Geschiedenis historische contexten
Steden en burgers in de Lage Landen
Paragraaf 1:
Kenmerkende aspecten:
13. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van
een agrarisch-urbane samenleving.
14. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van
steden
In de periode 1050-1300 veranderde de samenleving in de Nederlanden enorm.
Het huidige Nederland en een deel van België lagen toen in het Heilige Roomse
Rijk. Dit rijk werd bestuurd via een netwerk van leenmannen. Het huidige
Nederland was in de 10de eeuw dunbevolkt en nauwelijks verstedelijkt. De
gebieden waren grotendeels zelfvoorzienend, gebaseerd op ruilhandel of
wederzijdse diensten. Vanaf de 11de eeuw kwam hier verandering in. De
landbouw werd steeds productiever. Dat had drie oorzaken:
Men begon meer land te bebouwen.
Ten tweede bedachten boeren een nieuwe manier van landbouw bedrijven,
namelijk het drieslagstelsel.
Ten derde kwamen er nieuwe technieken om grond beter te bewerken en
werden de ossen vervangen door paarden.
De hogere productie in de landbouw maakte bevolkingsgroei mogelijk. Mensen
konden zich op andere dingen gaan specialiseren. Door het opkomende ambacht
herleefde de handel. Dit leidde tot meer verstedelijking, doordat er markten
ontstonden waar handelaren gingen wonen. Ook ontstond er een monetaire
economie. Door al deze veranderingen ontstond een agrarisch-urbane
samenleving.
De opkomst van steden, zorgde voor politieke veranderingen. Stedelingen
probeerde stadsrechten te krijgen van hun vorst, om hun belangen te
beschermen. Door deze stadsrechten, werden de steden steeds zelfstandiger.
Daarentegen zagen vorsten een voordeel hieraan, omdat ze belastingen konden
innen en militaire steun kregen. De inwoners van de steden werden poorters
genoemd en vormden gezamenlijk de burgerij. De poorters kregen bepaalde
voorrechten, en om tot de burgerij toe te treden, moesten nieuwkomers eerst
betalen. Door de constante toestroom van aspirant-poorters, konden steden
zichzelf in stand houden. Deze aspirant-poorters trokken van het platteland naar
de stad en brachten kapitaal en kennis mee. Op plekken van markten ontstonden
grote steden, met daarom heen een verzorgingsgebied. Vanaf de 11de eeuw
ontwikkelde Vlaanderen zich tot een van de meest verstedelijkte gebieden. Het
viel onder het Franse Rijk. De grootste en belangrijkste stad was Atrecht. De
aanwezigheid van de bisschop en zijn hele hofhouding zorgde voor veel
werkgelegenheid. Ook kwam er vraag naar veel luxeproducten. Atrecht was
gespecialiseerd in de lakennijverheid en verdiende daar veel geld mee. Laken uit
Vlaanderen stond bekend om z’n goede kwaliteit.
,Doordat steden zichzelf mochten besturen, konden er nieuwe bestuursfuncties
ontstaan. Rijke kooplieden gingen deze onder elkaar verdelen en onderscheidde
zich van de andere stadsbewoners, ook wel het gemeen genoemd. De rijke
kooplieden vormden zo een nieuwe sociale klasse, de patriciërs. Ze leenden
vaak geld uit aan de vorsten en gingen zich steeds meer gedragen als leden van
de adel. Kooplieden kregen steeds meer macht. Ze bepaalde steeds meer de
werkomstandigheden van ambachtslieden, de prijzen van grondstoffen en de
hoogte van de lonen. Aan het eind van de 13 de eeuw kwamen er steeds meer
conflicten, omdat de ambachtslieden niet blij waren met het machtsmisbruik door
de patriciërs. Tijdens de Guldensporenslag kwamen de ambachtslieden en de
patriciërs (gesteund door het Franse leger) recht tegenover elkaar. Het Franse
leger werd verslagen door de Vlamingen, maar de patriciërs verloren hun
machtspositie niet.
, Paragraaf 2:
Kenmerkende aspecten:
14. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van
steden.
17. Het begin van staatsvorming en centralisatie.
21. De protestantse Reformatie die de splitsing van de christelijke kerk in West-
Europa tot gevolg had.
22. Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een
Nederlandse staat.
Atrecht verloor vanaf 1300 zijn economische voorsprong. Dit kwam omdat ze
moeilijk konden handelen over het water. Andere Vlaamse steden zoals Brugge
konden dit wel en konden goed handelen met de Hanze. Brugge was lange tijd
het belangrijkste handelscentrum en het centrum voor geldhandel. Handelaren
gingen steeds meer handelen met wisselbrieven, brieven waarin stond hoeveel
geld handelaren elkaar schuldig waren. In deze periode ontstonden ook de eerste
banken. Na verloop van tijd werd Antwerpen een belangrijke handelsstad, omdat
deze toegankelijk was voor grote handelsschepen. In de Nederlanden lag het
economische centrum in Amsterdam. Die handelde veel met het Oostzeegebied.
