H1: Netto Actuele Waarde evaluatie methode
1. Wat is Netto Actuele Waarde (NAW)?
NAW-methode → focus op waardecreatie → zal een project bijdragen voor de onderneming? (capital budgetting)
- input in “cash” die nu moet geleverd worden om het project aan te vangen = initiële investering
- actuele waarde van de toekomstige “cash” opbrengsten
➔ NAW = Actuele waarde toekomstige cash – investering
o > 0 waardecreatie : voordelig voor de onderneming het project door te voeren
o < 0 waardevernietiging : niet voordelig om het project door te voeren
➔ Gebaseerd op het bepalen of de input van cash gedekt is door de uitput van de cash
- = NPV = Net Present Value
Voordeel NAW:
- Neemt alle cashflows mee
- Houdt rekening met timing van de cashflows
- Houdt rekening met het risico van het project
WACC = weighted average cost of capital = gewogen gemiddelde kapitaalkost
➔ Marktrente reflecteert intuïtief het risico van het project → hoe hoger rendement op een aandeel hoe
risicovoller
o Kant investeerder: marktrente = verwachte rendement
o Kant onderneming: marktrente = cost of capital
➔ Toekomstige “cash” output wordt geactualiseerd aan marktrente:
o dit is het rendement op een alternatieve belegging in de kapitaalmarkt met hetzelfde risico
o voor investeerder is dit het vereiste rendement
o voor onderneming vormt deze rente de kapitaalkost voor het project
2. Hoe “cash” informatie uit de boekhouding puren?
Boekhouding: toont geen “cash” bewegingen : geeft opbrengsten & kosten weer om winst aan te tonen
➔ Winst is geen goed criterium voor analyse van een investeringsproject
➔ Bv: AKprijs van vaste activa:
o Balans: prijs wordt gespreid in de tijd i.f.v afschrijvingen
o NAW: uitgave op moment van betaling
Correcties op boekhoudgegevens: Vrije Cash Flow
➔ Toch boekhouding gebruiken om “cash” bewegingen te bepalen door correcties
➔ Vrije cashflow = “cash” die de onderneming vrij ter beschikking heeft wanneer alle inflows en outflows m.b.t.
het beschouwde project gerealiseerd zijn
➔ Correcties: Vrije Cash Flow = FCF = netto winst + afschrijvingen – (her)investeringen – Δ werkkapitaal
o Afschrijvingen opnieuw bij winst geteld, want dit is geen cashbeweging
o Deel van de “cash” gaat naar (her)investeringen
o Deel van de “cash” gaat naar wijzigingen in werkkapitaal
o Δ werkkapitaal = Δ handelsvorderingen + Δ voorraden – Δ handelsschulden
Cash Flow = CF = netto winst + afschrijvingen
- Afschrijvingen = schijf van de winst die niet wordt belast (economisch standpunt)
- Gezien als belangrijker bij bepalen winstgevendheid dan winst alleen
- Belastingen: negatieve impact op NAW (verschil = AW van de betaalde belastingen (> initiële belasting))
3. Samengevat
NAW-methode: vergelijkt de marktwaarde (AW)
- investering (I)
- toekomstige free cashflows die uit het project voortvloeien
1
, 𝑛
𝐹𝐶𝐹𝑗𝑎𝑎𝑟 𝑡
NAW =∑ 𝑡 −𝐼 met r = kapitaalkost, discontovoet I = initiële investering
𝑡=1 (1+𝑟)
➔ > 0 : aanvaard project, < 0 verwerp project , = 0 onverschillig
➔ Theoretisch beste criterium
➔ Zeer vaak in praktijk gebruikt als één van de belangrijkste beslissingscriteria
H2: Andere methoden van investeringsevaluatie
