BPO5, Micro-economie, werkgroep 1, Femke Spijkers en Daniëlle Zonjee
a) Bij monopolie van Arriva
Bij monopolie geldt 𝑀𝑅 = 𝑀𝐶
𝑄
𝑝 = 17 −
250
De opbrengstenfunctie is 𝑝 ∗ 𝑄, dit geeft:
𝑄 𝑄2
(17 − ) ∗ 𝑄 = 17𝑄 −
250 250
MR is de afgeleide van de opbrengstenfunctie, dus:
𝑄
𝑀𝑅 = 17 −
125
De marginale kosten zijn 5, omdat de variabele kosten per passagier constant en gelijk zijn
aan 5.
𝑄
17 − = 5
125
𝑄
= 12
125
𝑄 = 1500
Bij monopolie van Arriva zal de vraag 1500 zijn, dus 1500 passagiers per uur. Per ingezette
trein kunnen er 250 passagiers mee, dus er zullen
1500
= 𝟔 𝒕𝒓𝒆𝒊𝒏𝒆𝒏 𝒑𝒆𝒓 𝒖𝒖𝒓 𝒍𝒐𝒑𝒆𝒏.
250
𝑄
De prijs zal zijn: 𝑝 = 17 −
250
𝟏𝟓𝟎𝟎
𝒑 = 𝟏𝟕 − = 𝟏𝟕 − 𝟔 = 𝟏𝟏
𝟐𝟓𝟎
Bij Cournot-duopolie van Arriva en andere aanbieder
Arriva en een andere aanbieder concurreren met elkaar op basis van te kiezen hoeveelheid.
Ze hebben gelijke kosten en verkopen identieke producten. Het Cournot-evenwicht is de
combinatie van gekozen hoeveelheden zodanig dat geen van beiden een hogere winst kan
halen door een andere hoeveelheid te kiezen.
𝑄
Inverse vraagcurve: 𝑝 = 17 −
250
𝑄
17 − 𝑝 =
250
𝑄 = (17 − 𝑝) ∗ 250
𝑄 = 4250 − 250𝑝
𝑀𝐶 = 5
De vraag voor Arriva is gelijk aan
𝑑𝑒 𝑚𝑎𝑟𝑘𝑡𝑣𝑟𝑎𝑎𝑔 − ℎ𝑒𝑡 𝑎𝑎𝑛𝑏𝑜𝑑 𝑣𝑎𝑛 𝑑𝑒 𝑎𝑛𝑑𝑒𝑟𝑒 𝑎𝑎𝑛𝑏𝑖𝑒𝑑𝑒𝑟. Dit is de residuele vraag.
Als de hoeveelheid passagiers die de andere aanbieder vervoert gelijk is aan q u, dan is de
residuele vraag voor Arriva (qA):
𝑞𝐴 = 𝑄(𝑝) − 𝑞𝑢 = (4250 − 250𝑝) − 𝑞𝑢
250𝑝 = 4250 − 𝑞𝐴 − 𝑞𝑈
1 1
Residuele inverse vraagcurve: 𝑝 = 17 − ( ) ∗ 𝑞𝑈 − ( ) ∗ 𝑞𝐴
250 250
De opbrengstenfunctie R zal zijn:
1 1 2 𝑞𝑈 ∗ 𝑞𝐴
𝑅(𝑞𝐴) = 𝑝 ∗ 𝑞𝐴 = (17 − ( ) ∗ 𝑞𝑈 − ( ) ∗ 𝑞𝐴 ) ∗ 𝑞𝐴 = 17𝑞𝐴 − 𝑞𝐴 ∗ −
250 250 250 250
, De marginale opbrengst is de afgeleide van R(qA), dit zal dus zijn:
1 1
𝑀𝑅 = 17 − ( ) 𝑞𝐴 − ( )𝑞
125 250 𝑈
𝑀𝐶 = 5
𝑀𝑅 = 𝑀𝐶
1 1
17 − ( ) 𝑞𝐴 − ( )𝑞 = 5
125 250 𝑈
1 1
( ) 𝑞𝐴 = 12 − ( )𝑞
125 250 𝑈
De best-response functie van Arriva is: 𝑞𝐴 = 1500 − ½ ∗ 𝑞𝑈
