Dr. Peter Epe RA
Drs. Wim Koetzier
Wim Hoffmann RA
Jaarverslaggeving
Uitwerkingen docent
zesde druk
Noordhoff Uitgevers Groningen/Houten
, Inhoud
1 Externe verslaggeving: relaties met andere vakgebieden en ontwikkeling 3
Deel 1 Bedrijfseconomische en juridische grondslagen van de externe verslaggeving 6
2 Waarde en winst 7
3 Basisprincipes van de boekhoudkundige waarde- en winstbepaling 10
4 Regelgevers en toezichthouders 13
5 Regelgeving: materiële en formele aspecten van de publicatieplicht 16
Deel 2 De basisoverzichten van de externe verslaggeving: balans, resultatenrekening en
kasstroomoverzicht 20
6 Vaste activa 21
7 Vlottende activa 27
8 Eigen vermogen 35
9 Vreemd vermogen 38
10 Resultatenrekening 41
11 Kasstroomoverzicht 46
Deel 3 Winst- en vermogensbepaling in geval van prijsfluctuaties 49
12 Instandhoudingsdoelstellingen en waarderingsgrondslagen 50
13 Historischekostenstelsel 52
14 Vervangingswaardestelsel 59
15 Overige winstbepalingsstelsels 74
Deel 4 Concernvorming 81
16 Kapitaalbelangen 82
17 Consolidatie 89
Deel 5 Overige onderwerpen 98
18 Vreemde valuta 99
19 Winstbelasting 108
Hoofdstukoverstijgende vraagstukken 120
De uitwerkingen van de in het opgavenboek met een sterretje aangeduide vraagstukken en
casussen – bedoeld voor zelfstudie – zijn opgenomen op de website:
www.jaarverslaggeving.noordhoff.nl.
© 2011 Noordhoff Uitgevers bv 2
,1 Externe verslaggeving: relaties met andere
vakgebieden en ontwikkeling
Vraagstuk 1.1 Een handelsonderneming
a Balans per 31 december 2010 (bedragen × € 1.000)
Vaste activa Eigen vermogen 625
Gebouwen 336 Langlopende schulden
Auto’s 90 9%-hypothecaire lening 180
––– Kortlopende schulden
426 Crediteuren 110
Vlottende activa
Voorraad 100
Debiteuren 90
Liquide middelen 299
–––
489
––– –––
915 915
Toelichting:
• Gebouwen: € 352.000 – € 16.000 = € 336.000
• Auto’s: € 150.000 – € 60.000 = € 90.000
• Voorraad: 2000 (3 000 + 18 000 – 19 000) × € 50 = € 100.000
• Debiteuren: € 1.900.000 – € 1.810.000 = € 90.000
• Liquide middelen:
Saldo 1 januari 2010 € 83.000
Ontvangsten:
– Debiteuren 1 januari 2010 € 85.000 +
– Uit hoofde van verkopen in 2010 € 1.810.000 +
– Storting privégeld eigenaren € 50.000 +
Uitgaven:
– Crediteuren 1 januari 2010 € 165.000 –
– Uit hoofde van inkopen in 2010 € 790.000 –
– Uitgekeerde winst over 2009 € 40.000 –
– Aflossing lening € 20.000 –
– Interest lening € 18.000 –
– Lonen en sociale lasten € 696.000 –
––––––––––
Saldo 31 december 2010 € 299.000
• Eigen vermogen: Saldopost
• 9% hypothecaire lening: € 200.000 – € 20.000 = € 180.000
• Crediteuren: € 900.000 – € 790.000 = € 110.000
b Eigen vermogen 31 december 2010 € 625.000
Eigen vermogen 1 januari 2010 € 455.000 –
––––––––
Vermogenstoename € 170.000
Stortingen € 50.000 –
Onttrekkingen € 40.000 +
––––––––
Winst 2010 € 160.000
c Resultatenrekening over 2010
Opbrengst verkopen 19 000 × € 100 = € 1.900.000
Kostprijs verkopen 19 000 × € 50 = € 950.000
Lonen en sociale lasten € 696.000
Interestlasten 9% van € 200.000 = € 18.000