1. Gemiddelde boekhoudkundige opbrengstvoet
𝐺𝑒𝑚𝑖𝑑𝑑𝑒𝑙𝑑𝑒 𝑁𝑒𝑡𝑡𝑜𝑤𝑖𝑛𝑠𝑡
Accounting Rate of Return = ARR =
𝐺𝑒𝑚𝑖𝑑𝑑𝑒𝑙𝑑𝑒 𝑖𝑛𝑣𝑒𝑠𝑡𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔
𝐼𝑛𝑣𝑒𝑠𝑡𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔
➔ Gemiddelde Investering = 2
(→ vermogen daalt geleidelijk tot 0)
➔ > minimum vereist rendement → aanvaarden
➔ Voordelen:
o Eenvoudig & vertrouwd
o Makkelijk te berekenen
➔ Nadelen:
o Gebruikt boekhoudkundige winst (i.p.v. cashflows)
o Minimum vereist rendement wordt willekeurig gekozen
o Tijdsvoorkeur van geld is buiten beschouwing gelaten (geen actualisatie, gemiddeldes)
➔ Geen goede methode voor evaluatie
2. Payback methode
𝐼𝑛𝑖𝑡𝑖ë𝑙𝑒 𝐼𝑛𝑣𝑒𝑠𝑡𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔
Terugbetalingstermijn= Payback period= aantal jaren nodig om initiële investering te recupereren =
𝑗𝑎𝑎𝑟𝑙𝑖𝑗𝑘𝑠𝑒 𝐹𝐶𝐹
➔ < aanvaardbaar maximum → aanvaarden
➔ Voordelen:
o Gebruikt vrije cashflows
o Eenvoudig te berekenen
o Op intuïtieve manier toe te passen
➔ Nadelen:
o Terugbetalingstermijn wordt willekeurig gekozen
o Geen rekening gehouden met tijdswaarde van geld
o Geen rekening gehouden met cashflows gerealiseerd na terugbetalingstermijn niet gekeken naar
totale cashflows gegenereerd door het project
➔ Geen goede methode voor evaluatie
3. Profitability Index (PI)
𝐹𝐶𝐹
∑𝑛
𝑡=0
𝐴𝑊(𝑡𝑜𝑒𝑘𝑜𝑚𝑠𝑡𝑖𝑔𝑒 𝐹𝐶𝐹) (1+𝑟)𝑡
PI = 𝑖𝑛𝑖𝑡𝑖ë𝑙𝑒 𝑖𝑛𝑣𝑒𝑠𝑡𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔𝑠𝑏𝑒𝑑𝑟𝑎𝑔 = 𝐼
= hoeveel keer de AW de investering overtreft
➔ > 1 → aanvaarden = NAW > 0
➔ Voordelen:
o Gebruikt vrije cashflows
o Houdt rekening met tijdswaarde van geld (geactualiseerd)
➔ Nadelen:
o Grootte van project verwaarloosd
➔ Goede methode voor evaluatie
4. Interne Rendementsmethode (IRR)
Interne Rendementsgraad = Internal Rate of Return = IRR = actualisatievoet die de actuele waarde van de vrije
cashflows gelijk stelt aan de initiële investering
➔ 3 methodes:
o Trial & Error
o Excel (IRR-functie)
o Python (, R, Matlab, Mathematica, …)
2
, 𝐹𝐶𝐹
∑𝑛𝑡=0 −𝐼=0
(1+𝐼𝑅𝑅)𝑡
➔ r = minimaal geëiste rendement = cutoff-rate = hurdle-rate
➔ IRR > r → aanvaarden
➔ Voordelen:
o Laat toe projecten te rangschikken volgens interne rendementsgraad
o Gebruikt cashflows
o Wordt rekening gehouden met tijdswaarde van geld + timing van cashflows
➔ Nadelen:
o Negeert de grootte van de investering
o Ongevoelig voor het wisselen van de tekens van de cashflows
o Geeft niet altijd een unieke oplossing (! enkel wanneer cashflows doorheen tijd van teken wisselen)
o Bevoordeelt de korte termijn
o Veronderstelt dat vrijgekomen fondsen kunnen herbelegd worden aan de IRR zelf
H2+: Gevoeligheidsanalyse & Real Options
1. Beslissingsbomen
Beslissingsbomen = decision trees = grafische voorstelling van elk alternatief dat beschikbaar is in een periode en
de gevolgen van een actie die gekozen wordt
➔ Helpt beste actie te kiezen
➔ Vierkant = zelf beslissing nemen cirkel = toeval (‘nature decides’)
➔ Keuze maken door verwachte NAW van beide opties te berekenen
2. Gevoeligheidsanalyse
➔ Wat als de economische omgeving zou veranderen in de toekomst en hierdoor de payoffs zouden veranderen?
➔ Hoe zeker kan je nog zijn van genomen beslissingen?
