- Persoonsvorm: het belangrijkste werkwoord dat past bij het onderwerp.
- Werkwoordelijk gezegde: alle werkwoorden in de zin.
- Naamwoordelijk gezegde: zijn, worden, blijven, blijken, lijken, schijnen, heten, dunken,
voorkomen. Werkwoord + naamwoordelijk deel.
- Onderwerp: wie/wat + gezegde.
- Lijdend voorwerp: wie/wat + gezegde + onderwerp.
- Meewerkend voorwerp: aan/voor wie + gezegde + onderwerp + lijdend voorwerp.
- Voorzetselvoorwerp: een zinsdeel dat altijd met een vast voorzetsel begint.
- Bijwoordelijke bepaling: een zinsdeel dat iets vertelt over tijd, plaats, richting, reden, of
hoeveelheid.
Bijzinnen beginnen vaak met die, dat, wat, wie, of, een komma.
3.7 (excl. meewerkend voorwerpszin)
Lijdendvoorwerpszin
Het antwoord op de vraag “wie/wat + gezegde + onderwerp” geeft het lijdend voorwerp. Het
lijdend voorwerp kan ook een complete bijzin zijn: de lijdendvoorwerpszin. Je kunt zo een zin
altijd vervangen door 1 woord om te kijken of het mogelijk is, zoals het, iets of dat.
-> Bv: Ik hoop dat het stopt met regenen -> Ik hoop het.
Onderwerpszin
Het antwoord op de vraag “wie/wat + gezegde” geeft het onderwerp. Het onderwerp kan ook
een complete bijzin zijn: de onderwerpszin. Je kunt zo een zin altijd vervangen door 1 of
enkele woorden om te kijken of het mogelijk is, zoals dat, iets, het, zo’n persoon, zo iemand.
-> Bv: Wie dit leest is gek -> Zo’n persoon is gek.
Voorlopig onderwerp
Soms wordt een onderwerpszin voorafgegaan door het, wat verwijst naar de onderwerpszin
die later komt. Dit noemen we een voorlopig onderwerp.
-> Bv: Het komt slecht uit dat het al dagen regent.
Voorlopig lijdend voorwerp
Soms wordt een lijdendvoorwerpszin voorafgegaan door het, wat verwijst naar de
lijdendvoorwerpszin die later komt. Dit noemen we het voorlopig lijdend voorwerp
-> Bv: Ik vind het fijn dat we zo goed kunnen praten.
Gezegdezin
Het gezegde kan ook een bijzin zijn. Deze begint altijd met wie of wat en maakt deel uit van
het naamwoordelijk gezegde.
-> Bv: Die jongen is geworden wat zijn vader is.
4.7 (alleen bijvoeglijke bijzin)
Bijvoeglijke bijzin
Als een bijvoeglijke bepaling een bijzin is, noemen we die bijzin een bijvoeglijke bijzin. Een
bijvoeglijke bepaling geeft extra informatie over het zelfstandig naamwoord, dus bv een
bijvoeglijk naamwoord, telwoord, aanwijzend voornaamwoord, bezittelijk voornaamwoord, of
een groepje woorden dat met een voorzetsel begint. De bijvoeglijke bijzin begint met die, dat,
wat, waar + voorzetsel OF voorzetsel + wie.
-> Bv: De dromerige jongen liep tegen een lantaarnpaal (bijvoeglijke bepaling).
De jongen die altijd loopt te dromen liep tegen een lantaarnpaal (bijvoeglijke bijzin).
1