• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 271 pagina's
Samenvatting

Samenvatting Biologische grondslagen: Cognitie

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 271 pagina's

Hierbij de gehele samenvatting van biologische grondslagen cognitie. Bij deze samenvatting is niks uit het boek overgeslagen. Cijfer 8.2

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting biologische grondlagen: cognitie

Hoofdstuk 2
Deel 1 Het brein ontleed

Structuur en functie van een neuron

.Basisstructuur van neuronen:

 Neuronen hebben drie hoofdcomponenten:
o Cellichaam (soma): Bevat de nucleus en organellen, deze bevat een
genetische code dat betrokken zijn bij eiwitsynthese (nieuwe cellen
aanmaken). Eiwitten zijn veelzijdige moleculen die bijdragen aan zowel de
structuur als de communicatie in een organisme (neurotransmitters en
receptors).
o Dendrieten: Vertakkingen die informatie ontvangen van andere nabijgelegen
neuronen.
o Axon: Stuurt informatie door naar andere neuronen, kan vertakken
(collateralen).




.Functie van neuronen

 Neuronen ontvangen informatie van andere neuronen en verwerken deze door hun
activiteit aan te passen.
 Dendrieten verschillen qua aantal en structuur, afhankelijk van het type neuron en de
locatie in de hersenen. Ze ontvangen informatie van andere neuronen die dichtbij
liggen.
 Axonen sturen informatie naar andere neuronen, en elk neuron heeft veel dendrieten
maar slechts één axon, kan wel vertakken > collateralen.

,Tien interessante feiten over het menselijk brein

1. Aantal neuronen: Het brein heeft ongeveer 86 miljard neuronen.
2. Verbindingen: Elk gemiddeld 10.000 verbindingen maken met andere neuronen.
3. Verbindingen: Neuronen verbinden zich vooral met nabijgelegen neuronen, wat een
“small-world” netwerk vormt.
4. Mythe over hersencapaciteit: De mythe dat we slechts 10% van onze hersencellen
gebruiken is onjuist; de verhouding tussen neuronen en ondersteunende glia-cellen is
ongeveer 1:1.
5. Hersengewicht: Het brein maakt slechts 2% van het totale lichaamsgewicht uit.
6. Regeneratie van neuronen: Neuronen kunnen zich in sommige hersengebieden wel
vernieuwen, een idee dat eerder werd ontkend.
7. Verlies van neuronen: Mensen verliezen gemiddeld één neuron per seconde in de
cortex, wat neerkomt op 10% verlies tussen 20 en 90 jaar.
8. Uniciteit van hersenen: Zelfs identieke tweelingen hebben geen exact identieke
hersenen; de hersenstructuur wordt mede beïnvloed door niet-genetische factoren.
9. Autisme en hersenomvang: Mensen met autisme hebben meestal grotere hersenen en
hoofden in hun vroege leven.
10. Geslachtsverschillen: Mannen hebben grotere hersenen, maar vrouwelijke hersenen
zijn compacter en sterker gevouwen, wat een groter oppervlaktegebied geeft.

.Synaps en signaaloverdracht

 Het einde van het axon maakt contact via een synaps (gat) met een ander neuron. Het
heeft een discvorm en zorgt voor communicatie tussen de twee neuronen.
 Twee typen neuronen in de synaps:
o Presynaptisch neuron: Wanneer deze actief is stuurt deze een electrisch signaal
(actiepotentiaal) uit van axon naar dendriet.
o Postsynaptisch neuron: Ontvangt het signaal en geeft duidelijk de flow aan.
 Een actiepotentiaal (elektrisch signaal) reist langs het axon en leidt tot de afgifte van
neurotransmitters in de synaptische spleet (sommige kunnen alleen electrisch signaal
afgeven).

.Neurotransmitters en synaptisch potentiaal

 Neurotransmitters binden zich aan receptoren op het postsynaptische neuron.
 Dit creëert een synaptisch potentiaal, dat passief door dendrieten en het cellichaam van
het neuron wordt geleid. Dit gebeurt als een passieve verspreiding van de lading: de
impuls verzwakt naarmate hij verder gaat, in tegenstelling tot een actiepotentiaal, dat
zich actief voortplant en de hele cel door kan reizen met behoud van zijn kracht.

.Communicatie tussen neuronen

 Wanneer de som van passieve signalen een drempelwaarde bereikt, genereert het
postsynaptische neuron een nieuw actiepotentiaal. Dit kan afkomstig zijn van vele
dendrieten.
 Dit proces van communicatie tussen neuronen vormt de basis van hoe informatie door
de hersenen wordt overgedragen.

