Social anxiety disorder, Panic disorder,
Obsessive compulsive disorder
Artikel 1: Cognitive biases among Individuals with Social Anxiety in het boek: “The Wiley Blackwell Handbook of
Social Anxiety Disorder” (W. Weeks.)
In dit hoofdstuk bespreken Steinman, Gorlin en Teachman cognitieve biases die vaak
voorkomen bij mensen met sociale angst. Ze vragen zich af waarom deze personen zichzelf
als sociaal incompetent zien, zelfs zonder negatieve feedback van anderen en waarom
positieve feedback hun angst nauwelijks vermindert. Volgens cognitieve modellen van sociale
angst, zoals die van Beck en Clark & Wells, hebben mensen met sociale angst negatieve
overtuigingen over zichzelf in sociale situaties. Ze stellen extreem hoge eisen aan
zichzelf, zijn bang voor negatieve evaluatie, en hebben vaak vaste overtuigingen over
hun eigen tekortkomingen.
Clark en Wells benadrukken dat sociaal angstige mensen zich in sociale situaties sterk op
zichzelf richten, waardoor ze minder gevoelig zijn voor externe signalen, zoals vriendelijke
reacties. Hierdoor missen ze positieve feedback die hun negatieve zelfbeeld zou kunnen
corrigeren. In plaats daarvan vertrouwen ze op hun eigen angstgevoelens, wat hun negatieve
overtuigingen versterkt. Ze interpreteren sociale situaties vaak negatief, bereiden zich
overdreven voor om afwijzing te vermijden, en overdenken na afloop wat er mis zou zijn
gegaan. Deze processen belemmeren hun sociale functioneren en houden de angst in stand.
De onderzoekers bekijken in dit hoofdstuk wat er uit onderzoek bekend is over biases bij
mensen met sociale angst. Ze kijken bijvoorbeeld naar hoe deze mensen aandacht geven aan
dingen, hoe ze situaties interpreteren, wat ze onthouden, en welke onbewuste gedachten ze
hebben. Er is best veel bewijs dat mensen met sociale angst anders denken dan mensen
zonder die angst. Maar er is nog niet veel onderzoek dat echt laat zien of deze denkfouten
sociale angst veroorzaken of erger maken.
Interpretaties en oordelen
Mensen met sociale angst beoordelen sociale situaties vaak negatiever dan mensen zonder
die angst. Ze schatten bijvoorbeeld de kans op negatieve gebeurtenissen te hoog in, en
denken dat zulke gebeurtenissen ernstige gevolgen hebben. Ook vinden ze hun eigen gedrag
slechter dan het in werkelijkheid is, terwijl ze anderen wel redelijk objectief beoordelen.
Onderzoek laat zien dat mensen met sociale angst onduidelijke (ambigue) sociale signalen
vaak op een negatieve manier uitleggen. Bijvoorbeeld: als iemand neutraal kijkt tijdens een
gesprek, denken zij eerder dat die persoon hen niet mag. Dit patroon is specifiek voor sociale
angst en komt minder voor bij andere psychische klachten. Soms blijkt niet dat ze extra
negatief zijn, maar juist dat ze een positieve kijk missen die anderen wel hebben. Ze zien
bijvoorbeeld neutrale situaties niet als iets wat ook goed kan uitpakken.
Zelfs positieve gebeurtenissen worden vaak afgezwakt. Een compliment nemen ze minder
snel serieus. Ook lichamelijke signalen zoals blozen of zweten beoordelen ze als gevaarlijk,
omdat ze denken dat anderen die signalen negatief zullen opvatten.
Deze negatieve interpretaties gelden zelfs voor gezichten: mensen met sociale angst vinden
neutrale of blije gezichten eerder afwijzend, minder vriendelijk of zelfs kritisch. Toch is er
goed nieuws: deze denkfouten zijn te veranderen. Na cognitieve gedragstherapie (CGT)
,blijken mensen minder negatief te denken over sociale situaties. Ook nieuwe behandelingen,
zoals cognitieve bias-modificatietraining (CBM), kunnen helpen. Daarbij leren mensen om
bewuster positieve of neutrale betekenissen te geven aan onduidelijke sociale situaties.