Afschrijvingen:
• Gebouwen 4% van € 400.000 = € 16.000
© 2011 Noordhoff Uitgevers bv 3
, • Auto’s 40% van € 150.000 = € 60.000
––––––––
€ 1.740.000
––––––––––
Winst € 160.000
Vraagstuk 1.2 Koninklijke Reesink nv
winst vóór aftrek van belasting + betaalde interest
a 1 RTV = × 100%
gemiddeld totale vermogen
€ 2.683 + € 609 € 3.292
= × 100% = × 100% = 2,6%
€ 124.976 € 124.976
2 REV vóór aftrek van belasting
winst vóór aftrek van belasting
= × 100%
gemiddeld eigen vermogen
€ 2.683
= × 100% = 3,6%
€ 73.522
3 REV na aftrek van belasting
nettowinst
= × 100%
gemiddeld eigen vermogen
€ 1.991
= × 100% = 2,7%
€ 73.522
b Dit wordt veroorzaakt door de afwijking van de rentabiliteit van het vreemd vermogen (RVV)
ten opzichte van de rentabiliteit van het totale vermogen (RTV).
€ 609 € 609
De RVV is × 100% = × 100% = 1,2%. Omdat de
€ 12.155 + € 39.299 € 51.454
vreemdvermogenverschaffers ‘genoegen’ nemen met een lagere vergoeding voor het ter
beschikking stellen van hun vermogen dan de RTV, komt de rentabiliteit van het eigen
vermogen vóór aftrek van belasting hoger uit dan de RTV. Men spreekt in dit verband van een
positieve hefboomwerking.
Vlottende activa € 65.943
c 1 Current ratio = = = 1,68
Kortlopende verplichtingen € 39.299
2 Als norm wordt wel gesteld dat de current ratio ongeveer 1,5 à 2 moet zijn; de current ratio
van Reesink voldoet hier per 31 december 2009 aan.
Bij de berekende current ratio dienen nog enkele kanttekeningen geplaatst te worden:
• De vlottende activa bestaan voor 69% uit voorraden; in geval van een opslagduur van
de voorraden van bijvoorbeeld twee maanden en van een betalingstermijn van de
debiteuren van eveneens twee maanden, zal het in de voorraden geïnvesteerde
vermogen gemiddeld pas na drie maanden in geldvorm vrijkomen.
• Onder de voorzieningen kunnen op korte termijn betalingsverplichtingen schuilen; deze
dienen voor de berekening van de current ratio te worden meegenomen.
Verder is het van belang op te merken dat het bepalen van de liquiditeit aan de hand van
de balans (statische liquiditeit) slechts een momentopname is; zo worden bijvoorbeeld
financiële verplichtingen die kort na balansdatum ontstaan, zoals uitgaven ten behoeve
van het productieproces en loonbetalingen, niet in de beoordeling betrokken. De liquiditeit
is daarom beter te beoordelen aan de hand van een liquiditeitsbegroting (dynamische
liquiditeit) en met behulp van een kasstroomoverzicht (zie hoofdstuk 11).
Eigen vermogen € 73.522
d 1 = = 0,59
Totaal vermogen € 124.976
2 Voor de verhouding eigen vermogen : totaal vermogen wordt vaak een minimale norm
1 1
van à gehanteerd. De verhouding van Reesink per 31 december 2009 zit hier ruim
3 4
boven. Bij de beoordeling speelt echter ook de rentabiliteit een rol. Bij een lagere
rentabiliteit (zoals in dit geval bij Reesink) is een hogere verhouding wenselijk.
e 1 De rentabiliteit van het totale vermogen zal verslechteren omdat het resultaat daalt, terwijl
het totale vermogen ongewijzigd blijft.