Gevoeligheidsanalyse = sensitivity analysis = what-if analyse
3. Scenario Analyse
= verfijning van gevoeligheidsanalyse
➔ Verandert een factor niet alleen: samen met andere factoren
➔ Scenario = 1 mogelijke combinatie van zo’n gelijktijdige veranderingen
4. Real Options
4.1 Inleiding
NAW & DCF : eens beslissing genomen, elke keer implementeren → geen flexibiliteit
praktijk: Real Options: beslissingen worden herbekeken en aangepast → flexibiliteit, easy to change
➔ Real Options hebben waarde: flexibiliteit is nuttig → anders zou je NAW onderschatten
➔ Grotere onzekerheid grotere waarde real options (grotere flexibiliteit nodig)
Financiële opties: bv call & put opties
- Call optie: recht te kopen aan nu afgesproken prijs
- Put optie: recht te verkopen aan nu afgesproken prijs
➔ Geen verplichting
Financiële opties: makkelijk te waarderen reële opties: moeilijk waarde op te plakken (onzekerheid)
Theorie: conceptueel eenvoudig
Praktijk: continuous-time finance modellen → vraagt expertise
➔ modellen voor waardering van opties niet altijd gemakkelijk aan te passen naar real options
➔ underlying is vaak complex en wordt niet verhandeld in markten
➔ real options worden ook niet verhandeld
4.2 Voorbeelden
- option to abandon = optie om na een tijd het project nog stop te kunnen zetten
- option to expand = optie om na een tijd het project uit te breiden → enkel doen als start winst opbracht
- option to delay = optie om het project in een later jaar te starten
➔ waarde optie = waarde project met optie – waarde project zonder optie
3
, H3: Toepassingen van NAW: praktische overweging & uitbreiding
1. Incrementele Vrije Cashflow
Incrementele vrije cashflow = verschil tussen vrije cashflows van de onderneming in situatie met en zonder project
- Sunk costs = gezonken kosten = kosten die behoren tot het verleden en niet meer kunnen teruggedraaid
worden (in het heden)
➔ ze beïnvloeden vergelijking van incrementele vrije cashflows niet meer
- Opportuniteitskosten = kosten die ontstaan wanneer de aanwezige middelden in het bedrijf gebruikt worden
voor een nieuw project, waardoor ze hun alternatief gebruik verliezen
➔ niet noodzakelijk gepaard met een werkelijke “cash” beweging direct verbonden aan het bedrijf zelf
- Kostendaling = de kosten die een bedrijf bespaard dankzij een project (productie optimaliseren /efficiëntie
verhogen)
➔ Positieve cashflow ookal is het geen expliciete inkomst
- Neveneffecten = (in)directe invloed van een project op verschillende afdelingen in de onderneming zelf
➔ Kunnen zowel voor kosten als opbrengsten zorgen
- Werkkapitaal = handelsvorderingen + handelsschulden + voorraden
➔ Stijging = cash outflow , daling = cash inflow
- Belastingen
➔ cash outflow
2. Afschrijvingen en afschrijvingsmethodes
Versneld afschrijven = eerste jaren het maximaal mogelijke afschrijven (VA)
Belastbare winst in eerste jaren gereduceerd tot 0 (afschrijven tot winst dat jaar = 0 of waarde = 0)
lineaire afschrijving (LA)
➔ Projectwaarde (NAW): hoger bij VA
➔ Belastingen: lager bij VA
➔ Belastingsvoordeel: hoger bij VA
NAWVA = NAWLA + Δ AW(belastingen)
➔ Nadelen:
o Aandeelhouders zien dat je de eerste jaren geen winst hebt: risico om uit de investering te stappen
o België: degressief afschrijftarief voor grote ondernemingen → niet langer voordelig
3. Voorraadwaardering: FIFO - LIFO
Cost of goods sold = kostprijs van verkochte goederen
= waarde beginvoorraad + waarde aankopen/productie van de periode – waarde eindvoorraad
➔ beïnvloed vrije cashflows indirect → invloed totale winst
Keuze tussen Lifo en Fifo maakt een verschil!
FIFO = First In First Out
➔ Berekening v/d kostprijs: historische aankoopprijs van de verbruikte goederen/grondstoffen
➔ Oudste voorraden worden opgebruikt
➔ Stijgende aankoopprijzen laagste historische (beschikbare) prijs als kost doorgerekend
➔ Boekhoudkundige winst gemaximaliseerd
LIFO = Last in First Out
➔ Berekening v/d kostprijs: meest recente aankoopprijs van goederen/grondstoffen
➔ Nieuwste voorraden worden opgebruikt
➔ Stijgende aankoopprijzen hoogste prijs als kost doorgerekend
➔ Boekhoudkundige winst geminimaliseerd
! mogelijk dat ondanks periode van inflatie in globale economie, prijzen voor grondstoffen toch dalen
