Valerie Walet
E-mail:
Studiegroepscode:
Naam cursus:
Docent:
Aantal woorden:
Inleverdatum:
0
,Inhoudsopgave
1. Klinisch redeneren.................................................................................................. 2
1.1. Anamnese........................................................................................................ 2
1.1.1. De eerste indruk......................................................................................... 2
1.1.2. Het ziektebeeld.......................................................................................... 2
1.1.3. De belevingswereld.................................................................................... 6
1.1.4. Inschatting maken van de gezondheid.......................................................7
1.1.5. Gezondheidssituatie...................................................................................9
1.2. Diagnose....................................................................................................... 9
1.2.1. Aanknopingspunten voor het verlenen van zorg........................................9
1.2.2. Evaluatie diagnose................................................................................... 12
1.3. Resultaat..................................................................................................... 12
1.3.1. Resultaten................................................................................................ 12
1.3.2. Evaluatie resultaten................................................................................ 13
1.4. Interventies................................................................................................. 13
1.4.1. Interventies opstellen...............................................................................13
1.4.2. Terugkoppeling werkbegeleider...............................................................15
1.4.3. Evaluatie verpleegplan.............................................................................15
1.5. Evaluatie..................................................................................................... 15
Hoofdstuk 2 Onderzoeken vermogen.......................................................................16
2.1. Probleemanalyse......................................................................................... 16
2.1. Onderzoeksmethode................................................................................... 17
2.2 Dataverzameling.......................................................................................... 18
2.3. Data-analyse.................................................................................................... 2
2.4 Rapportage........................................................................................................ 4
Literatuurlijst.............................................................................................................. 6
1
, 1.KLINISCH REDENEREN
1.1. Anamnese
1.1.1. DE EERSTE INDRUK
De patiënt betreft een .. jarige meneer die in een psychogeriatrisch zorgcentrum
woont in .. . Meneer is ongeveer .. cm en weegt rond de .. kg. Meneer is een
gezelligheidsmens. Hij houd er van om lekker een praatje te maken met het
personeel of een medebewoner. Meneer zoekt hiervoor vaak contact met
medebewoners en/of het personeel. Je kan vaak met meneer grapjes maken. De
heer kijkt graag televisie en houd er van om een boek te lezen. Hij heeft altijd een
tas mee en is hier erg aan gehecht. Hierin bewaard hij zijn boekjes, pennen en
tijdschriften. Meneer schrijft veel op wat hij op een dag mee maakt en wat hij ziet.
Ook houd meneer er van om voetbal en het journaal te kijken. Hij draagt altijd
sandalen.
Meneer is minder mobiel na een val. Sindsdien heeft meneer vaak last van de heup.
Meneer wordt met een actieve tillift in en uit bed gehaald. Meneer zit in een
rolstoel. Bij de meeste activiteiten doet meneer mee. Hij is nog graag in beweging.
Meneer maakt gebruik van incontinentiemateriaal.
Meneer maakt soms ongepaste opmerkingen. Je kan meneer er nog goed op wijzen
als je het niet prettig vind. Als dit zo is bied hij gelijk of later zijn excuses aan.
Meneer woont op een van de zestien woongroepen in het zorgcentrum. Er is een
gezamenlijke ruimte ‘De Oase’. Hier kunnen mensen iets drinken of wat eten. De
woongroep beschikt over een gezamenlijke huiskamer, douche en toilet. Meneer
zijn kamer is ingericht met persoonlijke spullen, zoals boeken en een beeldje van de
heer zijn geloof. Op de kamer kan je uitkijken op de ingang van het zorgcentrum. De
kamer beschikt over een hoog-laagbed, een nachtkastje, een kast voor persoonlijke
spullen, en kledingkast, een wastafel en een kast voor alle verzorgingspullen.
Meneer heeft een sensor naast zijn bed staan als hij in bed ligt. Deze staat er om
het risico op vallen en letsel zo veel mogelijk te voorkomen.
1.1.2. HET ZIEKTEBEELD
De patiënt is bekend met de volgende gezondheidsproblemen: decompensatio
cordis, hypertensie, atypische Parkinsonisme met neuropathie, dementie. Meneer
heeft ook een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) en een verleden van
depressie.
2
, ATYPISCHE PARKINSONISME MET NEUROPATHIE
Parkinsonisme is een verzamelnaam voor een aantal aandoeningen die lijken op
Parkinson. Bij Parkinson wordt de aanmaak van het stofje dopamine verstoord,
terwijl bij parkinsonisme de opvang juist niet goed verloopt. Vanwege dit verschil
werken medicijnen voor Parkinson niet bij parkinsonisme. Mensen met
parkinsonisme hebben vergelijkbare klachten als iemand met Parkinson. Wel
verschilt het verloop van de ziekte.
SYMPTOMEN
Meer last hebben aan één lichaamskant
Pijn
Rigiditeit (stijfheid van de spieren)
Bradykinesie (het langzamer bewegen van de benen of handen)
Moeite met kleine bewegingen (veters strikken of een rits dicht maken):
Apraxie.
Langzamer bewegen
Moeite hebben met het evenwicht
Droge mond
Kwijlen
(vaker) vallen
Vergeetachtigheid
Concentratie problemen
Moeite hebben met dingen plannen en het overzicht houden.
Meer kans op dementie
Afasie
Moe zijn
Angstig zijn
Reukproblemen
Slaapproblemen
Trager denken
Denk problemen
Defecatie problemen (soms ook mictieproblemen)
WELKE SYMPTOMEN ZIE IK TERUG?