© 2011 Noordhoff Uitgevers bv 4
, De rentabiliteit van het eigen vermogen verslechtert eveneens omdat – bij een rentabiliteit
kleiner dan 100% – de negatieve werking van de daling van het resultaat sterker doorwerkt
op de rentabiliteitsberekening dan de positieve werking van de daling van het eigen
vermogen.
Indien het extra gegeven ertoe leidt dat op korte termijn de betalingsverplichtingen
toenemen, heeft dit een negatieve werking op de liquiditeit.
De solvabiliteit verslechtert door de toename van het vreemd vermogen en de hieraan
gelijke afname van het eigen vermogen.
2 Zowel het resultaat (door de lagere afschrijvingskosten) als het (eigen en totaal) vermogen
(door de hogere boekwaarde) zullen stijgen:
• De rentabiliteit van het (eigen en totaal) vermogen zal – bij een rentabiliteit kleiner dan
100% – stijgen omdat de positieve werking van de stijging van het resultaat sterker
doorwerkt dan de negatieve werking van de toename van het vermogen.
• De liquiditeit verandert niet.
• De solvabiliteit verbetert omdat het eigen vermogen toeneemt, terwijl het vreemd
vermogen gelijk blijft.
3 Door de daling van het vreemd vermogen en daarmee van het totaal vermogen verbetert
de rentabiliteit van het totale vermogen, terwijl de rentabiliteit van het eigen vermogen
onveranderd blijft.
De liquiditeit ondergaat in wezen geen verandering. De current ratio (zoals bij vraag c1
berekend en die veelal als indicatie wordt gebruikt bij de beoordeling van de liquiditeit)
komt echter hoger uit. Een dergelijke gebeurtenis wordt daarom vaak aangeduid als
‘window dressing’.
De solvabiliteit verbetert door de afname van het vreemd vermogen.
© 2011 Noordhoff Uitgevers bv 5
, Deel 1
Bedrijfseconomische en juridische grondslagen van de
externe verslaggeving
© 2011 Noordhoff Uitgevers bv 6
Drs. Wim Koetzier
Wim Hoffmann RA
Jaarverslaggeving
Uitwerkingen docent
zesde druk
Noordhoff Uitgevers Groningen/Houten
, Inhoud
1 Externe verslaggeving: relaties met andere vakgebieden en ontwikkeling 3
Deel 1 Bedrijfseconomische en juridische grondslagen van de externe verslaggeving 6
2 Waarde en winst 7
3 Basisprincipes van de boekhoudkundige waarde- en winstbepaling 10
4 Regelgevers en toezichthouders 13
5 Regelgeving: materiële en formele aspecten van de publicatieplicht 16
Deel 2 De basisoverzichten van de externe verslaggeving: balans, resultatenrekening en
kasstroomoverzicht 20
6 Vaste activa 21
7 Vlottende activa 27
8 Eigen vermogen 35
9 Vreemd vermogen 38
10 Resultatenrekening 41
11 Kasstroomoverzicht 46
Deel 3 Winst- en vermogensbepaling in geval van prijsfluctuaties 49
12 Instandhoudingsdoelstellingen en waarderingsgrondslagen 50
13 Historischekostenstelsel 52
14 Vervangingswaardestelsel 59
15 Overige winstbepalingsstelsels 74
Deel 4 Concernvorming 81
16 Kapitaalbelangen 82
17 Consolidatie 89
Deel 5 Overige onderwerpen 98
18 Vreemde valuta 99
19 Winstbelasting 108
Hoofdstukoverstijgende vraagstukken 120
De uitwerkingen van de in het opgavenboek met een sterretje aangeduide vraagstukken en
casussen – bedoeld voor zelfstudie – zijn opgenomen op de website:
www.jaarverslaggeving.noordhoff.nl.
