DLB Samenvatting
H1 Siegler
Het begrijpen hoe kinderen zich ontwikkelen kan het opvoeden verbeteren. Het
onderzoeken naar kind ontwikkeling kan helpen bij het vinden van vragen als “op
welke manier kan ik mijn kinderen leren omgaan met woedeaanvallen?” Het
geeft ook toegang tot wijder sociaal beleid gericht op het welzijn van kinderen.
En heeft geeft ons informatie over de menselijke natuur. De ontwikkeling van een
kind kan ons meer vertellen over de menselijke aard.
Filosofische visies op kind ontwikkeling
Plato vond dat kinderen zelfbeheersing moeten leren en dat ouders streng
moeten opvoeden. Hij dacht dat kennis al in ons zit vanaf de geboorte.
Aristoteles vond het belangrijk om naar het unieke karakter van ieder kind
te kijken. Goede opvoeding is daarbij erg belangrijk. Volgens hem leer je
door ervaringen, niet omdat kennis al in je zit.
John Locke zei dat kinderen in het begin strenge begeleiding nodig hebben.
Later mogen ze meer vrijheid krijgen om zelf te ontdekken. Hij vond ook
dat kennis uit ervaringen komt.
Jean-Jacques Rousseau dacht juist dat kinderen vanaf het begin veel
vrijheid nodig hebben. Pas vanaf hun 12e zouden ze formeel onderwijs
moeten krijgen van ouders en school.
Charles Darwin observeerde dagelijks de ontwikkeling van baby’s, zoals
bewegen, voelen en emoties. Zijn werk liet zien dat je door goed naar
kinderen te kijken, veel kunt leren over de mens in het algemeen.
Nature gaat over de genen die je van je ouders erft, dus alles wat aangeboren is.
Nurture gaat over je omgeving: alles wat je meemaakt, zoals opvoeding, cultuur,
vrienden en school.
Nature en nurture werken samen: je genen beïnvloeden je gedrag en ervaringen,
maar je gedrag en ervaringen kunnen op hun beurt ook invloed hebben op je
genen. Epigenetica is de wetenschap die dit onderzoekt. Epigenetica kijkt naar
hoe ervaringen blijvende veranderingen kunnen veroorzaken in hoe genen aan-
of uitgeschakeld worden, zonder dat de genen zelf veranderen. Een belangrijk
voorbeeld hiervan is methylatie, een proces dat ervoor zorgt dat bepaalde genen
minder actief worden en dat kan je gedrag beïnvloeden.
Het actieve kind: naarmate een kind ouder wordt, kiest het steeds meer zelf: wat
het doet, met wie het omgaat en in welke omgeving het zicht bevindt. Continue
ontwikkeling betekent dat een kind stapje voor stapje verandert. De ontwikkeling
gaat geleidelijk en in kleine hoeveelheden. Het gaat hierbij vooral om kwantiteit,
bijvoorbeeld dat een kind leert steeds een beetje te praten.
Discontinue ontwikkeling betekent dat een kind in sprongen verandert. De
ontwikkeling gebeurt in duidelijke fases of stappen. Hier gaat het vooral om
,kwaliteit, bijvoorbeeld ineens op een andere manier denken. Stadium theorieën
gaan uit van discontinue ontwikkeling. Ze zeggen dat kinderen vaste fases
doorlopen die leeftijdsgebonden zijn. Een bekend voorbeeld is Piaget theorie van
cognitieve ontwikkeling. Hij beschrijft vier fases waarin kinderen steeds op een
andere manier denken en de wereld begrijpen. Concentratie is de bewuste
controle over je gedachten en emotie. Als kinderen moeite hebben met
concentratie, kan dat leiden tot gedragsproblemen.
Hersenactiviteit en genen
Belangrijke hersengebieden voor concentratie:
Limbisch systeem -> regelt emoties
Anterieure cingulatie -> betrokken bij aandacht en conflictoplossing
Prefrontale cortex -> helpt bij plannen, nadenken en impulsen
onderdrukken
- Tijdens de kindertijd ontwikkelen deze hersengebieden zich geleidelijk
Neurotransmitters zijn stofjes die hersencellen met elkaar laten communiceren.
