psychopathologie bij mensen met een licht
verstandelijke beperking: aanzetten voor interventie
Inleiding:
Meer dan de helft van de mensen met een licht verstandelijke beperking heeft een of andere
vorm van psychopathologie, vooral gedragsstoornissen en depressie of gedragsproblemen.
Het is moeilijk om de oorzaak van de gedragsproblemen in verband te brengen met de
oorzaak van de beperking, want slechts bij 20-24% van de mensen met LVB is deze bekend.
Duidelijk is wel dat de groep mensen met LVB zich kenmerkt door gebrekkige kennis en
vaardigheden, waarbij deze tekorten gerelateerd zijn aan de gedragsproblemen. Om de hoge
prevalentie van psychopathologie bij mensen met LVB te duiden, moeten hun beperkingen
in het cognitieve functioneren in kaart worden gebracht. Deze beperkingen vormen het
onderscheidende kenmerk van deze groep. Bijvoorbeeld:
Het gebrekkige kortetermijnwerkgeheugen, dat gerelateerd blijkt aan beperkingen in
het gebruik van verbale strategieën om dagelijkse problemen op te lossen. Mensen
met LVB ervaren dan ook frequent dagelijkse problemen die voor hen onoplosbaar
zijn.
De beperkingen in executieve (verbale) functies en metavaardigheden, zoals
zelfmonitoring. Dit betekent dat deze mensen moeite hebben te reflecteren op
gekozen oplossingen en onvoldoende leren van gemaakte fouten; gemaakte fouten
worden herhaald.
Problemen op het gebied van perspectief nemen en ‘theory of mind’. Tekorten op
deze gebieden maken het mensen moeilijk een adequate betekenis te geven aan
sociaal gedrag van anderen. Zij hebben problemen om sociale signalen te duiden.
De keuze voor ‘negatief’ gedrag in sociale situaties die als onduidelijk beleefd
worden.
Veel mensen met LVB hebben geen of weinig vrienden.
Het gebrek aan empathie, impulsiviteit, maar vooral de cognitieve beperking en het
gebrek aan vrienden – maken mensen met LVB daarnaast ook kwetsbaar voor
pestgedrag van anderen.
De meeste problemen doen zich dus voor in de sociale omgeving. Velen ontwikkelen door
deze geschiedenis van stress en van problemen op sociaal gebied een negatief zelfbeeld, wat
hen vervolgens weer nog kwetsbaarder maakt. De tekorten in cognitieve vaardigheden in
combinatie met omgevingsfactoren stellen mensen met LVB dus vaak voor stressvolle
situaties.
Stress en coping bij mensen met LVB:
Stress wordt gedefinieerd als een situatie van bedreigd welzijn waaruit het individu geen
uitweg weet en zich hopeloos en hulpeloos voelt. Verwerking van stress verloopt in twee
fasen.
Eerste fase van stressverwerking:
, In de eerste fase van stressverwerking (primary appraisal) gaat het individu na in hoeverre
een potentiële stresssituatie zijn persoonlijke welzijn in gevaar brengt. Hij toetst de situatie
(instinctief of bewust) aan de eigen opvattingen over wat wel of niet bedreigend is. De
eerdere ervaringen met deze of een soortgelijke situatie zijn daarvoor bepalend. Die eerdere
ervaringen leiden tot veranderingen in de neurale patronen van het brein. Deze ervaringen
slijpen als het ware in. Porges spreekt in dit verband over ‘neuroception of safety, danger, or
threat’, een automatisme op basaal niveau, buiten het bewustzijn van het individu.
Wanneer geen dreiging wordt ervaren, kan de stresssituatie genegeerd worden en kan,
volgens Porges, het ‘social engagement system’ worden benut. Het individu kan dan
ongestoord en in alle rust sociale relaties aangaan en/of een gehechtheidrelatie
ontwikkelen.
Mensen met (L)VB ervaren vaker dreiging, wellicht vanwege de talrijke ingeslepen negatieve
ervaringen. Wanneer zij dreiging ervaren, leidt deze (ingeslepen) evaluatie of appraisal tot
een activering van het biologische systeem (sympathische component van het autonome
zenuwstelsel): verhoogde hartslag en bloeddruk, snellere ademhaling, spierspanning en
endocriene output, die alle tot doel hebben om het organisme in gereedheid te brengen om
bedreigingen van het welzijn of evenwicht te bestrijden: vechten of vluchten.
Tweede fase van stressverwerking:
Daarop volgt fase 2 (secondary appraisal), waarin de beschikbaarheid en de effectiviteit van
de eigen vaardigheden en hulpbronnen om de dreiging het hoofd te bieden worden
geëvalueerd. Er zijn dan 2 uitkomsten mogelijk:
1. De secondary appraisal is negatief: de vereiste competenties worden als niet
aanwezig of als onvoldoende beoordeeld, wat bij mensen met LVB vaak het geval zal
zijn. Het individu voelt zich hulpeloos: de stresssituatie is voor hem oncontroleerbaar.
Dit gevoel van onmacht gaat gepaard met een psychofysiologische hyperarousal
(verhoogde biologische reacties: hartslag, bloeddruk enzovoort). Het organisme
maakt zich op voor instinctief vecht- of vluchtgedrag. Mensen met LVB vertonen deze
twee vormen van gedrag, vluchten en vechten, in hoge mate. Deze hyperarousal kan
later overgaan in het tegenovergestelde: hypoarousal, ook wel aangeduid als een
dissociatieve psychofysiologische reactie. Hierbij lijkt het individu uit wanhoop de
stressvolle situatie te negeren. De Engelse term voor dit fenomeen is ‘stilling’: een
schijnbaar onaangedane bewegingloosheid en verdoving. Het treedt in werking bij
extreme hulpeloosheid in een als onbeheersbaar en levensbedreigend ervaren
situatie. Het is vluchten bij afwezigheid van een vluchtweg. Daarbij is vooral het
stresshormoon cortisol actief. De gerelateerde toename van endogene opiaten zorgt
in deze noodsituatie voor het afzwakken van pijnervaringen.
2. De secondary appraisal is positief: de vereiste competenties worden als aanwezig
beoordeeld. Het individu acht zichzelf in staat tot probleemoplossend gedrag. Een
positieve secondary appraisal leidt niet altijd tot daadwerkelijk ingrijpen in een
stressvolle situatie, of een probleem-georiënteerde strategie. Men kan ook
gebruikmaken van een zogenoemde emotie-georiënteerde strategie. Daarbij komt
het individu tot een herdefiniëring van de stresssituatie, wijzigt de aanvankelijke
opvattingen over de ervaren situatie of maakt gebruik van