Marketing Samenvatting
Hoofdstuk 4
Conatieve component = heeft betrekking op daadwerkelijk gedrag van de consument.
Cognitieve component = heeft betrekking op kennis
Affectieve component = heeft betrekking op gevoel
- Consumentengedrag = communicatie, aankoop, gebruiks- en afdank gedrag
- Daling van het consumentenvertrouwen = mensen zijn geneigd om minder te
besteden, ook als hun inkomen gelijk blijft.
- Wet van engel = als het inkomen stijgt gaan mensen een kleiner deel van hun
inkomen besteden aan noodzakelijke goederen (VB: brood) maar juist aan luxe
dingen.
- Sociologie = de studie van het gedrag van mensen in groepen. Relaties onderling.
- Psychologie = bestudeert intrapersoonlijke factoren.
- ICV = geeft aan hoe hoog het vertrouwen van consumenten in de economie is. Meer
gaan sparen als de economie slechter gaat.
- Consumenten handelen niet altijd rationeel en vertonen ook niet altijd
maximalisering van het gedrag.
- Theoretische constructen = de begrippen die men toekent aan de interne factoren
en processen.
- Nutsmaximalisatie = is de keuze van de consument voor wat het beste is na een
uitgebreide analyse van alle beschikbare informatie.
- Directe interactie = in elkaars nabijheid zijn en kunnen horen of zien.
- Indirecte interactie = vindt plaats via een medium (VB Social media)
Hoofdstuk 5
- Global marketing = streeft naar een zo groot mogelijke uniformiteit (standaardisatie)
van activiteiten. Houdt in dat bedrijven hun producten of diensten wereldwijd op de
markt brengen.
- Dissociatieve groep = wil je juist niet bij horen maar tegen afzetten (VB: Jehova’s)
- Primaire groep = sterke verbintenis aan persoon zoals gezin of vrienden. Kan je niet
zomaar lid van worden.
- Secundaire groep = groep waar minder contact bestaat zoals politieke partij waar je
lid van bent.
, - Aspiratiegroep = zou je graag bij horen.
- Gezinslevenscyclus = elke fase heeft zijn eigen kenmerken wensen en behoeften.
Singles horen hier niet bij.
- Cultuur = normen, waarden, attitudes, televisie, boeken, gebouwen en gereedschap.
- Gezin = referentiegroep, geen subcultuur. De traditionele gezinslevenscyclus
vertegenwoordigt niet alle mensen In de samenleving (bijv singles niet)
- Referentiepersoon = iemand laat attitude en gedrag beïnvloeden door een persoon
waarmee hij zich associeert en vergelijkt.
- Referentiegroep = groep mensen die veel invloed heeft op attitude en gedrag van
een persoon omdat die zich met die groep verbonden voelt (VB: familie, kennissen en
vrienden)
- Model van Hofstede = verklaren van verschillen tussen nationale culturen.
- 5 krachtenmodel van Porter = hoe aantrekkelijk de markt is waarin je actief bent. Je
MOET hierbij een conclusie trekken.
- 3 Dimensies Abell model = Afnemers, behoeften en technologieën.
- 7S model van McKinsey = gebruik je voor interne analyse, om sterktes en zwaktes
te bepalen.
- Interne analyse = 7s model en BCG Matrix
- Externe analyse = DESTEP en Porter
- Expansiestrategien van Ansoff
- Nederlandse indeling in welstandsklassen = gebaseerd op beroep,
opleidingsniveau en de mate van leidinggeven. Juist niet op inkomen.
Hoofdstuk 5
- Motivatie = drijvende kracht die consument ertoe beweegt om zijn behoefte te
vervullen. Motivatie is de mate waarin een bepaald motief aanwezig is.
- Fysiologische behoefte = de behoefte aan overleving, voeding en huisvesting.
- Perceptie = de subjectieve waarneming van stimuli.
Hoofdstuk 4
Conatieve component = heeft betrekking op daadwerkelijk gedrag van de consument.
Cognitieve component = heeft betrekking op kennis
Affectieve component = heeft betrekking op gevoel
- Consumentengedrag = communicatie, aankoop, gebruiks- en afdank gedrag
- Daling van het consumentenvertrouwen = mensen zijn geneigd om minder te
besteden, ook als hun inkomen gelijk blijft.
- Wet van engel = als het inkomen stijgt gaan mensen een kleiner deel van hun
inkomen besteden aan noodzakelijke goederen (VB: brood) maar juist aan luxe
dingen.
- Sociologie = de studie van het gedrag van mensen in groepen. Relaties onderling.
- Psychologie = bestudeert intrapersoonlijke factoren.
- ICV = geeft aan hoe hoog het vertrouwen van consumenten in de economie is. Meer
gaan sparen als de economie slechter gaat.
- Consumenten handelen niet altijd rationeel en vertonen ook niet altijd
maximalisering van het gedrag.
- Theoretische constructen = de begrippen die men toekent aan de interne factoren
en processen.
- Nutsmaximalisatie = is de keuze van de consument voor wat het beste is na een
uitgebreide analyse van alle beschikbare informatie.
- Directe interactie = in elkaars nabijheid zijn en kunnen horen of zien.
- Indirecte interactie = vindt plaats via een medium (VB Social media)
Hoofdstuk 5
- Global marketing = streeft naar een zo groot mogelijke uniformiteit (standaardisatie)
van activiteiten. Houdt in dat bedrijven hun producten of diensten wereldwijd op de
markt brengen.
- Dissociatieve groep = wil je juist niet bij horen maar tegen afzetten (VB: Jehova’s)
- Primaire groep = sterke verbintenis aan persoon zoals gezin of vrienden. Kan je niet
zomaar lid van worden.
- Secundaire groep = groep waar minder contact bestaat zoals politieke partij waar je
lid van bent.
, - Aspiratiegroep = zou je graag bij horen.
- Gezinslevenscyclus = elke fase heeft zijn eigen kenmerken wensen en behoeften.
Singles horen hier niet bij.
- Cultuur = normen, waarden, attitudes, televisie, boeken, gebouwen en gereedschap.
- Gezin = referentiegroep, geen subcultuur. De traditionele gezinslevenscyclus
vertegenwoordigt niet alle mensen In de samenleving (bijv singles niet)
- Referentiepersoon = iemand laat attitude en gedrag beïnvloeden door een persoon
waarmee hij zich associeert en vergelijkt.
- Referentiegroep = groep mensen die veel invloed heeft op attitude en gedrag van
een persoon omdat die zich met die groep verbonden voelt (VB: familie, kennissen en
vrienden)
- Model van Hofstede = verklaren van verschillen tussen nationale culturen.
- 5 krachtenmodel van Porter = hoe aantrekkelijk de markt is waarin je actief bent. Je
MOET hierbij een conclusie trekken.
- 3 Dimensies Abell model = Afnemers, behoeften en technologieën.
- 7S model van McKinsey = gebruik je voor interne analyse, om sterktes en zwaktes
te bepalen.
- Interne analyse = 7s model en BCG Matrix
- Externe analyse = DESTEP en Porter
- Expansiestrategien van Ansoff
- Nederlandse indeling in welstandsklassen = gebaseerd op beroep,
opleidingsniveau en de mate van leidinggeven. Juist niet op inkomen.
Hoofdstuk 5
- Motivatie = drijvende kracht die consument ertoe beweegt om zijn behoefte te
vervullen. Motivatie is de mate waarin een bepaald motief aanwezig is.
- Fysiologische behoefte = de behoefte aan overleving, voeding en huisvesting.
- Perceptie = de subjectieve waarneming van stimuli.