Voorheen was het de taak van de geestelijkheid om te zorgen voor het bonum
commune, het algemeen belang van stedelingen. Door de stadsrechten gingen
burgers dit steeds meer zelf doen. Zo werden ze onafhankelijk van de kerk.
Burgers uitten ook steeds meer kritiek op geestelijke praktijken. Zo ontstonden er
nieuwe groepen en stromingen. Volgelingen van de moderne devotie waren
zowel geestelijken als leken en hadden kritiek op kerkelijke praktijken. Door deze
nieuwe geloofsbeleving groeide het aantal begijnen, vrouwelijke leken die
gezamenlijk in begijnhoven woonden. Ook bedelorden waren populair. Dit waren
monniken of nonnen die afhankelijk waren van liefdadigheid. Deze stroming
maakte de weg vrij voor de Reformatie. Bij de reformatie ontstond het
protestantisme, die kritiek had op het katholieke geloof. Het protestantisme
ontstond uit twee stromingen, het lutheranisme en het calvinisme.
Vorsten streefden naar centralisatie en waren niet zo blij met de groeiende
zelfstandigheid van steden. Steden wilden steeds meer hun eigen belangen
volgen, dit noemen we particularisme. Brugge kwam meerdere keren in
opstand tegen vorsten die wilde centraliseren. De lange strijd die hierop volgde
maakte een einde aan de economische bloei van de stad. Antwerpen profiteerde
hiervan en trok de opkomende handel met de Spaanse en Portugese koloniën
naar zich toe. De Nederlanden kwamen in de 16 de eeuw onder leiding van Karel V,
die zijn centralisatiepolitiek uitbreidde. Hij inde veel belastingen en wilde dat zijn
burgers maar één geloof volgde.
In 1566 brak in de Nederlanden de Beeldenstorm uit. Protestanten kwamen
massaal in opstand tegen de centralisatiepolitiek. Filip II stuurde hertog van Alva
om het tegen de opstandelingen op te nemen, die bescherming zochten bij
Willem van Oranje. In 1585 werd Antwerpen belegerd en gaf het zich over. De
Antwerpenaren trokken massaal naar Amsterdam en namen kennis, kapitaal en
Steden en burgers in de Lage Landen
Paragraaf 1:
Kenmerkende aspecten:
13. De opkomst van handel en ambacht die de basis legde voor het herleven van
een agrarisch-urbane samenleving.
14. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van
steden
In de periode 1050-1300 veranderde de samenleving in de Nederlanden enorm.
Het huidige Nederland en een deel van België lagen toen in het Heilige Roomse
Rijk. Dit rijk werd bestuurd via een netwerk van leenmannen. Het huidige
Nederland was in de 10de eeuw dunbevolkt en nauwelijks verstedelijkt. De
gebieden waren grotendeels zelfvoorzienend, gebaseerd op ruilhandel of
wederzijdse diensten. Vanaf de 11de eeuw kwam hier verandering in. De
landbouw werd steeds productiever. Dat had drie oorzaken:
Men begon meer land te bebouwen.
Ten tweede bedachten boeren een nieuwe manier van landbouw bedrijven,
namelijk het drieslagstelsel.
Ten derde kwamen er nieuwe technieken om grond beter te bewerken en
werden de ossen vervangen door paarden.
De hogere productie in de landbouw maakte bevolkingsgroei mogelijk. Mensen
konden zich op andere dingen gaan specialiseren. Door het opkomende ambacht
herleefde de handel. Dit leidde tot meer verstedelijking, doordat er markten
ontstonden waar handelaren gingen wonen. Ook ontstond er een monetaire
economie. Door al deze veranderingen ontstond een agrarisch-urbane
samenleving.
De opkomst van steden, zorgde voor politieke veranderingen. Stedelingen
probeerde stadsrechten te krijgen van hun vorst, om hun belangen te
beschermen. Door deze stadsrechten, werden de steden steeds zelfstandiger.
Daarentegen zagen vorsten een voordeel hieraan, omdat ze belastingen konden
innen en militaire steun kregen. De inwoners van de steden werden poorters
genoemd en vormden gezamenlijk de burgerij. De poorters kregen bepaalde
voorrechten, en om tot de burgerij toe te treden, moesten nieuwkomers eerst
betalen. Door de constante toestroom van aspirant-poorters, konden steden
zichzelf in stand houden. Deze aspirant-poorters trokken van het platteland naar
de stad en brachten kapitaal en kennis mee. Op plekken van markten ontstonden
grote steden, met daarom heen een verzorgingsgebied. Vanaf de 11de eeuw
ontwikkelde Vlaanderen zich tot een van de meest verstedelijkte gebieden. Het
viel onder het Franse Rijk. De grootste en belangrijkste stad was Atrecht. De
aanwezigheid van de bisschop en zijn hele hofhouding zorgde voor veel
werkgelegenheid. Ook kwam er vraag naar veel luxeproducten. Atrecht was
gespecialiseerd in de lakennijverheid en verdiende daar veel geld mee. Laken uit
Vlaanderen stond bekend om z’n goede kwaliteit.