,.Passieve en actieve geleiding:

 Passieve geleiding is beperkt in bereik door de weerstand van omliggend weefsel, het
is geen groot of krachtig signaal, waardoor het niet ver kan reizen. Het beweegt zich
door de cel heen (basis van EEG)
 Actieve geleiding is nodig voor langeafstandscommunicatie tussen neuronen door
voortplanting van actiepotentialen. Dit gebeurt als er genoeg kleine electische
signaaltjes samen zijn gekomen.

Elektrische signalering en het actiepotentiaal

.Celmembraan en rustpotentiaal

 Het neuron heeft een celmembraan dat functioneert als een barrière voor bepaalde
chemicaliën.
 Eiwitmoleculen in het membraan werken als poortwachters, die chemische stoffen
zoals geladen natrium (Na⁺) en kalium (K⁺) ionen in en uit de cel laten.
 Deze ionen zorgen voor een rustpotentiaal van ongeveer -70 mV (de binnenkant van
de cel is negatiever dan de buitenkant).
 Spanningsafhankelijke kanalen zijn bijzonder belangrijk voor het generen van een
actiepotentiaal en worden alleen gevonden in axons.




.Actiepotentiaal (Elektrisch Signaal)

1. Stimulatie:
o Wanneer een passieve stroom sterk genoeg is, openen spanningsafhankelijke
Na⁺-kanalen in het axonmembraan. Deze stroom is “passief” omdat hij niet
zelf een actiepotentiaal veroorzaakt, maar hij kan wel de lading in de cel
veranderen, ofwel depolariseren.
2. Depolarisatie:

, o Na⁺-ionen stromen de cel in, waardoor de binnenkant van de cel positiever
wordt (depolarisatie).
o Bij ongeveer -50 mV wordt het membraan volledig doorlaatbaar, en de lading
binnen de cel verandert tijdelijk. Dit is de actiepotentiaal, het depolariseren en
repolarizeren over het membraam.
3. Repolarisatie:
o Het negatieve potentiaal wordt hersteld door de uitgaande stroom van K⁺-
ionen en het sluiten van Na⁺-kanalen (om ze door te laten).
4. Hyperpolarisatie:
o Er ontstaat kort een hyperpolarisatie (de binnenkant wordt negatiever dan de
rustwaarde), wat voorkomt dat het axon meteen weer depolariseert en
terugloopt.

.Voortplanting van het actiepotentiaal:

 Een actiepotentiaal in één deel van het axon opent naastgelegen Na⁺-kanalen,
waardoor het signaal langs het axon voortbeweegt, van het cellichaam naar het
uiteinde, de axonterminal (knoppen).

.Rol van myeline

 Myeline, een vettige substantie rondom sommige axonen, versnelt de signaalgeleiding
door normale Na⁺/K⁺-overdracht te blokkeren (meestal motorische signalen en onder
myline zitten geen ionkanalen).
 Het actiepotentiaal springt tussen de knopen van Ranvier (plaatsen waar myeline
afwezig is), waardoor het signaal efficiënter reist.
 Aandoeningen zoals multiple sclerose beschadigen de myeline en verstoren deze
snelle signaaloverdracht.

Chemische signalering en het postsynaptische neuron

.Neurotransmitterafgifte en receptoren

 Wanneer een actiepotentiaal het axonuiteinde bereikt, leidt dit tot de afgifte van
neurotransmitters in de synaptische spleet.
 Eiwitreceptoren op het postsynaptische neuron binden zich aan de neurotransmitters.
 Veel receptoren zijn zender-gereguleerde ionkanalen (anders dan die van het
axonmembraam), die het instromen of uitstromen van ionen zoals Na⁺, K⁺, of Cl⁻
reguleren, wat een synaptisch potentiaal veroorzaakt. Dit betekent dat zodra een
neurotransmitter zich aan de receptor bindt, het kanaal zich opent of sluit en specifieke
ionen (zoals Na⁺, K⁺, of Cl⁻) in of uit het neuron laat stromen. De instroom of
uitstroom van ionen verandert de elektrische lading in het ontvangende neuron, wat
een synaptisch potentiaal veroorzaakt.

.Effect van neurotransmitters

 Remmende neurotransmitters (zoals GABA): Maken het neuron negatiever binnenin,
wat depolarisatie moeilijker maakt (bijv. door het openen van Cl⁻-kanalen).

