Hoofdstuk 3 – Tijd van Monniken en Ridders
(500 - 1000)
Kenmerkende aspecten
- Het ontstaan van feodale verhoudingen in het bestuur.
- De vrijwel volledige vervanging in West-Europa van de agrarisch urbane cultuur door
een zelfvoorzienende agrarische cultuur.
- De verspreiding van het christendom in geheel Europa.
- Het ontstaan en de verspreiding van de islam.
Paragraaf 1 – Leenheren en leenmannen
Keltische/Germaanse stammen gingen naar het Romeinse Rijk.
Foederatie (zo werden ze genoemd door Romeinen) Gallo-Romeinen
woonden er ook Gallië: Staatsgodsdienst, cultuur, bestuur en economie van Romeinen.
Germaanse stammen Volksverhuizing
Gevolgen:
- Geen centraal leger, dus niet tegen invallen beschermd.
- Hongersnood doordat mensen gingen vluchten.
Franken namen deze gebieden vooral in.
Germanen namen veel van de romeinen over.
Rond 500 Clovis koning der Franken bekeerde zich tot het christendom.
Kreeg steun van vazallen werd beloond met buit van overwinning.
Na de dood van Clovis werd het rijk verdeeld onder zijn zonen.
Uiteindelijk kreeg Karel Martel de macht. Hij beloonde het leger met land als een soort leen.
Feodalisme (leenstelsel)
- Koning leenheer
- Rider leenman
Karel de Grote Leenstelsel verder uitbreiden.
Verdeelden zijn rijk in graafschappen, hiervoor stelde hij zendgraven aan (zij
controleerden leenmannen en verspreiden de wetten).
Hij kreeg veel aanzien. In 800 werd hij door de paus gekroond tot keizer (Dit deed de paus
om te laten zien dat hij meer macht had dan Karel, hij kom immers mensen kronen tot
keizer).
Het Byzantijnse rijk was oorspronkelijk het Oost-Romeinse rijk.
Keizer Justinianus wilde het Romeinse Rijk herstellen. Dit mislukte. Hij accepteerde dat Karel
de Grote nu keizer is.