Je genen bepalen (deels) hoeveel van deze stofjes je maakt. Verschillen in genen
verklaren waarom sommige kinderen zich beter kunnen focussen dan anderen.
De omgeving kan deze genen beïnvloeden = epigenetisch effect. Oefenen helpt,
want aandacht kan je trainen. Door leerervaringen worden de verbindingen in de
hersens sterker. De hippocampus speelt een belangrijke rol bij leren en
onthouden. Tijdens de slaap worden herinneringen opnieuw “afgespeeld” in de
hippocampus. Bij jonge kinderen helpt vooral de cortex bij het opslaan van
herinneringen. Als de hippocampus beschadigd is, ontstaan er leerproblemen.
Hoe beïnvloedt de sociaal-culturele context de ontwikkeling van een
kind?
De sociaal-culturele context beïnvloedt de ontwikkeling van een kind doordat
deze context bestaat uit de fysieke, sociale, culturele, economische en
historische aspecten van de omgeving waarin het kind opgroeit. Denk hierbij aan
de cultuur waarin een kind leeft, de mensen met wie het omgaat, de plek waar
het woont en de sociaaleconomische status van het gezin. Een lage SES kan
bijvoorbeeld leiden tot minder kansen, meer stress en daardoor een negatieve
invloed hebben op de ontwikkeling.
Ook al groeien kinderen in hetzelfde gezin op, toch kunnen ze zich verschillend
ontwikkelen. Dat komt door vier belangrijke factoren: ten eerste genetische
verschillen, aangezien ieder kind een unieke genetische aanleg heeft; ten tweede
verschillen in de manier waarop ouders en anderen met elk kind omgaan; ten
derde verschillen in hoe kinderen op dezelfde ervaringen reageren, omdat elk
kind situaties anders beleeft; en ten slotte door verschillen in de keuzes die
kinderen zelf maken, bijvoorbeeld in hun vriendschappen en activiteiten.
,Bij onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen worden verschillende methoden
gebruikt. Natuurlijke observaties houden in dat het gedrag van een kind wordt
geobserveerd in zijn eigen, niet-gemanipuleerde omgeving. Dit geeft een
realistisch beeld van hoe een kind zich gedraagt in het dagelijks leven. In
tegenstelling daarmee vinden gestructureerde observaties plaats in een
gecontroleerde omgeving die voor elk kind hetzelfde is. Zo kunnen onderzoekers
specifiek gedrag oproepen en vergelijken. Een veelgebruikte onderzoeksmethode
is het cross-sectionele onderzoek, waarbij kinderen van verschillende leeftijden
binnen een korte periode worden onderzocht. Hun gedrag wordt met elkaar
vergeleken, waardoor snel inzicht verkregen wordt in leeftijdsverschillen. Een
ander type onderzoek is het longitudinale onderzoek, waarbij dezelfde groep
kinderen over een langere periode wordt gevolgd. Zo kunnen veranderingen in
gedrag over tijd worden onderzocht. Daarnaast is er het micro genetisch
onderzoek, waarbij kinderen intensief worden geobserveerd tijdens een korte
periode waarin een ontwikkelingsverandering plaatsvindt. Deze methode geeft
gedetailleerd inzicht in het leerproces op het moment dat het gebeurt. Bij al deze
vormen van onderzoek moeten onderzoekers rekening houden met ethische
richtlijnen. Het is belangrijk dat mogelijke risico’s voor de kinderen zo klein
mogelijk zijn, en dat de voordelen van het onderzoek zwaarder wegen dan de
nadelen voor de deelnemers.
Hoorcollege prenatale ontwikkeling
Ontwikkeling is een specifiek soort verandering die plaatsvindt over tijd.
Deze verandering kent een aantal kenmerken:
Kwalitatief: ontwikkeling draait niet alleen om hoeveel cellen er zijn,
maar vooral om het soort cellen dat ontstaat of verandert.