© 2011 Noordhoff Uitgevers bv 2
,1 Externe verslaggeving: relaties met andere
vakgebieden en ontwikkeling
Vraagstuk 1.1 Een handelsonderneming
a Balans per 31 december 2010 (bedragen × € 1.000)
Vaste activa Eigen vermogen 625
Gebouwen 336 Langlopende schulden
Auto’s 90 9%-hypothecaire lening 180
––– Kortlopende schulden
426 Crediteuren 110
Vlottende activa
Voorraad 100
Debiteuren 90
Liquide middelen 299
–––
489
––– –––
915 915
Toelichting:
• Gebouwen: € 352.000 – € 16.000 = € 336.000
• Auto’s: € 150.000 – € 60.000 = € 90.000
• Voorraad: 2000 (3 000 + 18 000 – 19 000) × € 50 = € 100.000
• Debiteuren: € 1.900.000 – € 1.810.000 = € 90.000
• Liquide middelen:
Saldo 1 januari 2010 € 83.000
Ontvangsten:
– Debiteuren 1 januari 2010 € 85.000 +
– Uit hoofde van verkopen in 2010 € 1.810.000 +
– Storting privégeld eigenaren € 50.000 +
Uitgaven:
– Crediteuren 1 januari 2010 € 165.000 –
– Uit hoofde van inkopen in 2010 € 790.000 –
– Uitgekeerde winst over 2009 € 40.000 –
– Aflossing lening € 20.000 –
– Interest lening € 18.000 –
– Lonen en sociale lasten € 696.000 –
––––––––––
Saldo 31 december 2010 € 299.000
• Eigen vermogen: Saldopost
• 9% hypothecaire lening: € 200.000 – € 20.000 = € 180.000
• Crediteuren: € 900.000 – € 790.000 = € 110.000
b Eigen vermogen 31 december 2010 € 625.000
Eigen vermogen 1 januari 2010 € 455.000 –
––––––––
Vermogenstoename € 170.000
Stortingen € 50.000 –
Onttrekkingen € 40.000 +
––––––––
Winst 2010 € 160.000
c Resultatenrekening over 2010
Opbrengst verkopen 19 000 × € 100 = € 1.900.000
Kostprijs verkopen 19 000 × € 50 = € 950.000
Lonen en sociale lasten € 696.000
Interestlasten 9% van € 200.000 = € 18.000
Afschrijvingen:
• Gebouwen 4% van € 400.000 = € 16.000
© 2011 Noordhoff Uitgevers bv 3
, • Auto’s 40% van € 150.000 = € 60.000
––––––––
€ 1.740.000
––––––––––
Winst € 160.000
Vraagstuk 1.2 Koninklijke Reesink nv
winst vóór aftrek van belasting + betaalde interest
a 1 RTV = × 100%
gemiddeld totale vermogen
€ 2.683 + € 609 € 3.292
= × 100% = × 100% = 2,6%
€ 124.976 € 124.976
2 REV vóór aftrek van belasting
winst vóór aftrek van belasting
= × 100%
gemiddeld eigen vermogen
€ 2.683
= × 100% = 3,6%
€ 73.522
3 REV na aftrek van belasting
nettowinst
= × 100%
gemiddeld eigen vermogen
€ 1.991
= × 100% = 2,7%
€ 73.522
b Dit wordt veroorzaakt door de afwijking van de rentabiliteit van het vreemd vermogen (RVV)
ten opzichte van de rentabiliteit van het totale vermogen (RTV).
€ 609 € 609
De RVV is × 100% = × 100% = 1,2%. Omdat de
€ 12.155 + € 39.299 € 51.454
vreemdvermogenverschaffers ‘genoegen’ nemen met een lagere vergoeding voor het ter
beschikking stellen van hun vermogen dan de RTV, komt de rentabiliteit van het eigen
vermogen vóór aftrek van belasting hoger uit dan de RTV. Men spreekt in dit verband van een
positieve hefboomwerking.
Vlottende activa € 65.943
c 1 Current ratio = = = 1,68
Kortlopende verplichtingen € 39.299
2 Als norm wordt wel gesteld dat de current ratio ongeveer 1,5 à 2 moet zijn; de current ratio
van Reesink voldoet hier per 31 december 2009 aan.