4
1. Wat is Netto Actuele Waarde (NAW)?
NAW-methode → focus op waardecreatie → zal een project bijdragen voor de onderneming? (capital budgetting)
- input in “cash” die nu moet geleverd worden om het project aan te vangen = initiële investering
- actuele waarde van de toekomstige “cash” opbrengsten
➔ NAW = Actuele waarde toekomstige cash – investering
o > 0 waardecreatie : voordelig voor de onderneming het project door te voeren
o < 0 waardevernietiging : niet voordelig om het project door te voeren
➔ Gebaseerd op het bepalen of de input van cash gedekt is door de uitput van de cash
- = NPV = Net Present Value
Voordeel NAW:
- Neemt alle cashflows mee
- Houdt rekening met timing van de cashflows
- Houdt rekening met het risico van het project
WACC = weighted average cost of capital = gewogen gemiddelde kapitaalkost
➔ Marktrente reflecteert intuïtief het risico van het project → hoe hoger rendement op een aandeel hoe
risicovoller
o Kant investeerder: marktrente = verwachte rendement
o Kant onderneming: marktrente = cost of capital
➔ Toekomstige “cash” output wordt geactualiseerd aan marktrente:
o dit is het rendement op een alternatieve belegging in de kapitaalmarkt met hetzelfde risico
o voor investeerder is dit het vereiste rendement
o voor onderneming vormt deze rente de kapitaalkost voor het project
2. Hoe “cash” informatie uit de boekhouding puren?
Boekhouding: toont geen “cash” bewegingen : geeft opbrengsten & kosten weer om winst aan te tonen
➔ Winst is geen goed criterium voor analyse van een investeringsproject
➔ Bv: AKprijs van vaste activa:
o Balans: prijs wordt gespreid in de tijd i.f.v afschrijvingen
o NAW: uitgave op moment van betaling
Correcties op boekhoudgegevens: Vrije Cash Flow
➔ Toch boekhouding gebruiken om “cash” bewegingen te bepalen door correcties
➔ Vrije cashflow = “cash” die de onderneming vrij ter beschikking heeft wanneer alle inflows en outflows m.b.t.
het beschouwde project gerealiseerd zijn
➔ Correcties: Vrije Cash Flow = FCF = netto winst + afschrijvingen – (her)investeringen – Δ werkkapitaal
o Afschrijvingen opnieuw bij winst geteld, want dit is geen cashbeweging
o Deel van de “cash” gaat naar (her)investeringen
o Deel van de “cash” gaat naar wijzigingen in werkkapitaal
o Δ werkkapitaal = Δ handelsvorderingen + Δ voorraden – Δ handelsschulden
Cash Flow = CF = netto winst + afschrijvingen
- Afschrijvingen = schijf van de winst die niet wordt belast (economisch standpunt)
- Gezien als belangrijker bij bepalen winstgevendheid dan winst alleen
- Belastingen: negatieve impact op NAW (verschil = AW van de betaalde belastingen (> initiële belasting))
3. Samengevat
NAW-methode: vergelijkt de marktwaarde (AW)
- investering (I)
- toekomstige free cashflows die uit het project voortvloeien
1
, 𝑛
𝐹𝐶𝐹𝑗𝑎𝑎𝑟 𝑡
NAW =∑ 𝑡 −𝐼 met r = kapitaalkost, discontovoet I = initiële investering
𝑡=1 (1+𝑟)
➔ > 0 : aanvaard project, < 0 verwerp project , = 0 onverschillig
➔ Theoretisch beste criterium
➔ Zeer vaak in praktijk gebruikt als één van de belangrijkste beslissingscriteria
H2: Andere methoden van investeringsevaluatie