Opeenvolgend (sequential): sommige veranderingen moeten eerst
plaatsvinden voordat andere mogelijk zijn.
Cumulatief: elke nieuwe fase bouwt voort op voorgaande
ontwikkelingsstappen.
Richtinggevend (directional): ontwikkeling heeft een richting, en kan
toenemen (progressief) of afnemen.
Multifactorieel: er is nooit maar een factor die ontwikkeling bepaalt.
Verschillende invloeden spelen altijd een rol. Sommige zijn extra belangrijk
in kritieke of sensitieve perioden.
Individueel: ontwikkeling is uniek voor elk persoon. Hoewel we vaak
praten over vase ontwikkelingsfasen, is dit gebaseerd op gemiddelden,
vaak uit WEIRD-samples (Western, Educated, Industrialized, Rich,
Democratic). In werkelijkheid verschillen ontwikkelingspaden sterk per
kind, en sommige stappen kunnen zelfs worden overgeslagen.
Celdeling is cruciaal voor de groei van het embryo. Er zijn twee
belangrijke vormen:
, Mitosis is de ‘gewone’ celdeling. Hierbij wordt al het genetisch materiaal
(onze biologische blauwdruk) exact gekopieerd en verdeeld over twee
nieuwe cellen. Elke cel krijgt dus een volledige set van 46 chromosomen:
23 van de moeder en 23 van de vader. Zo blijven de erfelijke
eigenschappen behouden.
Meiosis is een speciale vorm van celdeling die alleen plaatsvindt bij
geslachtscellen (eicellen en zaadcellen). Eerst wordt het genetisch
materiaal gekopieerd. Daarna vindt er crossing over plaats: stukjes DNA
wisselen van plaats tussen chromosomen. Vervolgens splitst het materiaal
zich drie keer, totdat er vier cellen ontstaan die elk de helft van het
genetisch materiaal bevatten. Elke cel is genetisch uniek, dit verklaart de
genetische diversiteit tussen mensen.
Een bijzonder feit is dat al bij 20 weken zwangerschap de eicellen in de
eierstokken van een vrouwelijk embryo beginnen te groeien. De aanleg voor
voortplanting start dus al vroeg in het leven.
In het begin zijn alle cellen hetzelfde, ze zijn nog totipotent, wat betekent
dat ze nog alles kunnen worden (bijvoorbeeld een spiercel, huidcel of deel
van de placenta). Dit verandert in een aantal stappen:
1. Na de bevruchting ontstaat een eerste groep cellen die samen de
morula vormen (een bolletje cellen).
2. De morula bevat cellen die allemaal identiek zijn.
3. Terwijl het aantal cellen toeneemt, blijft de morula even groot. De druk
in de celmassa zorgt ervoor dat de cellen beginnen te differentiëren.
4. Er ontstaan nu twee soorten cellen:
- Blastocystcellen (voor de placenta)
- Innet cell mass (voor het embryo zelf)
5. De inner cell mass zijn pluripotent: ze kunnen nog veel worden
(bijvoorbeeld hersen- of huidcel), maar niet meer alles (zoals de
placenta).
6. Wat een cel precies wordt, hangt af van de neurochemische signalen
die hij tijdens de ontwikkeling ontvangt. Zodra een cel is
gespecialiseerd, kan hij niet meer van functie veranderen.
Sommige cellen moeten verdwijnen om ruimte te maken voor nieuwe structuren.
Dit gebeurt via apoptose, oftewel gecontroleerde celdood. Een bekend voorbeeld
is het verdwijnen van de zwemvliezen tussen de vingers bij een embryo.
Invloeden op de foetus tijdens de prenatale ontwikkeling
Tijdens de zwangerschap krijgt de foetus al veel prikkels van buitenaf, waar hij
van leert. De zintuigen ontwikkelen zich namelijk geleidelijk:
Rond 10 weken kan de foetus al druk waarnemen via de huid, spieren en
gewrichten.
Vanaf 13 weken herkent hij bewegingen.