Selective Attention Bias
Unconscious Selective Attention / onbewuste aandacht
Onderzoek met taken zoals de Dot Probe test en Emotional Stroop test toont aan dat zelfs
mensen zonder angst sneller bedreigende gezichten opmerken. De vraag is of mensen met
sociale angst dit nog sterker doen. De resultaten zijn gemengd: sommige studies laten zien
dat mensen met sociale angst sneller reageren op bedreigende gezichten die heel kort en
onbewust worden getoond, maar andere studies vinden geen verschil met mensen zonder
angst. Dit kan komen door kleine steekproeven, verschillende onderzoeksmethoden, of
andere invloeden zoals stress, depressie of alcoholgebruik.
Sommige onderzoekers denken dat er eerst meer aandacht is voor gevaar (hypervigilantie),
gevolgd door vermijding ervan. Andere studies tonen via hersenactiviteit (zoals event-related
potentials), oogbewegingen of gevoeligheid voor gezichtsuitdrukkingen wél subtiele
verschillen aan, ook als reactietijd geen verschil laat zien. Kortom: er is nog veel onzekerheid
over wat er precies gebeurt op onbewust niveau.
Conscious Selective Attention / onbewuste aandacht
Voor bewuste aandacht is het bewijs sterker. Mensen met sociale angst letten meer op
bedreigende woorden of gezichten, vooral in het begin van een situatie. Ze reageren
langzamer op neutrale taken als daar bedreigende woorden of gezichten bij horen. Dit effect
treedt vooral op als de prikkel kort zichtbaar is (bijv. 500 ms). Er is ook bewijs dat mensen
met sociale angst moeite hebben om hun aandacht van bedreigende signalen af te halen,
zoals blijkt uit oogbewegingsonderzoek.
Soms blijkt juist dat mensen met sociale angst bedreiging vermijden, vooral als ze zich erg
gespannen voelen of een stressvolle taak (zoals een speech) verwachten. Mogelijk is dit een
manier om zichzelf te beschermen tegen nog meer spanning.
Taken zoals de "face-in-the-crowd"-test laten zien dat mensen met sociale angst sneller boze
gezichten opmerken tussen andere gezichten, en dat ze negatieve signalen efficiënter
herkennen dan positieve. Ook dit wijst op een bias richting bedreiging.
Post-event Processing (PEP) en Geheugen
Mensen met sociale angst blijven na sociale situaties vaak piekeren over hoe het is gegaan.
Dit heet Post-event Processing (PEP). Ze herhalen in gedachten wat er misging, wat hun
zelfbeeld negatief beïnvloedt. Volgens het model van Clark en Wells zorgt dit piekeren ervoor
dat ze situaties ook negatiever onthouden, wat hun angst in stand houdt.
Wat blijkt uit onderzoek?
PEP komt veel voor bij mensen met sociale angst en hangt samen met negatievere
zelfevaluaties na sociale interacties.
Mensen die veel PEP doen, vermijden vaker toekomstige sociale situaties.
Onderzoek naar geheugen laat wisselende resultaten zien:
o Sommige studies tonen aan dat mensen met sociale angst zich meer negatieve,
zelfgerichte informatie herinneren.
o Andere studies vinden geen verschil of juist vermijding van negatieve informatie.
, De uitkomsten hangen sterk af van hoe het geheugen wordt getest (bijvoorbeeld herkenning
vs. vrije herinnering), welke informatie wordt aangeboden (woorden of gezichten), en of
mensen op dat moment stress of angst ervaren.
Andere invloeden op geheugen
Mensen met sociale angst herinneren negatieve feedback sterker, vooral als ze daar
bewust op focussen.
Positieve feedback wordt minder goed onthouden, of zelfs weggelaten uit hun
geheugen.
Ze onthouden vaak globale negatieve oordelen (“Ik was slecht”) in plaats
van specifieke details (“Ik zei ‘uhm’ te vaak”).
Er zijn ook aanwijzingen dat mensen met sociale angst bedreigende informatie actief
onderdrukken, wat hun angst op lange termijn juist kan versterken doordat ze nooit leren dat
die bedreiging misschien niet zo erg was.
