken? Wordt er
gedaan wat we wilden doen?
2. Levert het beleid ook gewenste uitkomsten op? Verschil tussen doelbereiking
(output) en wat het oplevert voor de maatschappij (outcome).
3. Heeft de doelgroep baat bij het beleid?
4. In welke mate komt het beleid tegemoet aan criteria die als zeer belangrijk
worden ervaren in een beleidsterrein?
5. In welke mate wordt het beleid (de doeleinden, waarden, middelen en
instrumenten) gesteund?
Policy as politics
1. Worden de kansen om herkozen te worden vergroot of neemt de reputatie
van de regering / de leiders toe?
2. In welke mate zijn de besluitvormers in staat om de overheidsagenda te
managen en om lekker soepel te besturen.
3. In welke mate zijn de politici / de besluitvormers in staat om de normen en
waarden van de regering te ondersteunen via en bestendigen in beleid?
4. In welke mate is er steun voor de politieke voordelen voor de regering?