Kennismaking met onderzoeksmethoden en statistiek (KOM)
College 1
Inleiding
Sociaalwetenschappelijk onderzoek voor een groot deel meetbaar maken van uitspraken/
onderzoeksvragen.
Bronnen van informatie
- Intuïtie afgaan op gevoel. Kans op invloed van eigen ervaringen (bias), dus niet
beste/ betrouwbaarste bron
- Ervaringen dingen die je hebt gezien of meegemaakt. Geen goede informatiebron
vanwege bias, scheve blik (vertekening in informatie die je krijgt).
- Autoriteit zoals de koning, iemand die ‘hoog staat’. Bepaalde autoriteit niet voor
elk onderwerp geschikt (koning niet voor vraagstuk eenzaamheid, maar wel expert
eenzaamheid bijv.)
- Wetenschap beste bron van informatie
Kenmerken wetenschappelijk onderzoek
1. Empirisch gebaseerd op systematische waarnemingen (metingen, observaties,
etc.)
2. Controleerbaar onderzoekers controleren onderzoeken van anderen, onderzoeken
kunnen worden herhaald.
3. Probabilistisch onderzoek vindt ondersteunende data, maar geen data dat overal
voor geldt (je kan niet zeggen ‘het is zo en nooit anders’). Dus niet deterministisch
Theorie datacyclus
- Begint met een theorie (soms globaler idee) denkbeelden, hypothesen en
verklaringen die in onderlinge samenhang worden beschreven. In wetenschap vaak
iets dat is getoetst en iets zegt over de werkelijkheid.
niet een zin, maar de manier waarop veel verschillende factoren in relatie staan
met elkaar.
- Onderzoeksvraag volgt uit theorie, onderzoekers gaan zich hierover dingen
afvragen
- Onderzoek ontwerp opzet van het onderzoek om uiteindelijk antwoord te geven
op de onderzoeksvraag
- Hypothesen bij kwalitatief onderzoek wordt dit meestal overgeslagen, omdat je
hierbij niet hypothesen wilt toetsen; bij kwantitatief onderzoek gebeurd dit wel.
- Dataverzameling
- Data-analyse
Soms vindt men ondersteunende data en soms juist niet-ondersteunende data.
De data ondersteunen bepaalde ideeën wel of niet, maar zijn nooit leidend voor
alle situaties (kan niet zeggen ‘het is zo en niet anders’).
Een goede wetenschappelijke theorie, 3 kenmerken:
1. Ondersteund door data data uit wetenschappelijk onderzoek
2. Falsifieerbaar theorie moet weerlegd kunnen worden
, 3. Spaarzaam (parsimonious) theorie hoeft niet complexer gemaakt te worden
wanneer de eenvoudige theorie al genoeg is.
Onderzoeksvragen
- Twee soorten:
Fundamentele onderzoeksvraag uitvogelen hoe iets zit, algemene kennis (wat
gebeurt er in het hoofd van een kind met dyslexie?)
Toegepaste onderzoeksvraag effect van bepaalde behandelingen en
dergelijken, toegepaste vraag (wat is het effect van training x op het leesniveau
van kinderen met dyslexie?)
- Derde soort; translationeel zit tussen de andere twee in (maar komt niet aanbod)
Bij kwalitatief over ervaring persoon
Onderzoek ontwerp
- Geeft antwoord op verschillende vragen:
- Wat voor empirische gegevens worden verzameld?
- Zijn de gegevens kwalitatief (data zonder cijfertjes, vb eigen ervaringen) of
kwantitatief (data bestaande uit cijfertjes, vb schoolcijfers of vragenlijsten)?
- Hoe worden de gegevens verzameld?
- Bij wie worden empirische gegevens verzameld?
In deze stap dit alleen bedenken en opzetten, bij data verzameling pas uitvoeren
en op die manier de data verkrijgen.
Bij niet ondersteunende data, eerst kijken of het onderzoek ontwerp wel juist was
bij de onderzoeksvraag. Als dit niet zo is, nieuw onderzoek ontwerp bij zelfde vraag.
Kwalitatief onderzoek
- Onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van tekstuele data (verslagen, foto’s
video’s kranten, etc.)
