Leerdoelen uit het boek ‘Praktisch Europees recht’ (derde druk) bij
de cursus Internationaal en Europees recht 2
Hoofdstuk 1
De student:
• weet welke internationaalrechtelijke aspecten betrokken zijn bij de Europese Unie;
• kan de begrippen intergouvernementeel, supranationaal uitleggen;
• kan uitleggen wat staatssoevereiniteit is en hoe deze kan worden beperkt;
• kan uiteenzetten wat de doelstellingen van de Europese Unie zijn;
• kan uitleggen wat het begrip interne markt inhoudt;
• kan het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel uitleggen.
Hoofdstuk 2
De student:
• kan uitleggen welke rol de Europese Raad speelt binnen de Europese Unie; daarbij kan
de student aangeven wat de taken en bevoegdheden zijn van deze instelling;
• kan uitleggen welke rol de Raad van de Europese Unie speelt binnen de Europese
Unie; daarbij kan de student aangeven wat de taken en bevoegdheden zijn van deze
instelling;
• kan uitleggen welke rol de Europese Commissie speelt binnen de Europese Unie;
daarbij kan de student aangeven wat de taken en bevoegdheden zijn van deze
instelling;
• kan uitleggen welke rol het Europees Parlement speelt binnen de Europese Unie;
daarbij kan de student aangeven wat de taken en bevoegdheden zijn van deze
instelling;
• kan uitleggen welke rol het Hof speelt binnen de Europese Unie; daarbij kan de student
aangeven wat de taken en bevoegdheden zijn van deze instelling;
• kan uitleggen welke rol de nationale rechter speelt bij het toepassen van Europees
recht;
• kan kort uiteenzetten wat het doel en de mogelijkheden zijn van de prejudiciële
procedure, de verdragsschendingsprocedure;
Hoofdstuk 3
De student:
• kent de kenmerken van de verschillende vormen van Europees recht en kan uitleggen
wat het verschil is tussen deze vormen;
• ; m.a.w. para. 3.2 is NIET verplicht!
• kan het beginsel van wederzijdse erkenning uitleggen en het belang ervan toelichten;
• kan uitleggen wat de begrippen directe werking en voorrang (verplichte JP HvJEU:
Van Gend en Loos en Costa/ENEL) inhouden;
• kent de criteria met betrekking tot directe werking van de verschillende vormen van
Europese regelgeving; MAAR ‘voorbeeld 3.11’ en ‘3.12’ (JP HvJEU: Wells en
Kücükdeveci) en het leerstuk ‘horizontaal effect’ (p. 100 en 101) zijn NIET verplicht!
• kan het verschil tussen horizontale en verticale directe werking uitleggen;
• kan de criteria van staatsaansprakelijkheid uitleggen.
de cursus Internationaal en Europees recht 2
Hoofdstuk 1
De student:
• weet welke internationaalrechtelijke aspecten betrokken zijn bij de Europese Unie;
• kan de begrippen intergouvernementeel, supranationaal uitleggen;
• kan uitleggen wat staatssoevereiniteit is en hoe deze kan worden beperkt;
• kan uiteenzetten wat de doelstellingen van de Europese Unie zijn;
• kan uitleggen wat het begrip interne markt inhoudt;
• kan het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel uitleggen.
Hoofdstuk 2
De student:
• kan uitleggen welke rol de Europese Raad speelt binnen de Europese Unie; daarbij kan
de student aangeven wat de taken en bevoegdheden zijn van deze instelling;
• kan uitleggen welke rol de Raad van de Europese Unie speelt binnen de Europese
Unie; daarbij kan de student aangeven wat de taken en bevoegdheden zijn van deze
instelling;
• kan uitleggen welke rol de Europese Commissie speelt binnen de Europese Unie;
daarbij kan de student aangeven wat de taken en bevoegdheden zijn van deze
instelling;
• kan uitleggen welke rol het Europees Parlement speelt binnen de Europese Unie;
daarbij kan de student aangeven wat de taken en bevoegdheden zijn van deze
instelling;
• kan uitleggen welke rol het Hof speelt binnen de Europese Unie; daarbij kan de student
aangeven wat de taken en bevoegdheden zijn van deze instelling;
• kan uitleggen welke rol de nationale rechter speelt bij het toepassen van Europees
recht;
• kan kort uiteenzetten wat het doel en de mogelijkheden zijn van de prejudiciële
procedure, de verdragsschendingsprocedure;
Hoofdstuk 3
De student:
• kent de kenmerken van de verschillende vormen van Europees recht en kan uitleggen
wat het verschil is tussen deze vormen;
• ; m.a.w. para. 3.2 is NIET verplicht!
• kan het beginsel van wederzijdse erkenning uitleggen en het belang ervan toelichten;
• kan uitleggen wat de begrippen directe werking en voorrang (verplichte JP HvJEU:
Van Gend en Loos en Costa/ENEL) inhouden;
• kent de criteria met betrekking tot directe werking van de verschillende vormen van
Europese regelgeving; MAAR ‘voorbeeld 3.11’ en ‘3.12’ (JP HvJEU: Wells en
Kücükdeveci) en het leerstuk ‘horizontaal effect’ (p. 100 en 101) zijn NIET verplicht!
• kan het verschil tussen horizontale en verticale directe werking uitleggen;
• kan de criteria van staatsaansprakelijkheid uitleggen.