Begrippenlijst
HC 1.
Begrip Betekenis
Filosofie Kritisch reflecteren op denken en handelen
Argumentatieleer Het leren begrijpen en analyseren van argumenten en
meningsverschillen.
Logica Het bestuderen van geldige argumenten en redeneermethoden.
Ethiek De filosofische studie van morele kwesties en keuzes.
Pedagogische Prudentie Zorgvuldigheid en voorzichtigheid bij het nemen van pedagogische
beslissingen.
Strijdige proposities Twee uitspraken die niet tegelijkertijd waar of onwaar kunnen zijn.
Tegengesteld: Twee proposities kunnen niet beide waar of
beide onwaar zijn (enkelvoudig twistpunt).
Contrair: Twee proposities kunnen niet beide waar zijn, maar
kunnen beide onwaar zijn (meervoudig twistpunt).
Drogredenen Fouten in het redeneren die de geldigheid van een argument
ondermijnen, zoals overhaaste generalisatie of persoonlijke aanvallen.
HC 2.
Begrip Betekenis
Utilitarisme Een ethische theorie die stelt dat moreel handelen wordt bepaald door
de consequenties en het maximaliseren van geluk voor zoveel mogelijk
mensen. Wat zijn de consequenties?
Deontologische ethiek (Kant) Een ethische benadering die zich richt op absolute morele principes
(categorisch imperatief), ongeacht de gevolgen. Komt voort uit een norm
categorisch imperatief Absolute geboden
Categorisch imperatief Een principe van Kant dat stelt dat een handeling alleen moreel juist is als
je zou willen dat iedereen volgens diezelfde regel zou handelen.
Positieve vrijheid De aanwezigheid van mogelijkheden om keuzes te maken en jezelf te
ontwikkelen.
Negatieve vrijheid Vrij zijn van externe beperkingen of dwang.
Waarden Dingen die we belangrijk vinden in het leven, zoals vrijheid, geluk en
authenticiteit.
Normen Gedragsregels die voortvloeien uit waarden en aangeven hoe mensen
zich behoren te gedragen.
Deugden Waarden die als karaktereigenschap in een persoon verankerd zijn, zoals
eerlijkheid of moed.
Partijdigheid in ethiek Het ethische dilemma of het geoorloofd is om eigen belangen of die van
naasten zwaarder te laten wegen dan die van anderen.
Neutraliteit Het principe dat de staat of instituties geen voorkeur mogen hebben
voor bepaalde morele of levensbeschouwelijke opvattingen.
Liberale educatieve visie Het idee dat onderwijs geen secundaire visies (zoals religieuze
, overtuigingen) mag bevoordelen en kinderen moet voorbereiden op een
pluriforme samenleving.
De standaard liberale visie Richt zich op het waarborgen van individuele rechten, vrijheid en
gelijkheid zonder onterecht overheidsingrijpen.???
Common school (Pring vs Levinson) Het debat over of gemengde scholen noodzakelijk en/of voldoende zijn
voor multiculturele vorming en sociale cohesie.
Houdbaarheid van een argument De vraag of een argument feitelijk klopt en onderbouwd is.
Bewijskracht van een argument De mate waarin een argument daadwerkelijk het standpunt ondersteunt.
Moreel handelen Handelen op basis van ethische principes en overwegingen over wat juist
is.
HC 3.
Begrip Betekenis
Onderwijsvrijheid Het recht van ouders om een school te kiezen of op te richten die
aansluit bij hun levensovertuiging, binnen bepaalde wettelijke kaders.
Utilitarisme Een ethische stroming die stelt dat handelingen moreel juist zijn als ze
leiden tot het grootste geluk voor het grootste aantal mensen.
Deontologie Een ethische stroming waarbij principes en morele plichten leidend zijn
voor het bepalen van juist handelen, onafhankelijk van de
consequenties.
Objectivisme De opvatting dat er universele, tijd- en plaats overstijgende morele
principes bestaan.
Relativisme De opvatting dat morele principes afhankelijk zijn van cultuur, tijd en
plaats en dat er geen universele morele waarheid is.
Funderingsprobleem Het probleem dat er geen objectieve basis is voor morele normen; er
zijn geen feiten die de geldigheid van normen kunnen aantonen.
Kloof tussen ‘zijn’ en ‘behoren’ De filosofische stelling dat men geen morele norm kan afleiden uit een
feitelijke constatering (funderingsprobleem)
Vrijheid Een waarde die de mogelijkheid van individuen benadrukt om keuzes te
maken zonder externe dwang.
Liberal education Onderwijs dat gericht is op het ontwikkelen van autonomie en kritisch
denken bij leerlingen.
Common school Openbaar onderwijs dat neutraal en toegankelijk is voor alle kinderen,
ongeacht religie of levensovertuiging.
Private school (Bijzonder onderwijs) Een school die lesgeeft vanuit een specifieke levensbeschouwelijke,
religieuze of onderwijskundige visie.
Autonomie De capaciteit van een individu om zelfstandig keuzes te maken en
kritisch na te denken over zijn of haar eigen waarden en normen.
Sociologisch perspectief op onderwijs Benadering die kijkt naar de invloed van onderwijs op de samenleving
en sociale cohesie.
Pedagogisch perspectief op onderwijs Benadering die zich richt op de invloed van onderwijs op de
ontwikkeling en autonomie van kinderen.