- Doelen van kwalitatief onderzoek:
Sociale fenomenen begrijpen vanuit hun natuurlijke context
Empirische patronen vinden
Startpunt vormen voor theorievorming (nieuwe theorie ontwikkelen of bestaande
theorie aanpassen/ uitbreiden).
- Onderzoeksonderwerpen; ouderen zorg (culturele verschillen), daten (motieven),
wapenbezit (mening Amerikanen)
- Kenmerken kwalitatief onderzoek
1. Onderzoeker is geïnteresseerd in de natuurlijke omgevingen van de respondent.
2. Onderzoeker heeft een contextuele benadering
3. Perspectief van de respondent staat centraal
4. Via specifieke observaties sociale werkelijkheid omschrijven naar al haar
diversiteit en naar algemeenheden zoeken die nieuwe theorieën vormen/
bestaande theorieën aanpassen.
5. De onderzoeker is nadrukkelijk aanwezig bij de data-verzameling (vooral bij
interviews). Onderzoeker kan hierbij twee rollen aannemen:
Participant onderzoeker is ‘een van participanten’, onderzoeker staat zo
dichterbij participanten en krijgt waarschijnlijk meer bij hen los.
Buitenstaander onderzoeker neemt meer afstand tov de participanten.
, Inductief onderzoek
Onderzoeksvraag bij kwalitatief onderzoek
- SPI(C)E:
Setting natuurlijke context, in welke context speelt het onderzoek (vb ouderen;
ouderen die in de stad wonen, ouderen die al … jaar uit elkaar zijn, etc.)
Perspective/ population mensen die je onderzoekt/ waar je iets over te weten
wilt komen.
Interest wat wil je weten van de groep mensen die je gaat onderzoeken (vb
wat zijn motieven om te daten; daten is hier interest).
Comparison vergeleken met wie of wat bijvoorbeeld verschillen tussen mensen
(is dus niet altijd)
Evaluation wat wil je meten over hetgeen dat je wilt weten (vb wat zijn
motieven om te daten; motieven is hier evaluation).
Figuur 1-theorie data cyclus
College 1
Inleiding
Sociaalwetenschappelijk onderzoek voor een groot deel meetbaar maken van uitspraken/
onderzoeksvragen.
Bronnen van informatie
- Intuïtie afgaan op gevoel. Kans op invloed van eigen ervaringen (bias), dus niet
beste/ betrouwbaarste bron
- Ervaringen dingen die je hebt gezien of meegemaakt. Geen goede informatiebron
vanwege bias, scheve blik (vertekening in informatie die je krijgt).
- Autoriteit zoals de koning, iemand die ‘hoog staat’. Bepaalde autoriteit niet voor
elk onderwerp geschikt (koning niet voor vraagstuk eenzaamheid, maar wel expert
eenzaamheid bijv.)
- Wetenschap beste bron van informatie
Kenmerken wetenschappelijk onderzoek
1. Empirisch gebaseerd op systematische waarnemingen (metingen, observaties,
etc.)
2. Controleerbaar onderzoekers controleren onderzoeken van anderen, onderzoeken
kunnen worden herhaald.
3. Probabilistisch onderzoek vindt ondersteunende data, maar geen data dat overal
voor geldt (je kan niet zeggen ‘het is zo en nooit anders’). Dus niet deterministisch
Theorie datacyclus
- Begint met een theorie (soms globaler idee) denkbeelden, hypothesen en
verklaringen die in onderlinge samenhang worden beschreven. In wetenschap vaak
iets dat is getoetst en iets zegt over de werkelijkheid.
niet een zin, maar de manier waarop veel verschillende factoren in relatie staan
met elkaar.
- Onderzoeksvraag volgt uit theorie, onderzoekers gaan zich hierover dingen
afvragen
- Onderzoek ontwerp opzet van het onderzoek om uiteindelijk antwoord te geven
op de onderzoeksvraag
- Hypothesen bij kwalitatief onderzoek wordt dit meestal overgeslagen, omdat je
hierbij niet hypothesen wilt toetsen; bij kwantitatief onderzoek gebeurd dit wel.