1. Gemiddelde boekhoudkundige opbrengstvoet
𝐺𝑒𝑚𝑖𝑑𝑑𝑒𝑙𝑑𝑒 𝑁𝑒𝑡𝑡𝑜𝑤𝑖𝑛𝑠𝑡
Accounting Rate of Return = ARR =
𝐺𝑒𝑚𝑖𝑑𝑑𝑒𝑙𝑑𝑒 𝑖𝑛𝑣𝑒𝑠𝑡𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔
𝐼𝑛𝑣𝑒𝑠𝑡𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔
➔ Gemiddelde Investering = 2
(→ vermogen daalt geleidelijk tot 0)
➔ > minimum vereist rendement → aanvaarden
➔ Voordelen:
o Eenvoudig & vertrouwd
o Makkelijk te berekenen
➔ Nadelen:
o Gebruikt boekhoudkundige winst (i.p.v. cashflows)
o Minimum vereist rendement wordt willekeurig gekozen
o Tijdsvoorkeur van geld is buiten beschouwing gelaten (geen actualisatie, gemiddeldes)
➔ Geen goede methode voor evaluatie
2. Payback methode
𝐼𝑛𝑖𝑡𝑖ë𝑙𝑒 𝐼𝑛𝑣𝑒𝑠𝑡𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔
Terugbetalingstermijn= Payback period= aantal jaren nodig om initiële investering te recupereren =
𝑗𝑎𝑎𝑟𝑙𝑖𝑗𝑘𝑠𝑒 𝐹𝐶𝐹
➔ < aanvaardbaar maximum → aanvaarden
➔ Voordelen:
o Gebruikt vrije cashflows
o Eenvoudig te berekenen
o Op intuïtieve manier toe te passen
➔ Nadelen:
o Terugbetalingstermijn wordt willekeurig gekozen
o Geen rekening gehouden met tijdswaarde van geld
o Geen rekening gehouden met cashflows gerealiseerd na terugbetalingstermijn niet gekeken naar
totale cashflows gegenereerd door het project
➔ Geen goede methode voor evaluatie
3. Profitability Index (PI)
𝐹𝐶𝐹
∑𝑛
𝑡=0
𝐴𝑊(𝑡𝑜𝑒𝑘𝑜𝑚𝑠𝑡𝑖𝑔𝑒 𝐹𝐶𝐹) (1+𝑟)𝑡
PI = 𝑖𝑛𝑖𝑡𝑖ë𝑙𝑒 𝑖𝑛𝑣𝑒𝑠𝑡𝑒𝑟𝑖𝑛𝑔𝑠𝑏𝑒𝑑𝑟𝑎𝑔 = 𝐼
= hoeveel keer de AW de investering overtreft
➔ > 1 → aanvaarden = NAW > 0
➔ Voordelen:
o Gebruikt vrije cashflows
o Houdt rekening met tijdswaarde van geld (geactualiseerd)
➔ Nadelen:
o Grootte van project verwaarloosd
➔ Goede methode voor evaluatie
4. Interne Rendementsmethode (IRR)
Interne Rendementsgraad = Internal Rate of Return = IRR = actualisatievoet die de actuele waarde van de vrije
cashflows gelijk stelt aan de initiële investering
➔ 3 methodes:
o Trial & Error
o Excel (IRR-functie)
o Python (, R, Matlab, Mathematica, …)
2
, 𝐹𝐶𝐹
∑𝑛𝑡=0 −𝐼=0
(1+𝐼𝑅𝑅)𝑡
➔ r = minimaal geëiste rendement = cutoff-rate = hurdle-rate
➔ IRR > r → aanvaarden
➔ Voordelen:
o Laat toe projecten te rangschikken volgens interne rendementsgraad
o Gebruikt cashflows
o Wordt rekening gehouden met tijdswaarde van geld + timing van cashflows
➔ Nadelen:
o Negeert de grootte van de investering
o Ongevoelig voor het wisselen van de tekens van de cashflows
o Geeft niet altijd een unieke oplossing (! enkel wanneer cashflows doorheen tijd van teken wisselen)
o Bevoordeelt de korte termijn
o Veronderstelt dat vrijgekomen fondsen kunnen herbelegd worden aan de IRR zelf
H2+: Gevoeligheidsanalyse & Real Options
1. Beslissingsbomen
Beslissingsbomen = decision trees = grafische voorstelling van elk alternatief dat beschikbaar is in een periode en
de gevolgen van een actie die gekozen wordt
➔ Helpt beste actie te kiezen
➔ Vierkant = zelf beslissing nemen cirkel = toeval (‘nature decides’)
➔ Keuze maken door verwachte NAW van beide opties te berekenen
2. Gevoeligheidsanalyse
➔ Wat als de economische omgeving zou veranderen in de toekomst en hierdoor de payoffs zouden veranderen?
➔ Hoe zeker kan je nog zijn van genomen beslissingen?
