Geschiedenis, bovenbouw vwo (Feniks)
Hoofdstuk 4 – Tijd van Steden en Staten
(1000 - 1500)
Kenmerkende aspecten
- De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een
agrarisch-urbane samenleving.
- De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van
steden.
- Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de
geestelijke macht het primaat behoorde te hebben.
- De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van
kruistochten.
- Het begin van staatsvorming en centralisatie.
Paragraaf 1 – Steden: handel en nijverheid
Veranderingen in de autarkische samenleving. (Begon in Vlaanderen verspreidde zich tot
in Noord-Duitsland). Kwam door:
- Gunstiger klimaat.
- Ontginningen: grote deel van de landbouw wordt gebruikt.
- Inpolderingen.
- Nieuwe landbouwtechnieken:
• Van os naar paard.
• Van tweeslagstelsel naar drieslagstelsel
Groei bevolking en voedselproductie Dit maakten de ontwikkeling van steden
mogelijk.
Mensen konden leven door handel en nijverheid. (Net als in de Oudheid.)
Steden: Mensen konden van hun ambacht hun beroep maken
10% van de oogst moest naar de kerk.
Handelaren: Werkten samen in een Hanze volgende stap in de schaalvergroting van de
handel tussen regio’s.
Steden vergroten indirect de macht van de adel
edellieden ontvingen veel belasting via de stad (bijvoorbeeld in Brugge en steden
in Noord-Italië).
Oosten belangrijkste handel was graan en vis
Noorden veel vraag naar wijn en gebruiksvoorwerpen
hierdoor ontstonden pakhuizen een jaarmarkten.
Er werd meer gebruik gemaakt van geld als ruilmiddel. Iedereen had zijn eigen munteenheid
opkomst geldwisselaars een rente verbod werd zo omzeild.
14e eeuw: Belang naar handel nam af door oorlog.
, Paragraaf 2 – Stadslucht maakt vrij
Meer vrijheid door de opkomst van steden minder belasting
horigen trokken naar de stad: adel konden tekort aan arbeidskracht alleen voorkomen
door belastingen en herendiensten te verminderen.
Stedelingen kregen meer invloed in het bestuur.
Vlaamse steden: patriciërs (rijkste burgers) werden soms schepenen bestuurden de
stad en waren rechters maakten veel misbruik
van hun macht.
Het gemeen (gewonde burgers) kwamen vaak in opstand.
Vanaf 1241: - elk jaar nieuwe schepenen gekozen.
- stadsraad gilden controleerden het financiële beheer van de schepenen
Steden konden meer bestuurlijke vrijheid krijgen dit door bij een conflict op de juiste
persoon te stemmen.
bijv. Franse koning Filips IV deelde zijn greep op Vlaanderen vergroten
Graaf Gwijde van Vlaanderen wilden zelfstandigheid
stedelijke wonnen (Graaf Gwijde)
wordt de Guldensporenslag genoemd
Beperkte de Franse greep op Vlaanderen.
Paragraaf 3 – De macht van de paus
Christelijken: Geloofde dat god de aarde had geschapen en de drie standen had ingesteld
- Geestelijkheid: moest bidden n zorgen voor het zielenheil van de gelovigen.
- Adel: bestuurde het land en beschermde de mensen.
- Boeren: Voorzagen iedereen van voedsel.
God had de paus en keizer aangesteld als zijn plaatsvervangers op aarde.
Wereldlijke macht: keizer
keizer koning hertog graaf adellijke heersers.
Geestelijke macht: paus
paus bisschoppen pastoors kapelaars
395: scheiding West- en Oost-Romeinse Rijk
Hieruit is het Byzantijnse Rijk ontstaan (keizer Basilius II)
Missionarissen hadden veel succes.
Oostelijke kerk betwijfelde of de paus nog wel nodig was.
Veel meningsverschillen tussen oost en west.
Oosters Schisma (1054): scheiding West-Europese kerk (paus) en de oostelijke
christenen (Grieks-orthodoxe kerk).
Vanuit het westen kwam ook veel kritiek op de paus. Het sobere leven en toon van
naastenliefde viel christenen zwaar.
