Openingscollege
Handelingsgerichte diagnostiek (HGD)
Niet, wat heeft Tim, maar, wat heeft Tim nodig
- Interventie gericht
- Benutten het positieve in het cliëntsysteem
- Samen met kind, ouders en leerkrachten
- Transactioneel perspectief
- Kinderen ontwikkelen in een constante interactie met hun
omgevingsfactoren (thuis en op school)
- Systematisch en transparant
Probleemanalyse
Probleemanalyse= het vertalen van de klachten van de cliënt naar
professionele beschrijvingen van die problematiek
- Clusteren: Bij elkaar zetten van specifieke probleemgedragingen
(waarneembaar gedrag) uit zelfde ontwikkelingsdomein
- Ernsttaxatie
- Onderkennende hypotheses opstellen en toetsen ((1)Hypothese
opstellen, (2) Indicaties en contra-indicaties uit intake, (3) Welke
informatie nog nodig om te toetsen? (4) Alle criteria toetsen)
- Eventuele DSM5 classificatie
Criteria ernsttaxatie (rutter)
- Bij leeftijd passens (veervoorkomend)?
- Mate van, frequentie, duur (recent of langdurig)
- Hardnekkigheid
- Verstoring fuctioneren?
- Social beperkingen (vriendschappen)
- Schoolprestaties
- Belemmering/ verstoring ontwikkeling
- Situatiegebonden of algemeen?
- Past het bij (socio)culturele achtergrond?
- Voor wie een probleem (psychosociale stress)?
- Kind
- Gezin (draagkracht)
- Maatschappij
- Gedrag specifiek voor bepaalde stoornis (en geen onderdeel normale
ontw.)?
- Bijv. wanen, stereotype gedragingen etc.
VAC1 Verstandelijke beperkingen
1
,Verstandelijke beperking volgens DSM-V
- Tekorten in intellectueel functioneren
- bijv. Redeneren, probleem oplossen, schools leren, abstract
denken (IQ-scores)
- Beperkingen in adaptief functioneren
- Conceptueel, sociaal, praktisch
- Start gedurende developmental period
a. Behalve IQ is er een ander criterium om te spreken van een intellectuele
beperking: welke is dat en wat wordt daarmee bedoeld (en uit welke
onderdelen bestaat dat)?
Significante beperkingen in mentale vermogens: beperkingen in
adaptief functioneren (zoals conceptuele, sociale en praktische
vaardigheden die nodig zijn om aspecten van het dagelijks leven te
vervullen).
b. Een IQ is geen stabiel gegeven; het kan veranderen. Welke factoren,
behalve aanleg van een kind, kunnen het IQ beïnvloeden (en ook vaak
verschillen tussen groepen mensen verklaren)?
Juiste omgevingsomstandigheden: (sociaal-economische status, de
impact van neuroontwikkeling in verschillende mate en systematische
verschillen tussen raciale/etnische groepen. Maar ook gezinsinkomen,
gezinsconflicten en acculturatie spelen een rol. → ongelijke toegang tot
kwalitatief goed onderwijs en voeding voor kinderen.
c. Er is ook variatie in ontwikkelingsverloop, zowel qua intelligentie als in
adaptieve functies. Hoe verloopt dat bijvoorbeeld vaak bij kinderen met
een Downsyndroom?
Similar sequence hypothesis: Hypothese van de gelijke volgorde: alle
kinderen (met of zonder beperking) doorlopen dezelfde stadia van
cognitieve ontwikkeling in een identieke (invariabele) volgorde; ze
verschillen alleen in hun tempo en het maximale niveau van hun
ontwikkeling.
Similar structure hypothesis: Hypothese van de gelijke structuur:
kinderen met een verstandelijke ontwikkelingsstoornis vertonen hetzelfde
gedrag en dezelfde onderliggende processen als normaal ontwikkelende
kinderen op hetzelfde niveau van cognitief functioneren. (Kinderen met
een verstandelijke ontwikkelingsstoornis worden gematcht met normaal
ontwikkelende kinderen op basis van hun mentale leeftijd → dan laten ze
gelijkwaardige prestaties zien op cognitieve taken, zoals
probleemoplossing, spelling en moreel redeneren).
2
, d. Welke twee grote groepen worden onderscheiden qua oorzaken van
intellectuele beperkingen?