Gevoeligheidsanalyse = sensitivity analysis = what-if analyse
3. Scenario Analyse
= verfijning van gevoeligheidsanalyse
➔ Verandert een factor niet alleen: samen met andere factoren
➔ Scenario = 1 mogelijke combinatie van zo’n gelijktijdige veranderingen
4. Real Options
4.1 Inleiding
NAW & DCF : eens beslissing genomen, elke keer implementeren → geen flexibiliteit
praktijk: Real Options: beslissingen worden herbekeken en aangepast → flexibiliteit, easy to change
➔ Real Options hebben waarde: flexibiliteit is nuttig → anders zou je NAW onderschatten
➔ Grotere onzekerheid grotere waarde real options (grotere flexibiliteit nodig)
Financiële opties: bv call & put opties
- Call optie: recht te kopen aan nu afgesproken prijs
- Put optie: recht te verkopen aan nu afgesproken prijs
➔ Geen verplichting
Financiële opties: makkelijk te waarderen reële opties: moeilijk waarde op te plakken (onzekerheid)
Theorie: conceptueel eenvoudig
Praktijk: continuous-time finance modellen → vraagt expertise
➔ modellen voor waardering van opties niet altijd gemakkelijk aan te passen naar real options
➔ underlying is vaak complex en wordt niet verhandeld in markten
➔ real options worden ook niet verhandeld
4.2 Voorbeelden
- option to abandon = optie om na een tijd het project nog stop te kunnen zetten
- option to expand = optie om na een tijd het project uit te breiden → enkel doen als start winst opbracht
- option to delay = optie om het project in een later jaar te starten
➔ waarde optie = waarde project met optie – waarde project zonder optie
3
, H3: Toepassingen van NAW: praktische overweging & uitbreiding
1. Incrementele Vrije Cashflow
Incrementele vrije cashflow = verschil tussen vrije cashflows van de onderneming in situatie met en zonder project
- Sunk costs = gezonken kosten = kosten die behoren tot het verleden en niet meer kunnen teruggedraaid
worden (in het heden)
➔ ze beïnvloeden vergelijking van incrementele vrije cashflows niet meer
- Opportuniteitskosten = kosten die ontstaan wanneer de aanwezige middelden in het bedrijf gebruikt worden
voor een nieuw project, waardoor ze hun alternatief gebruik verliezen
➔ niet noodzakelijk gepaard met een werkelijke “cash” beweging direct verbonden aan het bedrijf zelf
- Kostendaling = de kosten die een bedrijf bespaard dankzij een project (productie optimaliseren /efficiëntie
verhogen)
➔ Positieve cashflow ookal is het geen expliciete inkomst
- Neveneffecten = (in)directe invloed van een project op verschillende afdelingen in de onderneming zelf
➔ Kunnen zowel voor kosten als opbrengsten zorgen
- Werkkapitaal = handelsvorderingen + handelsschulden + voorraden
➔ Stijging = cash outflow , daling = cash inflow
- Belastingen
➔ cash outflow
2. Afschrijvingen en afschrijvingsmethodes
Versneld afschrijven = eerste jaren het maximaal mogelijke afschrijven (VA)
Belastbare winst in eerste jaren gereduceerd tot 0 (afschrijven tot winst dat jaar = 0 of waarde = 0)
lineaire afschrijving (LA)
➔ Projectwaarde (NAW): hoger bij VA
➔ Belastingen: lager bij VA
➔ Belastingsvoordeel: hoger bij VA
NAWVA = NAWLA + Δ AW(belastingen)
➔ Nadelen:
o Aandeelhouders zien dat je de eerste jaren geen winst hebt: risico om uit de investering te stappen
o België: degressief afschrijftarief voor grote ondernemingen → niet langer voordelig
3. Voorraadwaardering: FIFO - LIFO
Cost of goods sold = kostprijs van verkochte goederen
= waarde beginvoorraad + waarde aankopen/productie van de periode – waarde eindvoorraad
➔ beïnvloed vrije cashflows indirect → invloed totale winst
Keuze tussen Lifo en Fifo maakt een verschil!
FIFO = First In First Out
➔ Berekening v/d kostprijs: historische aankoopprijs van de verbruikte goederen/grondstoffen
➔ Oudste voorraden worden opgebruikt
➔ Stijgende aankoopprijzen laagste historische (beschikbare) prijs als kost doorgerekend
➔ Boekhoudkundige winst gemaximaliseerd
LIFO = Last in First Out
➔ Berekening v/d kostprijs: meest recente aankoopprijs van goederen/grondstoffen
➔ Nieuwste voorraden worden opgebruikt
➔ Stijgende aankoopprijzen hoogste prijs als kost doorgerekend
➔ Boekhoudkundige winst geminimaliseerd
! mogelijk dat ondanks periode van inflatie in globale economie, prijzen voor grondstoffen toch dalen
4