Literatuur:
R&O, Hoofdstuk 2 (nr. 45) en Hoofdstuk 7 (nrs. 260 t/m 276)
VA, Hoofdstuk 1 (nrs. 26 t/m 28)
Klik, Hoofdstuk 2 (par. 2.1, 2.2 en 2.4 t/m 2.8), Hoofdstuk 3 (par. 3.1 t/m 3.3 en
3.5 t/m 3.8), Hoofdstuk 5 (par. 5.1 en 5.2) en Hoofdstuk 6 (par. 6.1 t/m 6.3).
Tjittes, Terug naar de tekst – Een herwaardering van de tekstuele uitleg van
contracten.(*)
Wissink, Vertrouwen op tekstuele uitleg.(*)
Du Perron, Noot HR 20 februari 2004, NJ 2005, 493 (Stichting Pensioenfonds
DSM/Fox).
Du Perron, Noot HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 499 (Taxicentrale Middelburg
BV/Gesink).
R&O, Hoofdstuk 2 (nr. 45)
45. De rol van de wilsvertrouwenleer bij uitleg
De arti. 3:33-35 zijn bepalend voor de vraag welke rechtshandeling tot stand komt,
boor de inhoud van de rechtshandeling dus. Het gaat in die artikelen om een
‘verklaring van een bepaalde strekking (art. 3:35). Welke die strekking – hoe de
rechtshandeling moet worden uitgelegd – hangt enerzijds af van wat degene die de
rechtshandeling verrichtte, heeft verklaard en wat hij met die verklaring boogde
(verklaarde wil), en anderzijds van hetgeen zijn wederpartij in de gegeven
omstandigheden redelijkerwijs uit zij verklaring heeft kunnen afleiden
(gerechtvaardigd vertrouwen). Het bekende criterium voor de uitleg van
overeenkomsten van het Haviltex-arrest – dat het aankomt op de zin die partijen over
en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en
op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten – is in
feite niets anders dan een op het uitlegvraagstuk toegespitste formulering van de
wilsvertrouwensleer.
R&O Hoofdstuk 7; Rechtsgevolgen van de overeenkomst ten aanzien van
partijen (nrs. 260 t/m 276)
7.1 Inleiding
260. Plaatsbepaling
Verspreid over het wetboek vindt men bepalingen die betrekking hebben op de
rechtsgevolgen van een bepaalde categorie rechtshandelingen. De regeling van
verbintenisscheppende overeenkomst is in dit boek van belang (art. 6:248 e.v.).
7.2 De overeengekomen rechtsgevolgen
1
,261. Inleidende opmerkingen
Art. 6:248 lid 1 stelt de gebondenheid van partijen aan hetgeen zij overeenkwamen
voorop: een overeenkomst heeft niet alleen de door partijen overeengekomen
rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet,
gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Die vooropstelling
is zonder meer gerechtvaardigd.
262. De noodzaak van uitleg
Hetgeen door partijen is overeengekomen, moge het hart van de contractuele
rechtsverhouding zijn, de vaststelling van wat zij zijn overeengekomen is niet
onproblematisch. Wanneer partijen zich onduidelijk hebben uitgedrukt, zouden de
bewoordingen van de overeenkomst uitleg behoeven. Uit het beginsel van het
consensualisme volgt: ook buiten hetgeen zij schriftelijk hebben uitgedrukt, kunnen
partijen iets zijn overeengekomen – waardoor hetgeen op schrift is gesteld een heel
andere betekenis krijgt – eventueel zelfs zonder woorden (stilzwijgend).
263. Reconstructie van partijwil?
Het inzicht van de overeenkomst als rechtshandeling de keuzevrijheid van het
handelende individu veronderstelt – en dus wilsverklaring is – dringt ons als vanzelf
de gedachte op dat uitleg niets anders zou moeten zijn dan een reconstructie van
hetgeen partijen met de uitgewisselde wilsverklaringen beoogden, van de partijwil.
Reeds wanneer men zich afvraagt hoe het moet wanneer de ene partij iets anders op
het oog hand dan de andere – zodat een gemeenschappelijke wil ontbreekt – ziet men
echter in dat die gedachte toch te eenzijdig is. Wie een overeenkomst sluit, doet meer
dan zijn keuzevrijheid uitoefenen: hij richt zich tot een ander, de wederpartij, en wekt
aldus bepaalde verwachtingen (gerechtvaardigd vertrouwen), die bescherming
verdienen.