Hoofdstuk 4 – Tijd van Steden en Staten
(1000 - 1500)
Kenmerkende aspecten
- De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van een
agrarisch-urbane samenleving.
- De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van
steden.
- Het conflict in de christelijke wereld over de vraag of de wereldlijke dan wel de
geestelijke macht het primaat behoorde te hebben.
- De expansie van de christelijke wereld naar buiten toe, onder andere in de vorm van
kruistochten.
- Het begin van staatsvorming en centralisatie.
Paragraaf 1 – Steden: handel en nijverheid
Veranderingen in de autarkische samenleving. (Begon in Vlaanderen verspreidde zich tot
in Noord-Duitsland). Kwam door:
- Gunstiger klimaat.
- Ontginningen: grote deel van de landbouw wordt gebruikt.
- Inpolderingen.
- Nieuwe landbouwtechnieken:
• Van os naar paard.
• Van tweeslagstelsel naar drieslagstelsel
Groei bevolking en voedselproductie Dit maakten de ontwikkeling van steden
mogelijk.
Mensen konden leven door handel en nijverheid. (Net als in de Oudheid.)
Steden: Mensen konden van hun ambacht hun beroep maken
10% van de oogst moest naar de kerk.
Handelaren: Werkten samen in een Hanze volgende stap in de schaalvergroting van de
handel tussen regio’s.
Steden vergroten indirect de macht van de adel
edellieden ontvingen veel belasting via de stad (bijvoorbeeld in Brugge en steden
in Noord-Italië).
Oosten belangrijkste handel was graan en vis
Noorden veel vraag naar wijn en gebruiksvoorwerpen
hierdoor ontstonden pakhuizen een jaarmarkten.
Er werd meer gebruik gemaakt van geld als ruilmiddel. Iedereen had zijn eigen munteenheid
opkomst geldwisselaars een rente verbod werd zo omzeild.
14e eeuw: Belang naar handel nam af door oorlog.
, Paragraaf 2 – Stadslucht maakt vrij
Meer vrijheid door de opkomst van steden minder belasting
horigen trokken naar de stad: adel konden tekort aan arbeidskracht alleen voorkomen
door belastingen en herendiensten te verminderen.
Stedelingen kregen meer invloed in het bestuur.
Vlaamse steden: patriciërs (rijkste burgers) werden soms schepenen bestuurden de
stad en waren rechters maakten veel misbruik
van hun macht.
Het gemeen (gewonde burgers) kwamen vaak in opstand.
Vanaf 1241: - elk jaar nieuwe schepenen gekozen.
- stadsraad gilden controleerden het financiële beheer van de schepenen
Steden konden meer bestuurlijke vrijheid krijgen dit door bij een conflict op de juiste
persoon te stemmen.
bijv. Franse koning Filips IV deelde zijn greep op Vlaanderen vergroten
Graaf Gwijde van Vlaanderen wilden zelfstandigheid
stedelijke wonnen (Graaf Gwijde)
wordt de Guldensporenslag genoemd
Beperkte de Franse greep op Vlaanderen.
Paragraaf 3 – De macht van de paus
Christelijken: Geloofde dat god de aarde had geschapen en de drie standen had ingesteld
- Geestelijkheid: moest bidden n zorgen voor het zielenheil van de gelovigen.
- Adel: bestuurde het land en beschermde de mensen.
- Boeren: Voorzagen iedereen van voedsel.
God had de paus en keizer aangesteld als zijn plaatsvervangers op aarde.
Wereldlijke macht: keizer
keizer koning hertog graaf adellijke heersers.
Geestelijke macht: paus
paus bisschoppen pastoors kapelaars
395: scheiding West- en Oost-Romeinse Rijk
Hieruit is het Byzantijnse Rijk ontstaan (keizer Basilius II)
Missionarissen hadden veel succes.
Oostelijke kerk betwijfelde of de paus nog wel nodig was.
Veel meningsverschillen tussen oost en west.
Oosters Schisma (1054): scheiding West-Europese kerk (paus) en de oostelijke
christenen (Grieks-orthodoxe kerk).
Vanuit het westen kwam ook veel kritiek op de paus. Het sobere leven en toon van
naastenliefde viel christenen zwaar.