HC 1.
Begrip Betekenis
Filosofie Kritisch reflecteren op denken en handelen
Argumentatieleer Het leren begrijpen en analyseren van argumenten en
meningsverschillen.
Logica Het bestuderen van geldige argumenten en redeneermethoden.
Ethiek De filosofische studie van morele kwesties en keuzes.
Pedagogische Prudentie Zorgvuldigheid en voorzichtigheid bij het nemen van pedagogische
beslissingen.
Strijdige proposities Twee uitspraken die niet tegelijkertijd waar of onwaar kunnen zijn.
Tegengesteld: Twee proposities kunnen niet beide waar of
beide onwaar zijn (enkelvoudig twistpunt).
Contrair: Twee proposities kunnen niet beide waar zijn, maar
kunnen beide onwaar zijn (meervoudig twistpunt).
Drogredenen Fouten in het redeneren die de geldigheid van een argument
ondermijnen, zoals overhaaste generalisatie of persoonlijke aanvallen.
HC 2.
Begrip Betekenis
Utilitarisme Een ethische theorie die stelt dat moreel handelen wordt bepaald door
de consequenties en het maximaliseren van geluk voor zoveel mogelijk
mensen. Wat zijn de consequenties?
Deontologische ethiek (Kant) Een ethische benadering die zich richt op absolute morele principes
(categorisch imperatief), ongeacht de gevolgen. Komt voort uit een norm
categorisch imperatief Absolute geboden
Categorisch imperatief Een principe van Kant dat stelt dat een handeling alleen moreel juist is als
je zou willen dat iedereen volgens diezelfde regel zou handelen.
Positieve vrijheid De aanwezigheid van mogelijkheden om keuzes te maken en jezelf te
ontwikkelen.
Negatieve vrijheid Vrij zijn van externe beperkingen of dwang.
Waarden Dingen die we belangrijk vinden in het leven, zoals vrijheid, geluk en
authenticiteit.
Normen Gedragsregels die voortvloeien uit waarden en aangeven hoe mensen
zich behoren te gedragen.
Deugden Waarden die als karaktereigenschap in een persoon verankerd zijn, zoals
eerlijkheid of moed.
Partijdigheid in ethiek Het ethische dilemma of het geoorloofd is om eigen belangen of die van
naasten zwaarder te laten wegen dan die van anderen.
Neutraliteit Het principe dat de staat of instituties geen voorkeur mogen hebben
voor bepaalde morele of levensbeschouwelijke opvattingen.
Liberale educatieve visie Het idee dat onderwijs geen secundaire visies (zoals religieuze
, overtuigingen) mag bevoordelen en kinderen moet voorbereiden op een
pluriforme samenleving.
De standaard liberale visie Richt zich op het waarborgen van individuele rechten, vrijheid en
gelijkheid zonder onterecht overheidsingrijpen.???
Common school (Pring vs Levinson) Het debat over of gemengde scholen noodzakelijk en/of voldoende zijn
voor multiculturele vorming en sociale cohesie.
Houdbaarheid van een argument De vraag of een argument feitelijk klopt en onderbouwd is.
Bewijskracht van een argument De mate waarin een argument daadwerkelijk het standpunt ondersteunt.
Moreel handelen Handelen op basis van ethische principes en overwegingen over wat juist
is.
HC 3.
Begrip Betekenis
Onderwijsvrijheid Het recht van ouders om een school te kiezen of op te richten die
aansluit bij hun levensovertuiging, binnen bepaalde wettelijke kaders.
Utilitarisme Een ethische stroming die stelt dat handelingen moreel juist zijn als ze
leiden tot het grootste geluk voor het grootste aantal mensen.
Deontologie Een ethische stroming waarbij principes en morele plichten leidend zijn
voor het bepalen van juist handelen, onafhankelijk van de
consequenties.
Objectivisme De opvatting dat er universele, tijd- en plaats overstijgende morele
principes bestaan.
Relativisme De opvatting dat morele principes afhankelijk zijn van cultuur, tijd en
plaats en dat er geen universele morele waarheid is.
Funderingsprobleem Het probleem dat er geen objectieve basis is voor morele normen; er
zijn geen feiten die de geldigheid van normen kunnen aantonen.
Kloof tussen ‘zijn’ en ‘behoren’ De filosofische stelling dat men geen morele norm kan afleiden uit een
feitelijke constatering (funderingsprobleem)
Vrijheid Een waarde die de mogelijkheid van individuen benadrukt om keuzes te
maken zonder externe dwang.
Liberal education Onderwijs dat gericht is op het ontwikkelen van autonomie en kritisch
denken bij leerlingen.
Common school Openbaar onderwijs dat neutraal en toegankelijk is voor alle kinderen,
ongeacht religie of levensovertuiging.
Private school (Bijzonder onderwijs) Een school die lesgeeft vanuit een specifieke levensbeschouwelijke,
religieuze of onderwijskundige visie.
Autonomie De capaciteit van een individu om zelfstandig keuzes te maken en
kritisch na te denken over zijn of haar eigen waarden en normen.
Sociologisch perspectief op onderwijs Benadering die kijkt naar de invloed van onderwijs op de samenleving
en sociale cohesie.
Pedagogisch perspectief op onderwijs Benadering die zich richt op de invloed van onderwijs op de
ontwikkeling en autonomie van kinderen.