H1 Siegler
Het begrijpen hoe kinderen zich ontwikkelen kan het opvoeden verbeteren. Het
onderzoeken naar kind ontwikkeling kan helpen bij het vinden van vragen als “op
welke manier kan ik mijn kinderen leren omgaan met woedeaanvallen?” Het
geeft ook toegang tot wijder sociaal beleid gericht op het welzijn van kinderen.
En heeft geeft ons informatie over de menselijke natuur. De ontwikkeling van een
kind kan ons meer vertellen over de menselijke aard.
Filosofische visies op kind ontwikkeling
Plato vond dat kinderen zelfbeheersing moeten leren en dat ouders streng
moeten opvoeden. Hij dacht dat kennis al in ons zit vanaf de geboorte.
Aristoteles vond het belangrijk om naar het unieke karakter van ieder kind
te kijken. Goede opvoeding is daarbij erg belangrijk. Volgens hem leer je
door ervaringen, niet omdat kennis al in je zit.
John Locke zei dat kinderen in het begin strenge begeleiding nodig hebben.
Later mogen ze meer vrijheid krijgen om zelf te ontdekken. Hij vond ook
dat kennis uit ervaringen komt.
Jean-Jacques Rousseau dacht juist dat kinderen vanaf het begin veel
vrijheid nodig hebben. Pas vanaf hun 12e zouden ze formeel onderwijs
moeten krijgen van ouders en school.
Charles Darwin observeerde dagelijks de ontwikkeling van baby’s, zoals
bewegen, voelen en emoties. Zijn werk liet zien dat je door goed naar
kinderen te kijken, veel kunt leren over de mens in het algemeen.
Nature gaat over de genen die je van je ouders erft, dus alles wat aangeboren is.
Nurture gaat over je omgeving: alles wat je meemaakt, zoals opvoeding, cultuur,
vrienden en school.
Nature en nurture werken samen: je genen beïnvloeden je gedrag en ervaringen,
maar je gedrag en ervaringen kunnen op hun beurt ook invloed hebben op je
genen. Epigenetica is de wetenschap die dit onderzoekt. Epigenetica kijkt naar
hoe ervaringen blijvende veranderingen kunnen veroorzaken in hoe genen aan-
of uitgeschakeld worden, zonder dat de genen zelf veranderen. Een belangrijk
voorbeeld hiervan is methylatie, een proces dat ervoor zorgt dat bepaalde genen
minder actief worden en dat kan je gedrag beïnvloeden.
Het actieve kind: naarmate een kind ouder wordt, kiest het steeds meer zelf: wat
het doet, met wie het omgaat en in welke omgeving het zicht bevindt. Continue
ontwikkeling betekent dat een kind stapje voor stapje verandert. De ontwikkeling
gaat geleidelijk en in kleine hoeveelheden. Het gaat hierbij vooral om kwantiteit,
bijvoorbeeld dat een kind leert steeds een beetje te praten.
Discontinue ontwikkeling betekent dat een kind in sprongen verandert. De
ontwikkeling gebeurt in duidelijke fases of stappen. Hier gaat het vooral om
,kwaliteit, bijvoorbeeld ineens op een andere manier denken. Stadium theorieën
gaan uit van discontinue ontwikkeling. Ze zeggen dat kinderen vaste fases
doorlopen die leeftijdsgebonden zijn. Een bekend voorbeeld is Piaget theorie van
cognitieve ontwikkeling. Hij beschrijft vier fases waarin kinderen steeds op een
andere manier denken en de wereld begrijpen. Concentratie is de bewuste
controle over je gedachten en emotie. Als kinderen moeite hebben met
concentratie, kan dat leiden tot gedragsproblemen.
Hersenactiviteit en genen
Belangrijke hersengebieden voor concentratie:
Limbisch systeem -> regelt emoties
Anterieure cingulatie -> betrokken bij aandacht en conflictoplossing
Prefrontale cortex -> helpt bij plannen, nadenken en impulsen
onderdrukken
- Tijdens de kindertijd ontwikkelen deze hersengebieden zich geleidelijk
Neurotransmitters zijn stofjes die hersencellen met elkaar laten communiceren.