Bij de berekende current ratio dienen nog enkele kanttekeningen geplaatst te worden:
• De vlottende activa bestaan voor 69% uit voorraden; in geval van een opslagduur van
de voorraden van bijvoorbeeld twee maanden en van een betalingstermijn van de
debiteuren van eveneens twee maanden, zal het in de voorraden geïnvesteerde
vermogen gemiddeld pas na drie maanden in geldvorm vrijkomen.
• Onder de voorzieningen kunnen op korte termijn betalingsverplichtingen schuilen; deze
dienen voor de berekening van de current ratio te worden meegenomen.
Verder is het van belang op te merken dat het bepalen van de liquiditeit aan de hand van
de balans (statische liquiditeit) slechts een momentopname is; zo worden bijvoorbeeld
financiële verplichtingen die kort na balansdatum ontstaan, zoals uitgaven ten behoeve
van het productieproces en loonbetalingen, niet in de beoordeling betrokken. De liquiditeit
is daarom beter te beoordelen aan de hand van een liquiditeitsbegroting (dynamische
liquiditeit) en met behulp van een kasstroomoverzicht (zie hoofdstuk 11).
Eigen vermogen € 73.522
d 1 = = 0,59
Totaal vermogen € 124.976
2 Voor de verhouding eigen vermogen : totaal vermogen wordt vaak een minimale norm
1 1
van à gehanteerd. De verhouding van Reesink per 31 december 2009 zit hier ruim
3 4
boven. Bij de beoordeling speelt echter ook de rentabiliteit een rol. Bij een lagere
rentabiliteit (zoals in dit geval bij Reesink) is een hogere verhouding wenselijk.
e 1 De rentabiliteit van het totale vermogen zal verslechteren omdat het resultaat daalt, terwijl
het totale vermogen ongewijzigd blijft.
© 2011 Noordhoff Uitgevers bv 4
, De rentabiliteit van het eigen vermogen verslechtert eveneens omdat – bij een rentabiliteit
kleiner dan 100% – de negatieve werking van de daling van het resultaat sterker doorwerkt
op de rentabiliteitsberekening dan de positieve werking van de daling van het eigen
vermogen.
Indien het extra gegeven ertoe leidt dat op korte termijn de betalingsverplichtingen
toenemen, heeft dit een negatieve werking op de liquiditeit.
De solvabiliteit verslechtert door de toename van het vreemd vermogen en de hieraan
gelijke afname van het eigen vermogen.
2 Zowel het resultaat (door de lagere afschrijvingskosten) als het (eigen en totaal) vermogen
(door de hogere boekwaarde) zullen stijgen:
• De rentabiliteit van het (eigen en totaal) vermogen zal – bij een rentabiliteit kleiner dan
100% – stijgen omdat de positieve werking van de stijging van het resultaat sterker
doorwerkt dan de negatieve werking van de toename van het vermogen.
• De liquiditeit verandert niet.
• De solvabiliteit verbetert omdat het eigen vermogen toeneemt, terwijl het vreemd
vermogen gelijk blijft.
3 Door de daling van het vreemd vermogen en daarmee van het totaal vermogen verbetert
de rentabiliteit van het totale vermogen, terwijl de rentabiliteit van het eigen vermogen
onveranderd blijft.
De liquiditeit ondergaat in wezen geen verandering. De current ratio (zoals bij vraag c1
berekend en die veelal als indicatie wordt gebruikt bij de beoordeling van de liquiditeit)
komt echter hoger uit. Een dergelijke gebeurtenis wordt daarom vaak aangeduid als
‘window dressing’.
De solvabiliteit verbetert door de afname van het vreemd vermogen.
© 2011 Noordhoff Uitgevers bv 5
, Deel 1
Bedrijfseconomische en juridische grondslagen van de
externe verslaggeving
© 2011 Noordhoff Uitgevers bv 6