D4 – Psychiatrie B
Dwangstoornissen
De obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) kenmerkt zich door obsessies (dwanggedachten,
dwangimpulsen en/of dwangbeelden) en/of compulsies (dwanghandelingen).
De vier klinische subtypen van de obsessieve-compulsieve stoornis zijn:
Angst voor besmetting; wasdrang. Deze patiënten hebben obsessies over mogelijke
besmetting met vuil, asbest, bacteriën en virussen, of uitscheidingsproducten. Om deze
angst te verminderen of te neutraliseren, voer je was- en schoonmaakrituelen uit en vermijd
je contact met deze stoffen.
Angst voor een gevaarlijke gebeurtenis; controledwang. Deze patiënten hechten een sterk
geloof aan gebeurtenissen die zouden kunnen plaatsvinden en waar de betreffende patiënt
verantwoordelijk voor zou zijn. De angst wordt verminderd door controlerituelen en door
angstwekkende situaties te vermijden.
Agressieve, seksuele, en religieuze obsessies en compulsies. Bij deze groep speelt het
fenomeen thought-action fusion een belangrijke rol: de persoon denkt dat de kans dat iets
gebeurt groter wordt als hij er een gedachte over heeft: ‘Als ik eraan denk dat mijn moeder
een ongeluk zou kunnen overkomen, neemt de kans ook toe dat dit daadwerkelijk gebeurt’.
Symmetrieobsessies en -compulsies, en compulsief tellen, ordenen en verzamelen en
daarmee geobsedeerd zijn. Patiënten hebben dwanggedachten dat allerlei zaken precies
‘goed’ moeten zijn.
De obsessieve-compulsieve stoornis ontstaat gemiddeld rond het 22 e levensjaar, bij mannen eerder
dan bij vrouwen. Gemiddeld verlopen er 15 jaren tussen het ontstaan van een OCS en de eerste
behandeling.
Neuronale circuits lijken bij de stoornis betrokken te zijn: de zogeheten
corticostriatothalamocorticale (CSTC) circuits waarbinnen de neurotransmitters dopamine,
serotonine, glutamaat en gamma-aminoboterzuur (gamma-aminobutyric acid: GABA) van grote
invloed zijn.
Farmaca die als monotherapie effectief bleken voor de OCS, grijpen allemaal aan op het serotonerge
systeem. Deze middelen zijn TCA’s en SSRI’s. De SSRI’s zijn het middel van eerste keuze vanwege hun
bijwerkingsprofiel. De behandeling moet gedurende tien tot twaalf weken toegepast worden
voordat het effect bepaald kan worden. Een langere behandeling heeft de voorkeur, omdat ook nog
na jaren de klachten kunnen blijven afnemen. Bij het staken van farmacotherapie zal een belangrijk
percentage (tot 70%) binnen 1 jaar een terugval doormaken. Het lijkt wel mogelijk om na 1 jaar de
dosis te halveren zonder dat dit tot een toename van de klachten leidt.
De psychotherapie van de OCS bestaat voornamelijk uit CGT, waarbij je veelal cognitieve technieken
combineert met gedragstherapeutische technieken. Eerst leert de patiënt om de provocerende
situaties te herkennen en te koppelen aan de obsessies. Daarna worden de dwanggedachten in een
socratische dialoog uitgedaagd. Je leert dat ze vaak geen reële basis hebben. Wat is bijvoorbeeld de
kans dat iemand doodgaat wanneer hij in contact komt met vuil? Vervolgens leer je de
angstwekkende dwanggedachten te vervangen door reëlere gedachten die minder angst
veroorzaken (‘Vuil komt overal voor. Ik vind het niet prettig om vies te worden, maar het is niet
gevaarlijk.’).
, Ondanks de effectiviteit van farmacotherapie en cognitieve gedragstherapie blijft een groep
patiënten lijden aan een zeer invaliderende vorm van de obsessieve-compulsieve stoornis. Voor
deze groep patiënten is diepe-hersenstimulatie (deep brain stimulation: DBS) een mogelijheid om
toch symptoomreductie te bewerkstelligen.
Stemmingsstoornissen
Bipolaire-stemmingsstoornissen
Bipolaire-stemmingsstoornissen zijn ernstige, recidiverende stoornissen die worden gekenmerkt
door het afwisselend optreden van depressieve, manische of hypomanische symptomen met
daartussen relatief symptoomvrije intervallen van kortere (dagen tot weken) of langere (maanden
tot jaren) duur. Vaak komen er manische symptomen voor tijdens een depressieve episode, en
omgekeerd (gemengde kenmerken).
Classificatie van bipolaire-stemmingsstoornissen:
Bipolaire-I-stoornis: depressieve en manische episoden
Bipolaire-II-stoornis: depressieve episoden en hypomanische episoden, die bovendien vaak
onopgemerkt blijven, zodat er ogenschijnlijk sprake is van een recidiverende depressieve
stoornis
Cyclothyme stoornis: minder ernstige variant, waarbij er over lange periode wel elkaar
frequent afwisselende depressieve en manische episoden aanwezig zijn, maar nooit een
volledige depressieve of (hypo)manische episoden zijn opgetreden.
Bipolaire-stemmingsstoornis door een middel/medicatie
Bipolaire-stemmingsstoornis door een somatische aandoening.
