Thema 1 t/m 7 inclusief 2 podcasts
T0C1 – Welkom bij bestuur en beleid:
T1C1 – Overheidsbeleid:
Beleid kan je zien als een antwoord op de opgaves zoals de coronacrisis en de aanpak van
racisme.
Belangrijke verschillen: bestuurlijke instanties die een rol spelen en wat/wie het gaat doen en
de context die een rol speelt. Maar wat is overheidsbeleid nog meer?
- Voornemens en actie
- Output en outcome
- Wat de overheid doet en wat ze niet doet
- En: wie is die overheid?
Verschillende theorieën en perspectieven:
- Descriptief = verklaring en analyse van beleid.
- Prescriptief = hoe kunnen we goed beleid ontwerpen?
Goed begrip staat aan de basis van goed beleid.
De beleidscyclus: deze fases lopen in de praktijk vaak door elkaar.
- Agenda vorming: Hoe komen problemen op de agenda? Wie heeft invloed en wie
beslist over de problemen en oplossingen? Dus: wie beslist welke problemen
beleidsproblemen zijn?
- Ontwikkeling: wat zijn mogelijke oplossing? Formulering van alternatieven.
- Besluitvorming: Normatieve afwegingen, afstemming met belanghebbende, draagvlak
door passend frame, keuze voor alternatieven.
1
,- Uitvoering en handhaving: macht in de vorm van beleidsinstrumenten. Top-down:
doelgerichte beïnvloeding van een actor in de samenleving en Bottom up: ambtenaren
‘op straat’ vullen het beleid in.
- Evaluatie en terugkoppeling: beoordelen van beleid, evaluatie is inherent politiek.
Wanneer is er sprake van succes? Voor wie is het succes?
een nieuwe agenda: voorzetting, opvolging of beëindiging? Gaan we door met het
bestaande beleid? Passen we het bestaande beleid aan? Vervangen we het beleid?
T1C2 – Benaderingen van beleid:
Rationeel analytisch: kiezen voor de beste, goedkoopste en meest efficiënte oplossing.
- Doelrationaliteit centraal
- Mens als rationeel wezen
- Primaat van de politiek
- Beleidsinstrumenten zijn neutraal
- Beoordeling op basis van effectiviteit & efficiëntie
Maar wie maakt de normatieve afweging? En wie bepaalt welk probleem op de agenda komt
en wie bepaalt de oplossingsrichtingen?
Politieke benadering:
- Macht en belangen centraal
- Beleidsproces als machtsstrijd
- Beleidsinstrumenten als machtsbronnen
- Beoordeling op basis van belangen: wie wint?
Institutioneel perspectief: beleid als een stolling van afwegingen van waarden die we als
samenleving belangrijk achten.
- Beleid is regelgeleid en padafhankelijk
- Regels beïnvloeden gedrag en rollen van actoren
- Overheid en politiek als institutie (de staat)
- Keuze beleidsinstrumenten is padafhankelijk
- Beoordeling ook op basis van passendheid: hoort het?
Cultureel of discursief perspectief: Maar wat beteken al die problemen en oplossingen?
Symbolen staan centraal.
- Zingeving door communicatie
- Sociale constructie van wereldbeeld in discourscoalities
- Politiek als betekenisverlener
- Symbolen en framing als instrumenten
- Beoordeling op basis van draagvlak: zie ik het ook zo?
T2C1 – de beleidstheorie:
Het beleidsontwerp bekijken vanaf het rationeel perspectief.
De beleidstheorie: Beleid ontwerpen voor beleidsprobleem (ontworpen op de tekentafel)
- Probleem is bekend.
- Primaat van de politiek in agendavorming (de politiek die kiest welk probleem wordt
aangepakt).
De beleidstheorie is geen theorie in wetenschappelijke zin maar een handelingstheorie.
Samenhangende set van oorzaken, gevolgen, doelen en middelen. Dit is gebaseerd op
verschillende soorten veronderstellingen:
- Causale veronderstellingen = oorzaak-gevolg.
- Finale veronderstellingen = doel-middel.
- Normatieve veronderstellingen = er wordt een afmeting gemaakt tussen betere en
slechtere alternatieven.
2
, Het maken van een beleidsontwerp:
Stap 1: Causale modellen = in kaart brengen van oorzaken en gevolgen in een beleidsveld,
faciliteert het vinden van aangrijpingspunten voor interventie.
Stap 2: Finale veronderstellingen – de doelboom
- Interventies om doelen te bereiken, gebaseerd op kennis van processen in het
beleidsveld.
- Doelen zijn vaak gestapeld: doelen worden een middel om een nieuw doel te bereiken.
- Middelen hebben vaak meerdere gevolgen = externe effecten.
Stap 3: Normatieve afwegingen
- Afwegingen van kosten en baten(niet alleen in financiële zin).
- Externe effecten moeten worden meegewogen.
- Prioriteren van doelen.
Kwaliteit van de beleidstheorie: vanuit het rationele perspectief moet beleid voldoen aan
bepaalde criteria:
- Doeltreffend (probleem moet worden opgelost), doelmatig (zo min mogelijk kosten) en
doelgericht (het beleid is ook echt gericht op het oplossen van het probleem).
- Rationeel (liefst wetenschappelijk) onderbouwd.
- Aanvaardbaar/legitiem.
T2C2 – Beleidsuitvoering:
De beleidsuitvoering vanuit een rationeel perspectief. Hier gaat het over de manier hoe we
het probleem gaan oplossen. Dit is dus een proces dat in de maatschappij moet worden
bijgestuurd. Sturing: doelgerichte beïnvloeding van een actor in de samenleving. Macht in de
vorm van beleidsinstrumenten. Hoe lossen we dat beleidsprobleem op? Drie klassieke
vormen van sturing:
1. Juridisch (verbod op roken).
2. Economisch (accijns op roken).
3. Communicatie (informeren over bepaald goed of fout gedrag, kan in de vorm van
waarschuwingen).
Veronderstellingen bij klassieke sturing:
- Maakbaarheid en vooruitgang. Overheid als almachtige probleemoplosser.
- Kennis en informatie als bron.
- Sturend vermogen ligt bij sturende organisatie.
- Gedetailleerde beheersing ‘command and control’.
Beleidsvrijheid: Top down of bottom up?
- System level bureaucracy = vorm van bureaucratie waar alles van te voren al vastligt,
geen vrijheid.
- Screen level bureaucracy = beperkte mate van vrijheid. Achter het ‘screen’ kan er nog
wel wat aanpassing plaatsvinden.
- Street level bureaucracy = veel vrijheid. Beleid dat van onderaf gevormd wordt,
docenten of politieagenten = bottom up beleid.
Resultaten:
Absoluut resultaat
- Output: directe gevolgen van beleid.
- Outcome: de invloed op de maatschappij als geheel, dit is moeilijker te sturen en meten.
Relatief resultaat
3