265. Uitleg aan de hand van de wilsvertrouwenleer
Het wordt thans algemeen aanvaard dat ook voor uitleg van overeenkomsten de
wilsvertrouwenleer, zoals vastgelegd in art. 3:33 en 3:35, beslissend is. In die zin
besliste de HR in het Haviltex-arrest: ‘’bij de uitleg van een overeenkomst komt het
aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs
aande bepalingen van de overeenkomst mochten toekennen en op hetgeen zij te dien
aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten’’.
Haviltex is zowel van toepassing voor schriftelijke als mondelinge overeenkomsten.
De gezichtspunten die de HR in het Misverstand-arrest (Bunde-Erckens) formuleerde,
zijn niet alleen bepalend voor de vraag of in het geval van een misverstand een
overeenkomst tot stand komt, maar ook voor de vraag in welke zin een overeenkomst
tot stand komt.
266. Bewoordingen overeenkomst niet beslissend
Dat uitleg aan de hand van de wilsvertrouwenleer dient te geschieden, brengt mee dat
de bewoordingen waarin de overeenkomst zijn vervat, op zichzelf nooit beslissend
zijn Het gaat erom wat partijen in de gegeven omstandigheden uit elkaars
verklaringen en gedragingen redelijkerwijs (gerechtvaardigd vertrouwen) omtrent
elkanders bedoelingen (wil) mochten afleiden.
267. Relevante omstandigheden
2
,Het gaat erom wat partijen in de gegeven omstandigheden uit elkaars verklaringen en
gedragingen mogen afleiden. Welke omstandigheden zijn relevant? Het is hier net als
bij de totstandkomingsvraag: een beter inzicht verkrijgt men door het vertrouwen te
betrekken op de vraag of nader onderzoek naar de bedoelingen van de ander geboden
is (onderzoeksplicht). Dus was men te goeder trouw in de zin van art. 3:11 BW?
Gezichtspunten:
• Een aanleiding tot twijfel en kan tot onderzoek liggen in het onverwachte;
• Vaardigheden die men bij de ander mag veronderstellen (bijgestaan door
deskundige?);
Tussenpersoon: De HR maakt geen onderscheid tussen vertegenwoordigede en niet-
vertegenwoordigende tussenpersoon. Arrest: ‘’indien voor een der partijen een
deskundige tussenpersoon optrad, zal daarbij moeten worden uitgegaan van hetgeen
zich tussen deze en de andere partijen heeft afgespeeld en zal in het bijzonder moeten
worden gelet op hetgeen die partij uit de verklaringen en gedragingen van de
tussenpersoon heeft afgeleid en mogen afleiden.’’ De rechtvaardiging voor deze
toerekening wordt treffend verwoord door Mendel in zijn noot: het zou weinig billijk
zijn wanneer de achterman enerzijds wel de voordelen zou kunnen genieten van het
optreden van de tussenpersoon, maar zich anderzijds daarvan naar behoefte zou
kunnen distantiëren.
Dat de bewoordingen waarin de overeenkomst is vervat niet beslissend zijn, betekent
niet dat zij niet van belang zouden zijn. De omstandigheid dat de tekst van de
overeenkomst in een bepaalde zin luidt, kan een belangrijke aanwijzing zijn dat tussen
partijen iets wel of niet is overeengekomen. De rechter kan rekening houden door aan
de partij die een uitleg verdedigt die met die tekst niet spoort, tegenbewijs op te
dragen. Wordt dat tegenbewijs niet geleverd, dan geldt de uitleg volgens de meest
voor de hand liggende taalkundige betekenis van de bewoordingen van de
contractsbepaling waarop het geschil betrekking heeft, gelezen in het licht van de
overige voor de uitleg relevante bepalingen van de overeenkomst.
Ook het gedrag van partijen in de uitvoeringsfase is van belang voor de uitleg van de
overeenkomst. Dat gedrag werpt immers licht op de vraag hoe partijen hun
overeenkomst hebben opgevat.
