1. Schaarste en ruilen....................................................................................................3
1.6 Rekenen met procenten.......................................................................................3
7. Ruilen over de tijd......................................................................................................3
7.1 Tijd is geld............................................................................................................3
7.6 Nominale en reële indexcijfers.............................................................................3
9. Goede tijden, slechte tijden.......................................................................................4
9.6 Rekenen met de consumentenprijsindex.............................................................4
9.1 Een inkomen verdienen........................................................................................4
9.2 Hoe verdelen we een taart?.................................................................................6
9.3 Goede tijden, slechte tijden..................................................................................6
, 1. Schaarste en ruilen
1.6 Rekenen met procenten
Procentuele verandering – absolute verandering : ‘oude’ getal x 100%
Absolute verandering – ‘oude’ getal : 100 x procentuele verandering
Deel van totaal in % - totale bedrag x percentage : 100
Procentuele vergelijking – verschil : bedrag waarmee je vergelijkt x 100%
7. Ruilen over de tijd
7.1 Tijd is geld
Menselijk kapitaal: de kwaliteit van de productiefactor arbeid
Rente: ‘… geeft de prijs van de tijd weer’. Hoe korter wachten, hoe minder de
rente waard is.
Nominale rente: jaarlijkse toename/verandering spaargeld (niet rekening
gehouden met inflatie)
Inflatie: hoeveel procent de prijzen van goederen en diensten in een land
gemiddeld gestegen zijn
Reële rente: nominale rente gecorrigeerd door inflatie
Indexcijfer: verhoudingsgetal waarmee je een reeks getallen duidelijk kunt
aangeven en eenvoudiger kunt vergelijken. Basisjaar, indexcijfer = 100, andere
jaren, formule:
waarde jaar x
x 100=indexcijfer jaar x
waarde basisjaar
7.6 Nominale en reële indexcijfers
Voorbeeldsommen:
1. In het basisjaar 2017 is de prijs van een potlood 20 eurocent. In 2018 is de
prijs 21 eurocent.
Prijsindexcijfer basisjaar: 100
waarde jaar x 21
x 100=indexcijfer jaar x x 100=105
waarde basisjaar 20
2. (Nominale)inkomen Jeroen stijgt 20%. Prijzen stijgen 7,5%. Koopkracht =
…%
Eerst verdient Jeroen €100 hij koopt 100 snacks van 100 eurocent per stuk.
nomina reëe
al l inflatie =
7,5%
Nu verdient Jeroen €120 hij koopt … snacks van 107,5 eurocent per stuk