-
01
Hoofdstuk 1 | Bestuurskundig onderzoek
4
-
1.1 | Unieke kenmerken van bestuurskundig onderzoek
4
-
1.2 | Bestuurskundig onderzoek en beleid
4
-
02
Hoofdstuk 2 | Probleemstelling
6
-
2.1 | Keuze van probleemstelling
6
-
2.2 | Doelstelling
6
-
2.3 | Vraagstelling
9
-
03
Hoofdstuk 3 | Theoretisch kader
10
-
3.1 | De empirische cyclus
10
-
3.2 | Wat is theorie
12
-
3.3 | Wetenschapsopvattingen
13
-
3.4 | De rol van theorie in bestuurskundig onderzoek
15
-
04
Hoofdstuk 4 | Operationaliseren
16
-
4.1 | Operationaliseren in stappen
16
-
4.2 | Steekproeven
16
-
4.3 | Betrouwbaarheid en validiteit
17
-
05
Hoofdstuk 5 | Onderzoeksopzet
18
-
5.1 | Inhoud van een onderzoeksopzet
18
-
06
Hoofdstuk 6 | Experiment
19
-
6.1 | Klassiek experiment
19
-
6.2 | Spelsimulaties
19
-
6.3 | Veldexperiment
20
-
6.4 | Betrouwbaarheid en validiteit bij experimenten
20
-
6.5 | Observatie
20
-
07
Hoofdstuk 7 | Enquête
21
-
7.1 | Kenmerken en vormen
21
-
7.2 | Schriftelijke vragenlijst
21
-
7.3 | Betrouwbaarheid en validiteit bij vragenlijsten
21
-
08
Hoofdstuk 8 | Gevalsstudie
22
-
8.1 | Casestudy onderzoek
22
-
8.2 | Casusselectie
22
-
8.3 | Betrouwbaarheid en validiteit van gevalsstudies
22
-
8.4 | Interview
23
-
09
Hoofdstuk 9 | Bestaand materiaal
25
-
9.1 | Hergebruik van bestaand materiaal
25
-
9.2 | Verzamelen en analyseren van bestaand materiaal
26
-
10
Hoofdstuk 10 | Analyse van kwantitatieve data
28
-
10.1 | Kwantitatieve data
28
-
10.2 | Verzamelen en ordenen
28
-
10.3 | Analyseren
29
-
10.4 | Beschrijvende statistiek
30
-
10.5 | Toetsende statistiek
30
-
10.6 | Betrouwbaarheid en validiteit bij analyse van kwantitatieve data
31
-
11
Hoofdstuk 11 | Analyse van kwalitatieve data
32
-
11.1 | Kwalitatieve data
32
-
11.2 | Verzamelen en ordenen
32
-
11.3 | Analyseren
32
-
12
Hoofdstuk 12 | Rapporteren
35
-
12.1 | Fora
35
-
12.2 | Rapportagevormen
35
-
12.3 | Doel van rapporteren
36
-
12.4 | Opschrijven van onderzoeksresultaten
36
-
12.5 | Bestuurskundig advies
38
-
13
65 veel voorkomende tentamenvragen met antwoorden apart
40
-
14
40 kernbegrippen die je moet kennen met korte uitleg
43
-
15
1. Analyse: Het proces van het onderzoeken van gegevens en informatie om patronen, relaties of trends te identificeren.
43
-
16
2. Beleidsevaluatie: Het proces waarbij het effect en de efficiëntie van beleid worden beoordeeld op basis van onderzoeksresultaten.
43
-
17
3. Case study: Een diepgaand onderzoek naar een specifiek geval of een beperkt aantal gevallen om complexe kwesties te begrijpen.
43
-
18
4. Correlatie: De statistische maat die aangeeft in hoeverre twee variabelen samenhangen.
43
-
19
5. Cross-sectioneel onderzoek: Onderzoek waarbij gegevens op één moment in de tijd worden verzameld om verbanden tussen variabelen te analyseren.
43
-
20
6. Data-analyse: Het proces van het organiseren, interpreteren en presenteren van verzamelde gegevens.
43
-
21
7. Data-integriteit: De nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van verzamelde gegevens.
43
-
22
8. Descriptieve statistiek: Statistische methoden die worden gebruikt om gegevens samen te vatten en te beschrijven, zoals gemiddelde en spreiding.
43
-
23
9. Dilemma’s: Ethiekgerelateerde vraagstukken die onderzoekers moeten overwegen, zoals belangenconflicten of de impact van hun werk op de maatschappij.
