Vereisten rechtstaat:
1. Legaliteitsbeginsel – overheidsoptreden moet berusten op een wettelijke
grondslag
2. Machtenscheiding – rechterlijke, uitvoerende en wetgevende macht (=
trias politica)
3. Onafhankelijke rechter – rechter moet kunnen toezien op uitoefenen van
bevoegdheden van de overheid
4. Grondrechten – burgers moeten beschermd kunnen worden tegen
machtsmisbruik van de overheid
5. Democratie – burgers hebben invloed op het bestuur door middel van
verkiezingen etc.
Sinds 2022 staat er in de grondwet geregeld dat Nederland een rechtsstaat is!
Constitutie (= staatsregeling) = geheel van regels en beginselen dat een staat
constitueert en ordent
> Kan bestaan uit 2 onderdelen:
1. Grondwet – document waarin belangrijkste regels staan over de
organisatie van de Staat en verhoudingen tussen burger en staat. Een
staat kan mogelijk geen geschreven grondwet hebben, maar wel altijd een
constitutie
> 2 soorten:
a. Rigide grondwet – grondwet is moeilijk te wijzigen
b. Flexibele grondwet – grondwet is makkelijk juridisch aan te passen
2. Ongeschreven staatsrechtelijke regels – gewoonterecht en algemene
rechtsovertuigingen
a. Zoals de vertrouwensregel en niet twee keer de kamer ontbinden
voor hetzelfde onderwerp
Nederland heeft nu een rigide grondwet, omdat de grondwet moeilijker te
wijzigen is dan de wet in formele zin. Dit is zo geregeld om machtsmisbruik te
voorkomen.
Vijf staatsrechtelijke perioden Nederland
1. Landsheerlijke periode (10e – 15e eeuw)
2. Republiek der Zeven Nederlanden (1579-1759)
3. Franse tijd (Napoleon) (1795-1813)
4. Koninkrijk der Nederlanden (1814-1815)
5. Verdere revolutie tot huidige tijd
,Landsheerlijke De Nederlanden waren in deze periode verdeeld in losse
periode (10e – 15e gewesten, elk met hun eigen bestuur en gewoontes. Het
eeuw) bestuur was gebaseerd op het feodale stelsel, waarbij
macht werd verdeeld onder koningen, landsheren en
lokale bestuurders zoals landvoogden en stadhouders.
1543 – Karel V centraliseert het bestuur en ziet
zichzelf als door God gekozen leider
1549 – Pragmatic Sanction > Nederlanden ervan
gezamenlijk soevereiniteit
Raad van State als adviserend orgaan, maar
beperkte onafhankelijkheid
Staten-Generaal = vertegenwoordigding gewesten,
maar alleen als Karel V dit eiste
Religie en grondrechten:
o Geen individuele grondrechten
o Karel V was katholiek + verbood
protestantisme (Bloedplakkaat)
OVERGANG LANDSHEERLIJKE PERIODE > REPUBLIEK
Republiek der 1568 – opstand onder Willem van Oranje tegen
Zeven Verenigde Spanje
Nederlanden > redenen:
(1579-1759) 1. Philips was nog sterkere aanhanger van
katholieken
o Bloedige onderdrukking van Spanje
2. Voert oorlog + komt alleen Nederland om
geld te innen
o Onderste laag bevolking steeds armer
3. Verdergaande centralisatie
1579 – Unie van Utrecht (Noordelijke Nederlanden)
> confederatie (statenbond met onderlinge
afspraken) met autonomie per gewest
1581 – Plakkaat van Verlatinghe >
onafhankelijkheidsverklaring
o Start 80-jarige oorlog
Staten-Generaal beslist gezamenlijk, unanimiteit
vereist
o Ruggenspraak = steun van je gewest
Stadhouderschap = erfelijk
o Organen van afzonderlijke gewesten
o Stadhouder van Holland (Willem van Oranje)
> had veel grotere invloed dan andere
stadhouders
Raadspensionaris = adviseur van Holland en
Zeeland
o Regelmatig ruzie, maar geen duidelijke
scheiding
o Olden-Barneveld
VOC en WIC zorgen voor koloniale expansie
o 1602 – VOC kreeg octrooi om als enige te
handelen in West-Indië
o WIC – oorlog tegen Spanje op zee
, voortzetten
Kreeg octrooi voor westen
Oorspronkelijk piratenbende
Kreeg zelf recht om Suriname te
besturen 1667
Plantage-economie (slavenhandel)
1634 – Nederlandse Antillen
1648 – Vrede van Münster beëindigt oorlog >
Republiek blijft bestaan
18e eeuw – handel verslechtert, Republiek verzwakt
door trage besluitvorming
Bataafse Republiek De Franse Revolutie bracht nieuwe ideeën naar
(1795-1806) Nederland, zoals vrijheid, gelijkheid en
volkssoevereiniteit. Dit leidde tot de val van de Republiek
en de oprichting van de Bataafse Republiek.
1695 – Willem V vlucht naar Engeland, patriotten
krijgen macht
Nieuwe idealen:
o Machtenscheiding = scheiding tussen
wetgevende, uitvoerende en rechterlijke
macht
o Eenheidsstaat = geen zelfstandige gewesten
meer
1798 – nieuwe grondwet > unitaristen winnen van
federalisten
1801 – staatsgreep door Frankrijk > macht blijft in
handen unitaristen
OVERGANG REPUBLIEK > KONINKRIJK
Koninkrijk Holland Napoleon benoemt zijn broer, Lodewijk Napoleon,
(1806-1810) tot koning van Nederland
Modernisering: wetboeken + verplicht aannemen
achternamen
Nederland blijft onder Franse invloed, maar
Lodewijk Napoleon wordt te mild bevonden door
Napoleon
Inlijving bij 1810 – Nederland wordt officieel onderdeel van het
Frankrijk (1810- Franse keizerrijk onder Napoleon
1813) 1813 – Napoleon wordt verslagen, Nederland wordt
onafhankelijk
Koninkrijk der 1. Beginfase (1814-1830)
Nederlanden 1814 – Willem I wordt koning van Nederland
(1814-heden) (stemmen zonder ruggenspraak)
1815-1830 – Nederland en België worden
samengevoegd
Nieuwe bestuursstructuur:
o Soevereine vorst > Willem I had veel macht
o Staten-Generaal > volksvertegenwoordiging
met één kamer
o Wetgevende macht werd gedeeld tussen
Koning en Staten-Generaal
2. Democratische Hervormingen
1848 – Grondwet van Thorbecke:
o Ministeriële verantwoordelijkheid > koning
verliest politieke macht