Organische groep (biologische basis, geassocieerd met ernstige en
diepe verstandelijke ontwikkelingsstoornis, chromosomaal) en cultureel-
familiale groep (geen duidelijke organische basis, geassocieerd met
milde verstandelijke ontwikkelingsstoornis, overerfbaarheid (50%), invloed
omgevingsfactoren).
e. Welke verschillen in ontwikkelingsverloop zie je grofweg bij deze twee
groepen (m.b.t. ‘developmental position’ versus ‘difference viewpoint’)?
De overgrote meerderheid van mensen met ernstigere niveaus van
verstandelijke beperkingen (96%) vertoont een duidelijke oorzaak
(etiologie) voor de stoornis, terwijl een aanzienlijk percentage (32%) van
de mensen met milde beperkingen dat niet heeft.
Het percentage individuen met een duidelijke organische oorzaak is in de
afgelopen decennia toegenomen door een betere kennis van genetische
en organische oorzaken. Ook moest de oorspronkelijke aanname dat milde
verstandelijke ontwikkelingsstoornissen niet te maken hebben met
biomedische (organische) oorzaken, worden bijgesteld door bevindingen
dat epilepsie, cerebrale parese en andere organische stoornissen vaker
voorkomen bij mensen met milde verstandelijke ontwikkelingsstoornissen
dan bij mensen zonder verstandelijke beperkingen.
f. Kan je de syndromen benoemen die te maken hebben met
chromosomale afwijkingen (en hun kenmerken)?
Downsyndroom: een kleine schedel, een grote tong die uit een kleine
mond steekt, amandelvormige ogen met schuin aflopende wenkbrauwen,
een platte neusrug, een korte of kromme vijfde vinger en brede, vierkante
handen met een zogenaamde aapplooi (een enkele diepe plooi over de
handpalm). Verschillen in de functie van de hippocampus → speelt een
belangrijke rol bij het langetermijngeheugen; deze bevindingen helpen
verklaren waarom kinderen met downsyndroom moeite hebben met het
verwerven van typische taalvaardigheden (een fundamenteel aspect van
IQ).
Fragiele-X-syndroom: een groot voorhoofd, een prominente kaak en
lage, uitstekende oren. Komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes.
Kenmerkend zijn ongewone sociale en communicatieve patronen,
gekenmerkt door verlegenheid en slechte oogcontact. Bij jongens is er
sprake van aanzienlijke vertragingen in cognitieve en communicatieve
ontwikkeling. Bij meisjes komen vooral sociale angst en vermijdingsgedrag
3
Handelingsgerichte diagnostiek (HGD)
Niet, wat heeft Tim, maar, wat heeft Tim nodig
- Interventie gericht
- Benutten het positieve in het cliëntsysteem
- Samen met kind, ouders en leerkrachten
- Transactioneel perspectief
- Kinderen ontwikkelen in een constante interactie met hun
omgevingsfactoren (thuis en op school)
- Systematisch en transparant
Probleemanalyse
Probleemanalyse= het vertalen van de klachten van de cliënt naar
professionele beschrijvingen van die problematiek
- Clusteren: Bij elkaar zetten van specifieke probleemgedragingen
(waarneembaar gedrag) uit zelfde ontwikkelingsdomein
- Ernsttaxatie
- Onderkennende hypotheses opstellen en toetsen ((1)Hypothese
opstellen, (2) Indicaties en contra-indicaties uit intake, (3) Welke
informatie nog nodig om te toetsen? (4) Alle criteria toetsen)
- Eventuele DSM5 classificatie
Criteria ernsttaxatie (rutter)
- Bij leeftijd passens (veervoorkomend)?
- Mate van, frequentie, duur (recent of langdurig)
- Hardnekkigheid
- Verstoring fuctioneren?
- Social beperkingen (vriendschappen)
- Schoolprestaties
- Belemmering/ verstoring ontwikkeling
- Situatiegebonden of algemeen?
- Past het bij (socio)culturele achtergrond?
- Voor wie een probleem (psychosociale stress)?
- Kind
- Gezin (draagkracht)
- Maatschappij
- Gedrag specifiek voor bepaalde stoornis (en geen onderdeel normale
ontw.)?
- Bijv. wanen, stereotype gedragingen etc.
VAC1 Verstandelijke beperkingen
1
,Verstandelijke beperking volgens DSM-V
- Tekorten in intellectueel functioneren
- bijv. Redeneren, probleem oplossen, schools leren, abstract
denken (IQ-scores)
- Beperkingen in adaptief functioneren
- Conceptueel, sociaal, praktisch
- Start gedurende developmental period
a. Behalve IQ is er een ander criterium om te spreken van een intellectuele
beperking: welke is dat en wat wordt daarmee bedoeld (en uit welke
onderdelen bestaat dat)?