,Doordat steden zichzelf mochten besturen, konden er nieuwe bestuursfuncties
ontstaan. Rijke kooplieden gingen deze onder elkaar verdelen en onderscheidde
zich van de andere stadsbewoners, ook wel het gemeen genoemd. De rijke
kooplieden vormden zo een nieuwe sociale klasse, de patriciërs. Ze leenden
vaak geld uit aan de vorsten en gingen zich steeds meer gedragen als leden van
de adel. Kooplieden kregen steeds meer macht. Ze bepaalde steeds meer de
werkomstandigheden van ambachtslieden, de prijzen van grondstoffen en de
hoogte van de lonen. Aan het eind van de 13 de eeuw kwamen er steeds meer
conflicten, omdat de ambachtslieden niet blij waren met het machtsmisbruik door
de patriciërs. Tijdens de Guldensporenslag kwamen de ambachtslieden en de
patriciërs (gesteund door het Franse leger) recht tegenover elkaar. Het Franse
leger werd verslagen door de Vlamingen, maar de patriciërs verloren hun
machtspositie niet.
, Paragraaf 2:
Kenmerkende aspecten:
14. De opkomst van de stedelijke burgerij en de toenemende zelfstandigheid van
steden.
17. Het begin van staatsvorming en centralisatie.
21. De protestantse Reformatie die de splitsing van de christelijke kerk in West-
Europa tot gevolg had.
22. Het conflict in de Nederlanden dat resulteerde in de stichting van een
Nederlandse staat.
Atrecht verloor vanaf 1300 zijn economische voorsprong. Dit kwam omdat ze
moeilijk konden handelen over het water. Andere Vlaamse steden zoals Brugge
konden dit wel en konden goed handelen met de Hanze. Brugge was lange tijd
het belangrijkste handelscentrum en het centrum voor geldhandel. Handelaren
gingen steeds meer handelen met wisselbrieven, brieven waarin stond hoeveel
geld handelaren elkaar schuldig waren. In deze periode ontstonden ook de eerste
banken. Na verloop van tijd werd Antwerpen een belangrijke handelsstad, omdat
deze toegankelijk was voor grote handelsschepen. In de Nederlanden lag het
economische centrum in Amsterdam. Die handelde veel met het Oostzeegebied.
Voorheen was het de taak van de geestelijkheid om te zorgen voor het bonum
commune, het algemeen belang van stedelingen. Door de stadsrechten gingen
burgers dit steeds meer zelf doen. Zo werden ze onafhankelijk van de kerk.
Burgers uitten ook steeds meer kritiek op geestelijke praktijken. Zo ontstonden er
nieuwe groepen en stromingen. Volgelingen van de moderne devotie waren
zowel geestelijken als leken en hadden kritiek op kerkelijke praktijken. Door deze
nieuwe geloofsbeleving groeide het aantal begijnen, vrouwelijke leken die
gezamenlijk in begijnhoven woonden. Ook bedelorden waren populair. Dit waren
monniken of nonnen die afhankelijk waren van liefdadigheid. Deze stroming
maakte de weg vrij voor de Reformatie. Bij de reformatie ontstond het
protestantisme, die kritiek had op het katholieke geloof. Het protestantisme
ontstond uit twee stromingen, het lutheranisme en het calvinisme.
Vorsten streefden naar centralisatie en waren niet zo blij met de groeiende
zelfstandigheid van steden. Steden wilden steeds meer hun eigen belangen
volgen, dit noemen we particularisme. Brugge kwam meerdere keren in
opstand tegen vorsten die wilde centraliseren. De lange strijd die hierop volgde
maakte een einde aan de economische bloei van de stad. Antwerpen profiteerde
hiervan en trok de opkomende handel met de Spaanse en Portugese koloniën
naar zich toe. De Nederlanden kwamen in de 16 de eeuw onder leiding van Karel V,
die zijn centralisatiepolitiek uitbreidde. Hij inde veel belastingen en wilde dat zijn
burgers maar één geloof volgde.
In 1566 brak in de Nederlanden de Beeldenstorm uit. Protestanten kwamen
massaal in opstand tegen de centralisatiepolitiek. Filip II stuurde hertog van Alva
om het tegen de opstandelingen op te nemen, die bescherming zochten bij
Willem van Oranje. In 1585 werd Antwerpen belegerd en gaf het zich over. De
Antwerpenaren trokken massaal naar Amsterdam en namen kennis, kapitaal en