Je genen bepalen (deels) hoeveel van deze stofjes je maakt. Verschillen in genen
verklaren waarom sommige kinderen zich beter kunnen focussen dan anderen.
De omgeving kan deze genen beïnvloeden = epigenetisch effect. Oefenen helpt,
want aandacht kan je trainen. Door leerervaringen worden de verbindingen in de
hersens sterker. De hippocampus speelt een belangrijke rol bij leren en
onthouden. Tijdens de slaap worden herinneringen opnieuw “afgespeeld” in de
hippocampus. Bij jonge kinderen helpt vooral de cortex bij het opslaan van
herinneringen. Als de hippocampus beschadigd is, ontstaan er leerproblemen.
Hoe beïnvloedt de sociaal-culturele context de ontwikkeling van een
kind?
De sociaal-culturele context beïnvloedt de ontwikkeling van een kind doordat
deze context bestaat uit de fysieke, sociale, culturele, economische en
historische aspecten van de omgeving waarin het kind opgroeit. Denk hierbij aan
de cultuur waarin een kind leeft, de mensen met wie het omgaat, de plek waar
het woont en de sociaaleconomische status van het gezin. Een lage SES kan
bijvoorbeeld leiden tot minder kansen, meer stress en daardoor een negatieve
invloed hebben op de ontwikkeling.
Ook al groeien kinderen in hetzelfde gezin op, toch kunnen ze zich verschillend
ontwikkelen. Dat komt door vier belangrijke factoren: ten eerste genetische
verschillen, aangezien ieder kind een unieke genetische aanleg heeft; ten tweede
verschillen in de manier waarop ouders en anderen met elk kind omgaan; ten
derde verschillen in hoe kinderen op dezelfde ervaringen reageren, omdat elk
kind situaties anders beleeft; en ten slotte door verschillen in de keuzes die
kinderen zelf maken, bijvoorbeeld in hun vriendschappen en activiteiten.
,Bij onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen worden verschillende methoden
gebruikt. Natuurlijke observaties houden in dat het gedrag van een kind wordt
geobserveerd in zijn eigen, niet-gemanipuleerde omgeving. Dit geeft een
realistisch beeld van hoe een kind zich gedraagt in het dagelijks leven. In
tegenstelling daarmee vinden gestructureerde observaties plaats in een
gecontroleerde omgeving die voor elk kind hetzelfde is. Zo kunnen onderzoekers
specifiek gedrag oproepen en vergelijken. Een veelgebruikte onderzoeksmethode
is het cross-sectionele onderzoek, waarbij kinderen van verschillende leeftijden
binnen een korte periode worden onderzocht. Hun gedrag wordt met elkaar
vergeleken, waardoor snel inzicht verkregen wordt in leeftijdsverschillen. Een
ander type onderzoek is het longitudinale onderzoek, waarbij dezelfde groep
kinderen over een langere periode wordt gevolgd. Zo kunnen veranderingen in
gedrag over tijd worden onderzocht. Daarnaast is er het micro genetisch
onderzoek, waarbij kinderen intensief worden geobserveerd tijdens een korte
periode waarin een ontwikkelingsverandering plaatsvindt. Deze methode geeft
gedetailleerd inzicht in het leerproces op het moment dat het gebeurt. Bij al deze
vormen van onderzoek moeten onderzoekers rekening houden met ethische
richtlijnen. Het is belangrijk dat mogelijke risico’s voor de kinderen zo klein
mogelijk zijn, en dat de voordelen van het onderzoek zwaarder wegen dan de
nadelen voor de deelnemers.
Hoorcollege prenatale ontwikkeling
Ontwikkeling is een specifiek soort verandering die plaatsvindt over tijd.
Deze verandering kent een aantal kenmerken:
Kwalitatief: ontwikkeling draait niet alleen om hoeveel cellen er zijn,
maar vooral om het soort cellen dat ontstaat of verandert.