Impliciete associaties
Mensen met sociale angst hebben vaak onbewuste, automatische associaties tussen sociale
situaties en negatieve uitkomsten. Ze linken bijvoorbeeld woorden als "date" aan "afwijzing",
of "blozen" aan "kritiek", zonder dat ze daar controle over hebben. Zulke automatische
reacties worden gemeten met tests zoals de Implicit Association Test (IAT), waarbij
mensen snel woorden moeten categoriseren, bijvoorbeeld “zelf” vs. “anderen” en “goed” vs.
“slecht”. Als iemand sneller reageert op de combinatie “zelf” + “slecht”, wijst dat op lage
impliciete zelfwaardering.
Wat is er gevonden?
Mensen met sociale angst (HSA/SAD) maken sterkere automatische koppelingen tussen
sociale signalen en negatieve uitkomsten dan mensen zonder angst.
Ze hebben ook lagere impliciete zelfwaardering dan niet-angstige personen.
Zulke impliciete negatieve associaties (zoals “ik + angstig” of “blozen + schaamte”)
kunnen zelfs voorspellen wie later sociale angst ontwikkelt.
Sommige studies laten zien dat deze automatische negatieve koppelingen sterker zijn bij
sociale angst dan bij andere angststoornissen, zoals paniekstoornis. Dat wijst erop dat deze
associaties specifiek zijn voor sociale angstklachten.
Er zijn aanwijzingen dat behandeling invloed kan hebben op impliciete associaties:
Na cognitieve gedragstherapie (CGT) daalt de automatische koppeling tussen "zelf"
en negatieve woorden.
Ook voorbereiding op een sociale taak kan helpen om negatieve impliciete
zelfbeelden te verminderen.
In experimenten waarbij mensen positieve beelden van zichzelf koppelden aan
vriendelijke gezichten, verminderde de automatische angst voor afwijzing en
durfden ze sneller een sociale taak uit te voeren (zoals een speech geven).
Belangrijk om te weten: Hoewel deze automatische negatieve koppelingen kenmerkend
zijn voor sociale angst, is nog niet helemaal duidelijk of het veranderen van deze associaties
ook direct zorgt voor minder sociale angstklachten. Meer onderzoek is nodig om dat causale
verband goed vast te stellen.
Obsessive compulsive disorder
Artikel 1: Cognitive biases among Individuals with Social Anxiety in het boek: “The Wiley Blackwell Handbook of
Social Anxiety Disorder” (W. Weeks.)
In dit hoofdstuk bespreken Steinman, Gorlin en Teachman cognitieve biases die vaak
voorkomen bij mensen met sociale angst. Ze vragen zich af waarom deze personen zichzelf
als sociaal incompetent zien, zelfs zonder negatieve feedback van anderen en waarom
positieve feedback hun angst nauwelijks vermindert. Volgens cognitieve modellen van sociale
angst, zoals die van Beck en Clark & Wells, hebben mensen met sociale angst negatieve
overtuigingen over zichzelf in sociale situaties. Ze stellen extreem hoge eisen aan
zichzelf, zijn bang voor negatieve evaluatie, en hebben vaak vaste overtuigingen over
hun eigen tekortkomingen.
Clark en Wells benadrukken dat sociaal angstige mensen zich in sociale situaties sterk op
zichzelf richten, waardoor ze minder gevoelig zijn voor externe signalen, zoals vriendelijke
reacties. Hierdoor missen ze positieve feedback die hun negatieve zelfbeeld zou kunnen
corrigeren. In plaats daarvan vertrouwen ze op hun eigen angstgevoelens, wat hun negatieve
overtuigingen versterkt. Ze interpreteren sociale situaties vaak negatief, bereiden zich
overdreven voor om afwijzing te vermijden, en overdenken na afloop wat er mis zou zijn
gegaan. Deze processen belemmeren hun sociale functioneren en houden de angst in stand.
De onderzoekers bekijken in dit hoofdstuk wat er uit onderzoek bekend is over biases bij
mensen met sociale angst. Ze kijken bijvoorbeeld naar hoe deze mensen aandacht geven aan
dingen, hoe ze situaties interpreteren, wat ze onthouden, en welke onbewuste gedachten ze
hebben. Er is best veel bewijs dat mensen met sociale angst anders denken dan mensen
zonder die angst. Maar er is nog niet veel onderzoek dat echt laat zien of deze denkfouten
sociale angst veroorzaken of erger maken.