43
-
24
10. Empirisch onderzoek: Onderzoek gebaseerd op waarneming of ervaring, in plaats van op theorie.
43
-
25
11. Experimenteel onderzoek: Onderzoek waarbij de onderzoeker een bepaalde variabele manipuleert om de effecten op andere variabelen te observeren.
43
-
26
12. Externe validiteit: De mate waarin de onderzoeksresultaten generaliseerbaar zijn naar andere contexten, groepen of tijdsperioden.
43
-
27
13. Falsificatie: Het principe dat een theorie of hypothese wetenschappelijk is als deze weerlegbaar is door empirisch bewijs.
43
-
28
14. Focusgroep: Kwalitatief onderzoek waarbij een kleine groep mensen wordt samengebracht om over een onderwerp te discussiëren.
43
-
29
15. Hypothese: Een veronderstelling die getest wordt door onderzoek, gebaseerd op theoretische overwegingen.
43
-
30
16. Inhoudsanalyse: Een kwalitatieve analysemethode voor het systematisch bestuderen van documenten, teksten of andere media.
44
-
31
17. Interne validiteit: De mate waarin een onderzoek de oorzaak-gevolgrelaties correct kan vaststellen binnen de onderzochte context.
44
-
32
18. Interviews: Een dataverzamelingsmethode waarbij de onderzoeker direct met de deelnemers praat om informatie te verkrijgen.
44
-
33
19. Kwantitatief onderzoek: Onderzoek dat gebruik maakt van numerieke data en statistische analyses om conclusies te trekken.
44
-
34
20. Kwalitatief onderzoek: Onderzoek dat zich richt op het begrijpen van sociale fenomenen door middel van niet-numerieke data, zoals interviews of observaties.
44
-
35
21. Literatuuronderzoek: Het verzamelen en analyseren van bestaande wetenschappelijke bronnen om de theoretische basis van een onderzoek te vormen.
44
-
36
22. Meetinstrument: Een hulpmiddel of techniek die wordt gebruikt om variabelen in onderzoek te meten (bijvoorbeeld een vragenlijst of test).
44
-
37
23. Methodologie: Het geheel van methoden en technieken die gebruikt worden om onderzoek uit te voeren.
44
-
38
24. Observatie: Het systematisch kijken naar gedrag of gebeurtenissen om gegevens te verzamelen zonder directe interventie.
44
-
39
25. Operationalisatie: Het proces van het vertalen van abstracte concepten naar meetbare variabelen.
44
-
40
26. Politieke context: De invloed van politieke structuren, processen en belangen op bestuurskundig onderzoek.
44
-
41
27. Populatie: De volledige groep mensen, organisaties of elementen waaruit een steekproef wordt getrokken voor een onderzoek.
44
-
42
28. Primaire data: Gegevens die door de onderzoeker zelf worden verzameld, bijvoorbeeld via enquêtes of experimenten.
44
-
43
29. Procesmanagement: Het beheren van de processen binnen een organisatie, vaak een onderwerp van bestuurskundig onderzoek.
44
-
44
30. Proportionele steekproef: Een steekproefmethode waarbij de omvang van subgroepen in de steekproef wordt bepaald op basis van de verhouding in de populatie.
44
-
45
31. Reliabiliteit: De mate van consistentie of herhaalbaarheid van een meetinstrument.
44
-
46
32. Respondenten: De mensen die deelnemen aan een onderzoek, bijvoorbeeld door het invullen van een enquête.
45
-
47
33. Schaling: Het proces van het toewijzen van numerieke waarden aan verschillende niveaus van een variabele.
45
-
48
34. Statistische significantie: De waarschijnlijkheid dat een gevonden effect in een onderzoek niet door toeval wordt veroorzaakt.
45
-
49
35. Steekproef: Een representatieve groep van de populatie die wordt bestudeerd om generaliseerbare conclusies te trekken.
45
-
50
36. Triangulatie: Het gebruik van meerdere methoden of databronnen om de validiteit van een onderzoek te vergroten.
45
-
51
37. Theoretisch kader: Een structuur die de basis vormt voor het uitvoeren van onderzoek, door het aanreiken van theorieën en concepten die de studie begeleiden.
45
-
52
38. Toetsing van hypothesen: Het proces van het testen van een veronderstelling met behulp van gegevens en statistische technieken.
45
-
53
39. Validiteit: De mate waarin een onderzoek daadwerkelijk meet wat het beoogt te meten.
45
-
54
40. Verklarend onderzoek: Onderzoek gericht op het begrijpen van de oorzaken en gevolgen van bepaalde verschijnselen.
45