Significante beperkingen in mentale vermogens: beperkingen in
adaptief functioneren (zoals conceptuele, sociale en praktische
vaardigheden die nodig zijn om aspecten van het dagelijks leven te
vervullen).
b. Een IQ is geen stabiel gegeven; het kan veranderen. Welke factoren,
behalve aanleg van een kind, kunnen het IQ beïnvloeden (en ook vaak
verschillen tussen groepen mensen verklaren)?
Juiste omgevingsomstandigheden: (sociaal-economische status, de
impact van neuroontwikkeling in verschillende mate en systematische
verschillen tussen raciale/etnische groepen. Maar ook gezinsinkomen,
gezinsconflicten en acculturatie spelen een rol. → ongelijke toegang tot
kwalitatief goed onderwijs en voeding voor kinderen.
c. Er is ook variatie in ontwikkelingsverloop, zowel qua intelligentie als in
adaptieve functies. Hoe verloopt dat bijvoorbeeld vaak bij kinderen met
een Downsyndroom?
Similar sequence hypothesis: Hypothese van de gelijke volgorde: alle
kinderen (met of zonder beperking) doorlopen dezelfde stadia van
cognitieve ontwikkeling in een identieke (invariabele) volgorde; ze
verschillen alleen in hun tempo en het maximale niveau van hun
ontwikkeling.
Similar structure hypothesis: Hypothese van de gelijke structuur:
kinderen met een verstandelijke ontwikkelingsstoornis vertonen hetzelfde
gedrag en dezelfde onderliggende processen als normaal ontwikkelende
kinderen op hetzelfde niveau van cognitief functioneren. (Kinderen met
een verstandelijke ontwikkelingsstoornis worden gematcht met normaal
ontwikkelende kinderen op basis van hun mentale leeftijd → dan laten ze
gelijkwaardige prestaties zien op cognitieve taken, zoals
probleemoplossing, spelling en moreel redeneren).
2
, d. Welke twee grote groepen worden onderscheiden qua oorzaken van
intellectuele beperkingen?
Organische groep (biologische basis, geassocieerd met ernstige en
diepe verstandelijke ontwikkelingsstoornis, chromosomaal) en cultureel-
familiale groep (geen duidelijke organische basis, geassocieerd met
milde verstandelijke ontwikkelingsstoornis, overerfbaarheid (50%), invloed
omgevingsfactoren).
e. Welke verschillen in ontwikkelingsverloop zie je grofweg bij deze twee
groepen (m.b.t. ‘developmental position’ versus ‘difference viewpoint’)?
De overgrote meerderheid van mensen met ernstigere niveaus van
verstandelijke beperkingen (96%) vertoont een duidelijke oorzaak
(etiologie) voor de stoornis, terwijl een aanzienlijk percentage (32%) van
de mensen met milde beperkingen dat niet heeft.
Het percentage individuen met een duidelijke organische oorzaak is in de
afgelopen decennia toegenomen door een betere kennis van genetische
en organische oorzaken. Ook moest de oorspronkelijke aanname dat milde
verstandelijke ontwikkelingsstoornissen niet te maken hebben met
biomedische (organische) oorzaken, worden bijgesteld door bevindingen
dat epilepsie, cerebrale parese en andere organische stoornissen vaker
voorkomen bij mensen met milde verstandelijke ontwikkelingsstoornissen
dan bij mensen zonder verstandelijke beperkingen.
f. Kan je de syndromen benoemen die te maken hebben met
chromosomale afwijkingen (en hun kenmerken)?
Downsyndroom: een kleine schedel, een grote tong die uit een kleine
mond steekt, amandelvormige ogen met schuin aflopende wenkbrauwen,
een platte neusrug, een korte of kromme vijfde vinger en brede, vierkante
handen met een zogenaamde aapplooi (een enkele diepe plooi over de
handpalm). Verschillen in de functie van de hippocampus → speelt een
belangrijke rol bij het langetermijngeheugen; deze bevindingen helpen
verklaren waarom kinderen met downsyndroom moeite hebben met het
verwerven van typische taalvaardigheden (een fundamenteel aspect van
IQ).
Fragiele-X-syndroom: een groot voorhoofd, een prominente kaak en
lage, uitstekende oren. Komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes.
Kenmerkend zijn ongewone sociale en communicatieve patronen,
gekenmerkt door verlegenheid en slechte oogcontact. Bij jongens is er
sprake van aanzienlijke vertragingen in cognitieve en communicatieve
ontwikkeling. Bij meisjes komen vooral sociale angst en vermijdingsgedrag
3