Interpretaties en oordelen
Mensen met sociale angst beoordelen sociale situaties vaak negatiever dan mensen zonder
die angst. Ze schatten bijvoorbeeld de kans op negatieve gebeurtenissen te hoog in, en
denken dat zulke gebeurtenissen ernstige gevolgen hebben. Ook vinden ze hun eigen gedrag
slechter dan het in werkelijkheid is, terwijl ze anderen wel redelijk objectief beoordelen.
Onderzoek laat zien dat mensen met sociale angst onduidelijke (ambigue) sociale signalen
vaak op een negatieve manier uitleggen. Bijvoorbeeld: als iemand neutraal kijkt tijdens een
gesprek, denken zij eerder dat die persoon hen niet mag. Dit patroon is specifiek voor sociale
angst en komt minder voor bij andere psychische klachten. Soms blijkt niet dat ze extra
negatief zijn, maar juist dat ze een positieve kijk missen die anderen wel hebben. Ze zien
bijvoorbeeld neutrale situaties niet als iets wat ook goed kan uitpakken.
Zelfs positieve gebeurtenissen worden vaak afgezwakt. Een compliment nemen ze minder
snel serieus. Ook lichamelijke signalen zoals blozen of zweten beoordelen ze als gevaarlijk,
omdat ze denken dat anderen die signalen negatief zullen opvatten.
Deze negatieve interpretaties gelden zelfs voor gezichten: mensen met sociale angst vinden
neutrale of blije gezichten eerder afwijzend, minder vriendelijk of zelfs kritisch. Toch is er
goed nieuws: deze denkfouten zijn te veranderen. Na cognitieve gedragstherapie (CGT)
,blijken mensen minder negatief te denken over sociale situaties. Ook nieuwe behandelingen,
zoals cognitieve bias-modificatietraining (CBM), kunnen helpen. Daarbij leren mensen om
bewuster positieve of neutrale betekenissen te geven aan onduidelijke sociale situaties.
Selective Attention Bias
Unconscious Selective Attention / onbewuste aandacht
Onderzoek met taken zoals de Dot Probe test en Emotional Stroop test toont aan dat zelfs
mensen zonder angst sneller bedreigende gezichten opmerken. De vraag is of mensen met
sociale angst dit nog sterker doen. De resultaten zijn gemengd: sommige studies laten zien
dat mensen met sociale angst sneller reageren op bedreigende gezichten die heel kort en
onbewust worden getoond, maar andere studies vinden geen verschil met mensen zonder
angst. Dit kan komen door kleine steekproeven, verschillende onderzoeksmethoden, of
andere invloeden zoals stress, depressie of alcoholgebruik.
Sommige onderzoekers denken dat er eerst meer aandacht is voor gevaar (hypervigilantie),
gevolgd door vermijding ervan. Andere studies tonen via hersenactiviteit (zoals event-related
potentials), oogbewegingen of gevoeligheid voor gezichtsuitdrukkingen wél subtiele
verschillen aan, ook als reactietijd geen verschil laat zien. Kortom: er is nog veel onzekerheid
over wat er precies gebeurt op onbewust niveau.
Conscious Selective Attention / onbewuste aandacht
Voor bewuste aandacht is het bewijs sterker. Mensen met sociale angst letten meer op
bedreigende woorden of gezichten, vooral in het begin van een situatie. Ze reageren
langzamer op neutrale taken als daar bedreigende woorden of gezichten bij horen. Dit effect
treedt vooral op als de prikkel kort zichtbaar is (bijv. 500 ms). Er is ook bewijs dat mensen
met sociale angst moeite hebben om hun aandacht van bedreigende signalen af te halen,
zoals blijkt uit oogbewegingsonderzoek.
Soms blijkt juist dat mensen met sociale angst bedreiging vermijden, vooral als ze zich erg
gespannen voelen of een stressvolle taak (zoals een speech) verwachten. Mogelijk is dit een
manier om zichzelf te beschermen tegen nog meer spanning.
Taken zoals de "face-in-the-crowd"-test laten zien dat mensen met sociale angst sneller boze
gezichten opmerken tussen andere gezichten, en dat ze negatieve signalen efficiënter
herkennen dan positieve. Ook dit wijst op een bias richting bedreiging.