Omdat beide ondernemingen identiek zijn qua kosten en residuele vraag, is de best-response
functie van de andere aanbieder hetzelfde:
𝑞𝑈 = 1500 − ½ ∗ 𝑞𝐴
𝑞𝑈 = 𝑞𝐴
𝑞𝑈 = 1500 − ½ ∗ 𝑞𝑈
3
∗ 𝑞 = 1500
2 𝑈
𝑞𝑈 = 1000
Invullen in de best response functie van Arriva geeft:
𝑞𝐴 = 1500 − ½ ∗ (1000)
𝑞𝐴 = 1000
𝑞𝐴 = 𝑞𝑈 = 1000
Bij duopolie van Arriva en de andere aanbieder zal de vraag 2 ∗ 1000 = 2000 zijn, dus 2000
passagiers per uur. Per ingezette trein kunnen er 250 passagiers mee, dus er zullen
2000/250 = 𝟖 𝒕𝒓𝒆𝒊𝒏𝒆𝒏 𝒑𝒆𝒓 𝒖𝒖𝒓 𝒍𝒐𝒑𝒆𝒏.
De prijs is te berekenen door qA en qU in te vullen in de residuele inverse vraagcurve
1 1
𝑝 = 17 − ( ) ∗ 𝑞𝑈 − ( ) ∗ 𝑞𝐴
250 250
1 1
𝑝 = 17 − ( ) ∗ 1000 − ( ) ∗ 1000 = 17 − 4 − 4 = 9
250 250
De prijs zal dus 9 zijn.
Bij een monopolie zal de vraag dus 1500 zijn en bij een duopolie 2000.
Bij een monopolie zullen er 6 treinen in het uur lopen en bij een duopolie 8.
Bij een monopolie zal de prijs 11 zijn en bij een duopolie 9.
a) Bij monopolie van Arriva
Bij monopolie geldt 𝑀𝑅 = 𝑀𝐶
𝑄
𝑝 = 17 −
250
De opbrengstenfunctie is 𝑝 ∗ 𝑄, dit geeft:
𝑄 𝑄2
(17 − ) ∗ 𝑄 = 17𝑄 −
250 250
MR is de afgeleide van de opbrengstenfunctie, dus:
𝑄
𝑀𝑅 = 17 −
125
De marginale kosten zijn 5, omdat de variabele kosten per passagier constant en gelijk zijn
aan 5.
𝑄
17 − = 5
125
𝑄
= 12
125
𝑄 = 1500
Bij monopolie van Arriva zal de vraag 1500 zijn, dus 1500 passagiers per uur. Per ingezette
trein kunnen er 250 passagiers mee, dus er zullen
1500
= 𝟔 𝒕𝒓𝒆𝒊𝒏𝒆𝒏 𝒑𝒆𝒓 𝒖𝒖𝒓 𝒍𝒐𝒑𝒆𝒏.
250
𝑄
De prijs zal zijn: 𝑝 = 17 −
250
𝟏𝟓𝟎𝟎
𝒑 = 𝟏𝟕 − = 𝟏𝟕 − 𝟔 = 𝟏𝟏
𝟐𝟓𝟎
Bij Cournot-duopolie van Arriva en andere aanbieder
Arriva en een andere aanbieder concurreren met elkaar op basis van te kiezen hoeveelheid.
Ze hebben gelijke kosten en verkopen identieke producten. Het Cournot-evenwicht is de
combinatie van gekozen hoeveelheden zodanig dat geen van beiden een hogere winst kan
halen door een andere hoeveelheid te kiezen.