Meer last hebben aan één lichaamskant
Denk problemen
Defecatie problemen
Langzamer bewegen
Pijn
Trillingen
Bradykinesie
3
E-mail:
Studiegroepscode:
Naam cursus:
Docent:
Aantal woorden:
Inleverdatum:
0
,Inhoudsopgave
1. Klinisch redeneren.................................................................................................. 2
1.1. Anamnese........................................................................................................ 2
1.1.1. De eerste indruk......................................................................................... 2
1.1.2. Het ziektebeeld.......................................................................................... 2
1.1.3. De belevingswereld.................................................................................... 6
1.1.4. Inschatting maken van de gezondheid.......................................................7
1.1.5. Gezondheidssituatie...................................................................................9
1.2. Diagnose....................................................................................................... 9
1.2.1. Aanknopingspunten voor het verlenen van zorg........................................9
1.2.2. Evaluatie diagnose................................................................................... 12
1.3. Resultaat..................................................................................................... 12
1.3.1. Resultaten................................................................................................ 12
1.3.2. Evaluatie resultaten................................................................................ 13
1.4. Interventies................................................................................................. 13
1.4.1. Interventies opstellen...............................................................................13
1.4.2. Terugkoppeling werkbegeleider...............................................................15
1.4.3. Evaluatie verpleegplan.............................................................................15
1.5. Evaluatie..................................................................................................... 15
Hoofdstuk 2 Onderzoeken vermogen.......................................................................16
2.1. Probleemanalyse......................................................................................... 16
2.1. Onderzoeksmethode................................................................................... 17
2.2 Dataverzameling.......................................................................................... 18
2.3. Data-analyse.................................................................................................... 2
2.4 Rapportage........................................................................................................ 4
Literatuurlijst.............................................................................................................. 6
1
, 1.KLINISCH REDENEREN
1.1. Anamnese
1.1.1. DE EERSTE INDRUK
De patiënt betreft een .. jarige meneer die in een psychogeriatrisch zorgcentrum
woont in .. . Meneer is ongeveer .. cm en weegt rond de .. kg. Meneer is een
gezelligheidsmens. Hij houd er van om lekker een praatje te maken met het
personeel of een medebewoner. Meneer zoekt hiervoor vaak contact met
medebewoners en/of het personeel. Je kan vaak met meneer grapjes maken. De
heer kijkt graag televisie en houd er van om een boek te lezen. Hij heeft altijd een
tas mee en is hier erg aan gehecht. Hierin bewaard hij zijn boekjes, pennen en
tijdschriften. Meneer schrijft veel op wat hij op een dag mee maakt en wat hij ziet.
Ook houd meneer er van om voetbal en het journaal te kijken. Hij draagt altijd
sandalen.
Meneer is minder mobiel na een val. Sindsdien heeft meneer vaak last van de heup.
Meneer wordt met een actieve tillift in en uit bed gehaald. Meneer zit in een
rolstoel. Bij de meeste activiteiten doet meneer mee. Hij is nog graag in beweging.
Meneer maakt gebruik van incontinentiemateriaal.
Meneer maakt soms ongepaste opmerkingen. Je kan meneer er nog goed op wijzen
als je het niet prettig vind. Als dit zo is bied hij gelijk of later zijn excuses aan.
Meneer woont op een van de zestien woongroepen in het zorgcentrum. Er is een
gezamenlijke ruimte ‘De Oase’. Hier kunnen mensen iets drinken of wat eten. De
woongroep beschikt over een gezamenlijke huiskamer, douche en toilet. Meneer
zijn kamer is ingericht met persoonlijke spullen, zoals boeken en een beeldje van de
heer zijn geloof. Op de kamer kan je uitkijken op de ingang van het zorgcentrum. De
kamer beschikt over een hoog-laagbed, een nachtkastje, een kast voor persoonlijke
spullen, en kledingkast, een wastafel en een kast voor alle verzorgingspullen.
Meneer heeft een sensor naast zijn bed staan als hij in bed ligt. Deze staat er om
het risico op vallen en letsel zo veel mogelijk te voorkomen.
1.1.2. HET ZIEKTEBEELD
De patiënt is bekend met de volgende gezondheidsproblemen: decompensatio
cordis, hypertensie, atypische Parkinsonisme met neuropathie, dementie. Meneer
heeft ook een Posttraumatische Stressstoornis (PTSS) en een verleden van
depressie.
2
, ATYPISCHE PARKINSONISME MET NEUROPATHIE
Parkinsonisme is een verzamelnaam voor een aantal aandoeningen die lijken op
Parkinson. Bij Parkinson wordt de aanmaak van het stofje dopamine verstoord,
terwijl bij parkinsonisme de opvang juist niet goed verloopt. Vanwege dit verschil
werken medicijnen voor Parkinson niet bij parkinsonisme. Mensen met
parkinsonisme hebben vergelijkbare klachten als iemand met Parkinson. Wel
verschilt het verloop van de ziekte.
SYMPTOMEN
Meer last hebben aan één lichaamskant
Pijn
Rigiditeit (stijfheid van de spieren)
Bradykinesie (het langzamer bewegen van de benen of handen)
Moeite met kleine bewegingen (veters strikken of een rits dicht maken):
Apraxie.
Langzamer bewegen
Moeite hebben met het evenwicht
Droge mond
Kwijlen
(vaker) vallen
Vergeetachtigheid
Concentratie problemen
Moeite hebben met dingen plannen en het overzicht houden.
Meer kans op dementie
Afasie
Moe zijn
Angstig zijn
Reukproblemen
Slaapproblemen
Trager denken
Denk problemen
Defecatie problemen (soms ook mictieproblemen)
WELKE SYMPTOMEN ZIE IK TERUG?
Meer last hebben aan één lichaamskant
Denk problemen
Defecatie problemen
Langzamer bewegen
Pijn
Trillingen
Bradykinesie
3