Manische versus depressieve episoden
Dwangstoornissen
De obsessieve-compulsieve stoornis (OCS) kenmerkt zich door obsessies (dwanggedachten,
dwangimpulsen en/of dwangbeelden) en/of compulsies (dwanghandelingen).
De vier klinische subtypen van de obsessieve-compulsieve stoornis zijn:
Angst voor besmetting; wasdrang. Deze patiënten hebben obsessies over mogelijke
besmetting met vuil, asbest, bacteriën en virussen, of uitscheidingsproducten. Om deze
angst te verminderen of te neutraliseren, voer je was- en schoonmaakrituelen uit en vermijd
je contact met deze stoffen.
Angst voor een gevaarlijke gebeurtenis; controledwang. Deze patiënten hechten een sterk
geloof aan gebeurtenissen die zouden kunnen plaatsvinden en waar de betreffende patiënt
verantwoordelijk voor zou zijn. De angst wordt verminderd door controlerituelen en door
angstwekkende situaties te vermijden.
Agressieve, seksuele, en religieuze obsessies en compulsies. Bij deze groep speelt het
fenomeen thought-action fusion een belangrijke rol: de persoon denkt dat de kans dat iets
gebeurt groter wordt als hij er een gedachte over heeft: ‘Als ik eraan denk dat mijn moeder
een ongeluk zou kunnen overkomen, neemt de kans ook toe dat dit daadwerkelijk gebeurt’.
Symmetrieobsessies en -compulsies, en compulsief tellen, ordenen en verzamelen en
daarmee geobsedeerd zijn. Patiënten hebben dwanggedachten dat allerlei zaken precies
‘goed’ moeten zijn.
De obsessieve-compulsieve stoornis ontstaat gemiddeld rond het 22 e levensjaar, bij mannen eerder
dan bij vrouwen. Gemiddeld verlopen er 15 jaren tussen het ontstaan van een OCS en de eerste
behandeling.
Neuronale circuits lijken bij de stoornis betrokken te zijn: de zogeheten
corticostriatothalamocorticale (CSTC) circuits waarbinnen de neurotransmitters dopamine,
serotonine, glutamaat en gamma-aminoboterzuur (gamma-aminobutyric acid: GABA) van grote
invloed zijn.
Farmaca die als monotherapie effectief bleken voor de OCS, grijpen allemaal aan op het serotonerge
systeem. Deze middelen zijn TCA’s en SSRI’s. De SSRI’s zijn het middel van eerste keuze vanwege hun
bijwerkingsprofiel. De behandeling moet gedurende tien tot twaalf weken toegepast worden
voordat het effect bepaald kan worden. Een langere behandeling heeft de voorkeur, omdat ook nog
na jaren de klachten kunnen blijven afnemen. Bij het staken van farmacotherapie zal een belangrijk
percentage (tot 70%) binnen 1 jaar een terugval doormaken. Het lijkt wel mogelijk om na 1 jaar de
dosis te halveren zonder dat dit tot een toename van de klachten leidt.
De psychotherapie van de OCS bestaat voornamelijk uit CGT, waarbij je veelal cognitieve technieken
combineert met gedragstherapeutische technieken. Eerst leert de patiënt om de provocerende
situaties te herkennen en te koppelen aan de obsessies. Daarna worden de dwanggedachten in een
socratische dialoog uitgedaagd. Je leert dat ze vaak geen reële basis hebben. Wat is bijvoorbeeld de
kans dat iemand doodgaat wanneer hij in contact komt met vuil? Vervolgens leer je de
angstwekkende dwanggedachten te vervangen door reëlere gedachten die minder angst
veroorzaken (‘Vuil komt overal voor. Ik vind het niet prettig om vies te worden, maar het is niet
gevaarlijk.’).
, Ondanks de effectiviteit van farmacotherapie en cognitieve gedragstherapie blijft een groep
patiënten lijden aan een zeer invaliderende vorm van de obsessieve-compulsieve stoornis. Voor
deze groep patiënten is diepe-hersenstimulatie (deep brain stimulation: DBS) een mogelijheid om
toch symptoomreductie te bewerkstelligen.
Stemmingsstoornissen
Bipolaire-stemmingsstoornissen
Bipolaire-stemmingsstoornissen zijn ernstige, recidiverende stoornissen die worden gekenmerkt
door het afwisselend optreden van depressieve, manische of hypomanische symptomen met
daartussen relatief symptoomvrije intervallen van kortere (dagen tot weken) of langere (maanden
tot jaren) duur. Vaak komen er manische symptomen voor tijdens een depressieve episode, en
omgekeerd (gemengde kenmerken).
Classificatie van bipolaire-stemmingsstoornissen:
Bipolaire-I-stoornis: depressieve en manische episoden
Bipolaire-II-stoornis: depressieve episoden en hypomanische episoden, die bovendien vaak
onopgemerkt blijven, zodat er ogenschijnlijk sprake is van een recidiverende depressieve
stoornis
Cyclothyme stoornis: minder ernstige variant, waarbij er over lange periode wel elkaar
frequent afwisselende depressieve en manische episoden aanwezig zijn, maar nooit een
volledige depressieve of (hypo)manische episoden zijn opgetreden.
Bipolaire-stemmingsstoornis door een middel/medicatie
Bipolaire-stemmingsstoornis door een somatische aandoening.
Manische versus depressieve episoden