Post-event Processing (PEP) en Geheugen
Mensen met sociale angst blijven na sociale situaties vaak piekeren over hoe het is gegaan.
Dit heet Post-event Processing (PEP). Ze herhalen in gedachten wat er misging, wat hun
zelfbeeld negatief beïnvloedt. Volgens het model van Clark en Wells zorgt dit piekeren ervoor
dat ze situaties ook negatiever onthouden, wat hun angst in stand houdt.
Wat blijkt uit onderzoek?
PEP komt veel voor bij mensen met sociale angst en hangt samen met negatievere
zelfevaluaties na sociale interacties.
Mensen die veel PEP doen, vermijden vaker toekomstige sociale situaties.
Onderzoek naar geheugen laat wisselende resultaten zien:
o Sommige studies tonen aan dat mensen met sociale angst zich meer negatieve,
zelfgerichte informatie herinneren.
o Andere studies vinden geen verschil of juist vermijding van negatieve informatie.
, De uitkomsten hangen sterk af van hoe het geheugen wordt getest (bijvoorbeeld herkenning
vs. vrije herinnering), welke informatie wordt aangeboden (woorden of gezichten), en of
mensen op dat moment stress of angst ervaren.
Andere invloeden op geheugen
Mensen met sociale angst herinneren negatieve feedback sterker, vooral als ze daar
bewust op focussen.
Positieve feedback wordt minder goed onthouden, of zelfs weggelaten uit hun
geheugen.
Ze onthouden vaak globale negatieve oordelen (“Ik was slecht”) in plaats
van specifieke details (“Ik zei ‘uhm’ te vaak”).
Er zijn ook aanwijzingen dat mensen met sociale angst bedreigende informatie actief
onderdrukken, wat hun angst op lange termijn juist kan versterken doordat ze nooit leren dat
die bedreiging misschien niet zo erg was.
Impliciete associaties
Mensen met sociale angst hebben vaak onbewuste, automatische associaties tussen sociale
situaties en negatieve uitkomsten. Ze linken bijvoorbeeld woorden als "date" aan "afwijzing",
of "blozen" aan "kritiek", zonder dat ze daar controle over hebben. Zulke automatische
reacties worden gemeten met tests zoals de Implicit Association Test (IAT), waarbij
mensen snel woorden moeten categoriseren, bijvoorbeeld “zelf” vs. “anderen” en “goed” vs.
“slecht”. Als iemand sneller reageert op de combinatie “zelf” + “slecht”, wijst dat op lage
impliciete zelfwaardering.
Wat is er gevonden?
Mensen met sociale angst (HSA/SAD) maken sterkere automatische koppelingen tussen
sociale signalen en negatieve uitkomsten dan mensen zonder angst.
Ze hebben ook lagere impliciete zelfwaardering dan niet-angstige personen.
Zulke impliciete negatieve associaties (zoals “ik + angstig” of “blozen + schaamte”)
kunnen zelfs voorspellen wie later sociale angst ontwikkelt.
Sommige studies laten zien dat deze automatische negatieve koppelingen sterker zijn bij
sociale angst dan bij andere angststoornissen, zoals paniekstoornis. Dat wijst erop dat deze
associaties specifiek zijn voor sociale angstklachten.
Er zijn aanwijzingen dat behandeling invloed kan hebben op impliciete associaties:
Na cognitieve gedragstherapie (CGT) daalt de automatische koppeling tussen "zelf"
en negatieve woorden.
Ook voorbereiding op een sociale taak kan helpen om negatieve impliciete
zelfbeelden te verminderen.
In experimenten waarbij mensen positieve beelden van zichzelf koppelden aan
vriendelijke gezichten, verminderde de automatische angst voor afwijzing en
durfden ze sneller een sociale taak uit te voeren (zoals een speech geven).
Belangrijk om te weten: Hoewel deze automatische negatieve koppelingen kenmerkend
zijn voor sociale angst, is nog niet helemaal duidelijk of het veranderen van deze associaties
ook direct zorgt voor minder sociale angstklachten. Meer onderzoek is nodig om dat causale
verband goed vast te stellen.