Hoorcollege aantekeningen + literatuur
samenvatting
PERSOONLIJKHEIDSTHEORIE
Delilah Kaya
Vrije Universiteit van Amsterdam
,1
Week 1: H1, H2, H3 + Hoorcollege 1 + Hoorcollege 2 + kennisclip
H1 + H2 eerste deel: zie notebook
H2 persoonlijkheid
Drie hoofdstrategieën om persoonlijkheidsvragenlijsten te
ontwikkelen
1. Empirische strategie
Wat is het?
De psycholoog kiest items (vragen) puur op basis van hoe sterk ze
correleren met een externe variabele, zoals schoolcijfers.
Bijvoorbeeld: als mensen die hoger scoren op ‘appels eten’ ook betere
cijfers halen, wordt dat item meegenomen — ook al lijkt het niets met
prestatiegerichtheid te maken te hebben.
Voordelen:
Moeilijker om te "faken" omdat de vragen vaak niet duidelijk met de
eigenschap te maken hebben.
Kritiekpunten:
Resultaten kunnen sterk verschillen afhankelijk van de steekproef
(bijv. stad vs. platteland).
De keuze van de externe variabele (bijv. schoolcijfers) is arbitrair:
andere variabelen (sport, werk, etc.) hadden ook gebruikt kunnen
worden.
Grote steekproeven zijn nodig, anders kunnen toevallige verbanden
ontstaan.
2. Factor analytische strategie
Wat is het?
Er wordt begonnen met een brede verzameling items. Met behulp
van factoranalyse worden groepen van onderling sterk samenhangende
items gevonden die samen een onderliggende persoonlijkheidstrek meten.
Voorbeeld:
Eén groep items meet "risicobereidheid", een andere "energieniveau".
Voordelen:
Geeft inzicht in welke eigenschappen daadwerkelijk in de dataset
aanwezig zijn.
Objectiever: eigenschappen komen uit de data, in plaats van vooraf
gekozen te zijn.
,2
Kritiekpunten:
Als de oorspronkelijke itemset beperkt is, meet de analyse maar een
paar eigenschappen.
De kwaliteit hangt sterk af van de variatie in de items.
3. Rationele strategie
Wat is het?
Psychologen bedenken van tevoren welke eigenschappen ze willen meten,
en schrijven bewust vragen die daar goed bij passen.
Ze kiezen items op basis van logische relevantie en correlatie binnen de
schaal (dus niet met externe variabelen).
Voordelen:
Goed afgestemd op de theoretisch bedoelde eigenschappen.
Betere inhoudelijke dekking van het kenmerk.
Kritiekpunten:
Kans op "faken" is groter, omdat het voor respondenten duidelijk is
wat gemeten wordt.
Kwaliteit hangt af van hoe goed de psycholoog de eigenschappen
heeft begrepen en vertaald in vragen
Vergelijking tussen strategieën
Uit onderzoek blijkt:
De rationele methode levert vaak net zo betrouwbare of
zelfs betere resultaten op dan de andere twee.
Rationeel ontwikkelde schalen correleren beter met beoordelingen
door buitenstaanders (zoals kamergenoten).
In de praktijk wordt vaak een combinatie van strategieën gebruikt.
Veel gebruikte persoonlijkheidsvragenlijsten
- California Psychological Inventory (CPI): Ontwikkeld
door Gough (1996). Het meet een breed scala aan psychologische
kenmerken en is veel gebruikt om gedrag en prestaties te
voorspellen.
- Minnesota Multiphasic Personality Inventory (MMPI):
Ontwikkeld door Hathaway en McKinley. Dit instrument is gericht
, 3
op het meten van psychische aandoeningen en is vooral nuttig voor
klinische toepassingen.
- Hogan Personality Inventory (HPI): Ontwikkeld door Hogan &
Hogan (1995). Het is gericht op het voorspellen van werkprestaties
en wordt veel gebruikt in bedrijfsomgevingen.
- 16 Personality Factors Questionnaire (16PF): Ontwikkeld
door Cattell (1949). Dit meet 16 persoonlijkheidskenmerken, die
later zijn gehergroepeerd in vijf bredere factoren.
- Eysenck Personality Inventory: Ontwikkeld door Eysenck &
Eysenck (1975). Het meet drie basiseigenschappen van
persoonlijkheid, die volgens Eysenck voortkomen uit de hersenen en
het zenuwstelsel.
- Myers-Briggs Type Indicator (MBTI): Ontwikkeld door Myers &
McCaulley (1985), gebaseerd op de psychologische typologie
van Carl Jung. Dit instrument deelt mensen in 16
persoonlijkheidstypes in op basis van vier dichotomieën, hoewel het
niet veel wordt gebruikt in psychologisch onderzoek.
- Temperament and Character Inventory (TCI): Ontwikkeld
door Cloninger, Przybeck, Svrakic & Wetzel (1994). Het meet
zowel temperament- als karakterdimensies, gebaseerd op
Cloningers biologische model van persoonlijkheid.
- Multidimensional Personality Questionnaire (MPQ):
Ontwikkeld door Tellegen (2016). Het beoordeelt verschillende
aspecten van persoonlijkheid, zoals emoties, impulsiviteit en
verbeelding.
- Zuckerman-Kuhlman-Aluja Personality Questionnaire (ZKA-
PQ): Ontwikkeld door Aluja, Kuhlman & Zuckerman (2010). Het
meet een biologisch model van de "alternatieve vijf" factoren van
persoonlijkheid.
- NEO Personality Inventory (NEO-PI-R): Ontwikkeld door Costa &
McCrae (1985, 1992). Dit meet de vijf belangrijkste dimensies van
persoonlijkheid: Neuroticisme, Extraversie, Openheid voor Ervaring,
Vriendelijkheid en Consciëntieusheid. De kortere versie hiervan is
de NEO Five-Factor Inventory (NEO-FFI), die ook door Costa &
McCrae werd ontwikkeld.
- De Big Five Inventory (BFI) werd ontwikkeld door John, Donahue
& Kentle (1991) als een korte maatstaf voor de Big Five-factoren.
De oorspronkelijke BFI bestond uit 44 items, maar de recent
herziene versie, de BFI-2, bevat nu 60 items en drie facetniveau-