Opeenvolgend (sequential): sommige veranderingen moeten eerst
plaatsvinden voordat andere mogelijk zijn.
Cumulatief: elke nieuwe fase bouwt voort op voorgaande
ontwikkelingsstappen.
Richtinggevend (directional): ontwikkeling heeft een richting, en kan
toenemen (progressief) of afnemen.
Multifactorieel: er is nooit maar een factor die ontwikkeling bepaalt.
Verschillende invloeden spelen altijd een rol. Sommige zijn extra belangrijk
in kritieke of sensitieve perioden.
Individueel: ontwikkeling is uniek voor elk persoon. Hoewel we vaak
praten over vase ontwikkelingsfasen, is dit gebaseerd op gemiddelden,
vaak uit WEIRD-samples (Western, Educated, Industrialized, Rich,
Democratic). In werkelijkheid verschillen ontwikkelingspaden sterk per
kind, en sommige stappen kunnen zelfs worden overgeslagen.
Celdeling is cruciaal voor de groei van het embryo. Er zijn twee
belangrijke vormen:
, Mitosis is de ‘gewone’ celdeling. Hierbij wordt al het genetisch materiaal
(onze biologische blauwdruk) exact gekopieerd en verdeeld over twee
nieuwe cellen. Elke cel krijgt dus een volledige set van 46 chromosomen:
23 van de moeder en 23 van de vader. Zo blijven de erfelijke
eigenschappen behouden.
Meiosis is een speciale vorm van celdeling die alleen plaatsvindt bij
geslachtscellen (eicellen en zaadcellen). Eerst wordt het genetisch
materiaal gekopieerd. Daarna vindt er crossing over plaats: stukjes DNA
wisselen van plaats tussen chromosomen. Vervolgens splitst het materiaal
zich drie keer, totdat er vier cellen ontstaan die elk de helft van het
genetisch materiaal bevatten. Elke cel is genetisch uniek, dit verklaart de
genetische diversiteit tussen mensen.
Een bijzonder feit is dat al bij 20 weken zwangerschap de eicellen in de
eierstokken van een vrouwelijk embryo beginnen te groeien. De aanleg voor
voortplanting start dus al vroeg in het leven.
In het begin zijn alle cellen hetzelfde, ze zijn nog totipotent, wat betekent
dat ze nog alles kunnen worden (bijvoorbeeld een spiercel, huidcel of deel
van de placenta). Dit verandert in een aantal stappen:
1. Na de bevruchting ontstaat een eerste groep cellen die samen de
morula vormen (een bolletje cellen).
2. De morula bevat cellen die allemaal identiek zijn.
3. Terwijl het aantal cellen toeneemt, blijft de morula even groot. De druk
in de celmassa zorgt ervoor dat de cellen beginnen te differentiëren.
4. Er ontstaan nu twee soorten cellen:
- Blastocystcellen (voor de placenta)
- Innet cell mass (voor het embryo zelf)
5. De inner cell mass zijn pluripotent: ze kunnen nog veel worden
(bijvoorbeeld hersen- of huidcel), maar niet meer alles (zoals de
placenta).
6. Wat een cel precies wordt, hangt af van de neurochemische signalen
die hij tijdens de ontwikkeling ontvangt. Zodra een cel is
gespecialiseerd, kan hij niet meer van functie veranderen.
Sommige cellen moeten verdwijnen om ruimte te maken voor nieuwe structuren.
Dit gebeurt via apoptose, oftewel gecontroleerde celdood. Een bekend voorbeeld
is het verdwijnen van de zwemvliezen tussen de vingers bij een embryo.
Invloeden op de foetus tijdens de prenatale ontwikkeling
Tijdens de zwangerschap krijgt de foetus al veel prikkels van buitenaf, waar hij
van leert. De zintuigen ontwikkelen zich namelijk geleidelijk:
Rond 10 weken kan de foetus al druk waarnemen via de huid, spieren en
gewrichten.
Vanaf 13 weken herkent hij bewegingen.