267a. Uitleg en gevolgen van de overeenkomst voor derden
De in het Haviltexarrest voorgeschreven wijze van uitleg, Haviltex-maatstaf, verliest
zijn vanzelfsprekendheid in die gevallen dat een overeenkomst ook rechtsgevolgen
voor derde heeft. Derden hebben doorgaans geen inzicht in hetgeen zich tussen
partijen heeft afgespeeld. Dat zij afgaan op hetgeen naar objectieve maatstaven volgt
uit de akte waarin de overeenkomst is vastgelegd, kan men hen dan ook moeilijk
kwalijk nemen. Wanneer de derde die op de akte is afgegaan, tegenover een partij bij
die akte staat, kan hij zich zonodig beroepen op de bescherming van art. 3:36. Een
geslaagd beroep op die bepaling leidt ertoe dat op hetgeen tussen partijen op grond
van de Haviltexnorm geldt, tegenover de derde geen beroep kan worden gedaan. Deze
bescherming is op twee opzichten relatief:
• Zij beperkt zich tot de onderlinge verhouding tussen derde en de partij
tegenover wie de derde staat
• zij heeft slechts betrekking op de handeling die de derde in redelijk
vertrouwen op de door de akte gewekte schijn heeft verricht.
3
, Sommige overeenkomsten hebben echter niet slechts incidenteel gevolgen voor
derden, maar zijn naar hun aard erop gericht om aan derden rechten toe te kennen of
aan hen verplichtingen op te leggen. Artikel 3:36 biedt geen bescherming voor die
overeenkomsten. Zo verloopt uitleg van collectieve arbeidsovereenkomst (cao’s) –
waaruit rechten en verplichtingen van werkgevers en werknemers voortvloeien,
waarbij die werknemers geen partij zijn en de werkgevers mogelijk evenmin – niet
volgens de Haviltexnorm zijn en zijn in plaats daarvan de bewoordingen van de cao,
gelezen in het licht van de gehele tekst van de overeenkomst, in beginsel van
doorslaggevende betekenis.
In Pensioenfonds/Fox omschrijft de HR het toepassingsgebied van de cao-norm als
geschriften waarin een overeenkomst of een andere regeling is vastgelegd, die naar
haar aard bestemd is de rechtspositie van derden te beinvloeden, zonder dat die derden
invloed hebben op de inhoud of de formulering van die overeenkomst respectievelijk
regeling, terwijl de onderliggende partijbedoeling voor die derden niet kenbaar is. In
zo’n geval brengt de aard van de geschriften en verhoudingen mee dat bij de uitleg in
beginsel objectieve maatstaven centraal moet staan. In hetzelfde arrest benadrukt de
HR het gemeenschappelijke van cao en haviltexnorm. Beide hebben volgens de HR
een gemeenschappelijke grondslag, namelijk dat voor uitleg alle omstandigheden van
het geval beslissend zijn, gewaardeerd naar hetgeen de maatstaven van redelijkheid
en billijkheid meebrengen. Volgens beide ook dient de uitleg van een schriftelijk
contract niet plaats te vinden op grond van alleen maar de taalkundige betekenis van
de bewoordingen waarin het is gesteld. De cao-norm schrijft dus geen grammaticale
uitleg voor. Alle omstandigheden van het geval zijn voor de uitleg van belang, slechts
met uitzondering van de niet-kenbare bedoeling van degenen die de uit te leggen
bepaling hebben geformuleerd en slechts die uitzondering maakt het verschil met de
Haviltexnorm uit.
Cao-norm: samenhang tussen de uit te leggen bepaling en overige bepalingen van de
cao, op een eventueel bij de cao behorende schriftelijke toelichting en op de
aannemelijkheid of redelijkheid van een bepaalde uitleg in het licht van voor de hand
liggende belangen. Niet van belang wat de opstellers voor ogen heeft gestaan, voor
zover hun bedoeling niet op een of andere wijze voor derden kenbaar is geweest.
Haviltex: beslissend wat de betrokken partijen over en weer redelijkerwijs als elkaars
bedoeling mochten begrijpen, onverschillig wat daarvan voor derden kenbaar was.
267b. Uitleg op het grensvlak van goederen- en verbintenissenrecht
Bij de uitleg van de goederenrechtelijke overeenkomst tot levering van een
registergoed is de cao-norm beslissend. Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor de
goederenrechtelijke overeenkomst tot vestiging van opstalrecht of erfdienstbaarheid.
De koopovereenkomst die tot levering van het registergoed verplicht, moet echter niet
volgens de cao-norm maar volgens de Haviltexnorm worden uitgelegd.
268. Geen uitlegregels van algemene aard
in afzonderlijke regels voor de uitleg van overeenkomsten in het algemeen zagen de
ontwerpers van ons huidige wetboek niets.
4