- Dataverzameling
- Data-analyse
Soms vindt men ondersteunende data en soms juist niet-ondersteunende data.
De data ondersteunen bepaalde ideeën wel of niet, maar zijn nooit leidend voor
alle situaties (kan niet zeggen ‘het is zo en niet anders’).
Een goede wetenschappelijke theorie, 3 kenmerken:
1. Ondersteund door data data uit wetenschappelijk onderzoek
2. Falsifieerbaar theorie moet weerlegd kunnen worden
, 3. Spaarzaam (parsimonious) theorie hoeft niet complexer gemaakt te worden
wanneer de eenvoudige theorie al genoeg is.
Onderzoeksvragen
- Twee soorten:
Fundamentele onderzoeksvraag uitvogelen hoe iets zit, algemene kennis (wat
gebeurt er in het hoofd van een kind met dyslexie?)
Toegepaste onderzoeksvraag effect van bepaalde behandelingen en
dergelijken, toegepaste vraag (wat is het effect van training x op het leesniveau
van kinderen met dyslexie?)
- Derde soort; translationeel zit tussen de andere twee in (maar komt niet aanbod)
Bij kwalitatief over ervaring persoon
Onderzoek ontwerp
- Geeft antwoord op verschillende vragen:
- Wat voor empirische gegevens worden verzameld?
- Zijn de gegevens kwalitatief (data zonder cijfertjes, vb eigen ervaringen) of
kwantitatief (data bestaande uit cijfertjes, vb schoolcijfers of vragenlijsten)?
- Hoe worden de gegevens verzameld?
- Bij wie worden empirische gegevens verzameld?
In deze stap dit alleen bedenken en opzetten, bij data verzameling pas uitvoeren
en op die manier de data verkrijgen.
Bij niet ondersteunende data, eerst kijken of het onderzoek ontwerp wel juist was
bij de onderzoeksvraag. Als dit niet zo is, nieuw onderzoek ontwerp bij zelfde vraag.
Kwalitatief onderzoek
- Onderzoek waarbij gebruik wordt gemaakt van tekstuele data (verslagen, foto’s
video’s kranten, etc.)
- Doelen van kwalitatief onderzoek:
Sociale fenomenen begrijpen vanuit hun natuurlijke context
Empirische patronen vinden
Startpunt vormen voor theorievorming (nieuwe theorie ontwikkelen of bestaande
theorie aanpassen/ uitbreiden).
- Onderzoeksonderwerpen; ouderen zorg (culturele verschillen), daten (motieven),
wapenbezit (mening Amerikanen)
- Kenmerken kwalitatief onderzoek
1. Onderzoeker is geïnteresseerd in de natuurlijke omgevingen van de respondent.
2. Onderzoeker heeft een contextuele benadering
3. Perspectief van de respondent staat centraal
4. Via specifieke observaties sociale werkelijkheid omschrijven naar al haar
diversiteit en naar algemeenheden zoeken die nieuwe theorieën vormen/
bestaande theorieën aanpassen.
5. De onderzoeker is nadrukkelijk aanwezig bij de data-verzameling (vooral bij
interviews). Onderzoeker kan hierbij twee rollen aannemen:
Participant onderzoeker is ‘een van participanten’, onderzoeker staat zo
dichterbij participanten en krijgt waarschijnlijk meer bij hen los.
Buitenstaander onderzoeker neemt meer afstand tov de participanten.
, Inductief onderzoek
Onderzoeksvraag bij kwalitatief onderzoek
- SPI(C)E:
Setting natuurlijke context, in welke context speelt het onderzoek (vb ouderen;
ouderen die in de stad wonen, ouderen die al … jaar uit elkaar zijn, etc.)
Perspective/ population mensen die je onderzoekt/ waar je iets over te weten
wilt komen.
Interest wat wil je weten van de groep mensen die je gaat onderzoeken (vb
wat zijn motieven om te daten; daten is hier interest).
Comparison vergeleken met wie of wat bijvoorbeeld verschillen tussen mensen
(is dus niet altijd)
Evaluation wat wil je meten over hetgeen dat je wilt weten (vb wat zijn
motieven om te daten; motieven is hier evaluation).
Figuur 1-theorie data cyclus