𝑄
Inverse vraagcurve: 𝑝 = 17 −
250
𝑄
17 − 𝑝 =
250
𝑄 = (17 − 𝑝) ∗ 250
𝑄 = 4250 − 250𝑝
𝑀𝐶 = 5
De vraag voor Arriva is gelijk aan
𝑑𝑒 𝑚𝑎𝑟𝑘𝑡𝑣𝑟𝑎𝑎𝑔 − ℎ𝑒𝑡 𝑎𝑎𝑛𝑏𝑜𝑑 𝑣𝑎𝑛 𝑑𝑒 𝑎𝑛𝑑𝑒𝑟𝑒 𝑎𝑎𝑛𝑏𝑖𝑒𝑑𝑒𝑟. Dit is de residuele vraag.
Als de hoeveelheid passagiers die de andere aanbieder vervoert gelijk is aan q u, dan is de
residuele vraag voor Arriva (qA):
𝑞𝐴 = 𝑄(𝑝) − 𝑞𝑢 = (4250 − 250𝑝) − 𝑞𝑢
250𝑝 = 4250 − 𝑞𝐴 − 𝑞𝑈
1 1
Residuele inverse vraagcurve: 𝑝 = 17 − ( ) ∗ 𝑞𝑈 − ( ) ∗ 𝑞𝐴
250 250
De opbrengstenfunctie R zal zijn:
1 1 2 𝑞𝑈 ∗ 𝑞𝐴
𝑅(𝑞𝐴) = 𝑝 ∗ 𝑞𝐴 = (17 − ( ) ∗ 𝑞𝑈 − ( ) ∗ 𝑞𝐴 ) ∗ 𝑞𝐴 = 17𝑞𝐴 − 𝑞𝐴 ∗ −
250 250 250 250
, De marginale opbrengst is de afgeleide van R(qA), dit zal dus zijn:
1 1
𝑀𝑅 = 17 − ( ) 𝑞𝐴 − ( )𝑞
125 250 𝑈
𝑀𝐶 = 5
𝑀𝑅 = 𝑀𝐶
1 1
17 − ( ) 𝑞𝐴 − ( )𝑞 = 5
125 250 𝑈
1 1
( ) 𝑞𝐴 = 12 − ( )𝑞
125 250 𝑈
De best-response functie van Arriva is: 𝑞𝐴 = 1500 − ½ ∗ 𝑞𝑈
Omdat beide ondernemingen identiek zijn qua kosten en residuele vraag, is de best-response
functie van de andere aanbieder hetzelfde:
𝑞𝑈 = 1500 − ½ ∗ 𝑞𝐴
𝑞𝑈 = 𝑞𝐴
𝑞𝑈 = 1500 − ½ ∗ 𝑞𝑈
3
∗ 𝑞 = 1500
2 𝑈
𝑞𝑈 = 1000
Invullen in de best response functie van Arriva geeft:
𝑞𝐴 = 1500 − ½ ∗ (1000)
𝑞𝐴 = 1000
𝑞𝐴 = 𝑞𝑈 = 1000
Bij duopolie van Arriva en de andere aanbieder zal de vraag 2 ∗ 1000 = 2000 zijn, dus 2000
passagiers per uur. Per ingezette trein kunnen er 250 passagiers mee, dus er zullen
2000/250 = 𝟖 𝒕𝒓𝒆𝒊𝒏𝒆𝒏 𝒑𝒆𝒓 𝒖𝒖𝒓 𝒍𝒐𝒑𝒆𝒏.
De prijs is te berekenen door qA en qU in te vullen in de residuele inverse vraagcurve
1 1
𝑝 = 17 − ( ) ∗ 𝑞𝑈 − ( ) ∗ 𝑞𝐴
250 250
1 1
𝑝 = 17 − ( ) ∗ 1000 − ( ) ∗ 1000 = 17 − 4 − 4 = 9
250 250
De prijs zal dus 9 zijn.
Bij een monopolie zal de vraag dus 1500 zijn en bij een duopolie 2000.
Bij een monopolie zullen er 6 treinen in het uur lopen en bij een duopolie 8.
Bij een monopolie zal de prijs 11 zijn en bij een duopolie 9.