Inhoudsopgave

  1. 01 Elektrische signalering en het actiepotentiaal 3
  2. 02 .Celmembraan en rustpotentiaal 3
  3. 03 .Actiepotentiaal (Elektrisch Signaal) 3
  4. 04 .Voortplanting van het actiepotentiaal: 4
  5. 05 .Rol van myeline 4
  6. 06 Chemische signalering en het postsynaptische neuron 4
  7. 07 .Neurotransmitterafgifte en receptoren 4
  8. 08 .Effect van neurotransmitters 4
  9. 09 .Belangrijkste neurotransmitters 5
  10. 10 .Lokalisatie van neurotransmitters 5
  11. 11 Hoe coderen neuronen informatie? 5
  12. 12 .Actiepotentialen en informatieoverdracht 5
  13. 13 .Specialisatie van hersengebieden 5
  14. 14 De grove organisatie van de hersenen 5
  15. 15 .Grijze en witte stof 5
  16. 16 .Witte stofbanen 6
  17. 17 .Ventrikels en cerebrospinale vloeistof (CSV) 6
  18. 18 Een hiërarchisch beeld van het centrale zenuwstelsel 6
  19. 19 .Evolutie van de hersenen 6
  20. 20 Termen van referentie en doorsnede 7
  21. 21 De cerebral cortex 8
  22. 22 De subcortex 8
  23. 23 De basale ganglia 9
  24. 24 .Basale ganglia 9
  25. 25 .Functie 9
  26. 26 .Stoornissen 9
  27. 27 .Belangrijkste structuren 9
  28. 28 .Functie van de circuits 9
  29. 29 Het limbisch systeem 10
  30. 30 .Limbisch systeem 10
  31. 31 .Belangrijke structuren 10
  32. 32 .Locatie 10
  33. 33 .Functie van andere structuren 10
  34. 34 Het diencephalon 11
  35. 35 .Diencephalon 11
  36. 36 .Thalamus 11
  37. 37 .Hypothalamus 11
  38. 38 De middenhersenen en achterhersenen 12
  39. 39 .Middenhersenen 12
  40. 40 .Cerebellum (Kleine hersenen): 12
  41. 41 .Pons 12
  42. 42 Medulla oblongata: 13
  43. 43 .Vroege Embryonale Ontwikkeling 38
  44. 44 .Ontwikkeling van het Zenuwstelsel en Hersenen 38
  45. 45 .Fase van Miniatuurmens (49 Dagen) 38
  46. 46 .Kenmerken van de Ontwikkeling van het Kinderbrein 38
  47. 47 .Invloeden op de Ontwikkeling en Mogelijke Gebreken 38
  48. 48 .Functie van de Neurale Buis en Stamcellen 40
  49. 49 .Rol van Stamcellen en Progenitorcellen 40
  50. 50 .Neurogenese bij Volwassenen 40
  51. 51 .Belang van Nieuwe Neuronen in Volwassen Hersenen 40
  52. 52 .Invloed van Ervaring op Neuronoverleving 40
  53. 53 .Controverse over Neurogenese in de Cortex 40
  54. 54 .Neuroblastproductie en Kwetsbaarheid van de Hersenen 41
  55. 55 .Proces van Celmigratie en Differentiatie 41
  56. 56 .Vorming van Corticale Gebieden en Subventriculaire Zone 41
  57. 57 .Navigatie en Radiale Gliacellen 41
  58. 58 .Voordelen van Adaptieve Gliavezels 42
  59. 59 .Kenmerken van Neuronale Migratie in de Cerebrale Cortex 42
  60. 60 .Problemen met Migratie en Voorbeeld van de Reeler Muis 42
  61. 61 .Migratiestoornissen bij Mensen 42
  62. 62 .Neurale Rijping en Synapsvorming 42
  63. 63 .Verschillen in Groei van Axonen en Dendrieten 42
  64. 64 .Mechanismen voor Axonale Groei 43
  65. 65 .Verstoringen in de Vorming van Neurale Paden 43
  66. 66 .Verstoringen door Beschadiging van Doelgebieden 43
  67. 67 .Studie van Atypische Vezelgroei door Gerald Schneider 43
  68. 68 .Onregelmatigheden bij Kinderen met Bewegingsstoornissen 44
  69. 69 .Axonale Aanpassing bij Obstakels 44
  70. 70 .Aanpassingsvermogen van het Zich Ontwikkelende Brein 44
  71. 71 .Aantal Synapsen en Genetische Programmering 44
  72. 72 .Fasen van Synapsvorming in Primaten 44
  73. 73 .Synaptische Stabiliteit en Geheugen in Volwassenheid 45
  74. 74 .Geboorte van Gliacellen 45
  75. 75 .Functie van Myelinisatie als Index van Hersenrijping 45
  76. 76 .Observaties van Paul Flechsig 45
  77. 77 .Vroege en Late Myelinisatie 46
  78. 78 .Huidig Onderzoek naar Myelinisatie 46
  79. 79 .MRI- en fMRI-technieken in Hersenonderzoek 46
  80. 80 .Studie door Nitin Gogtay en het NIMH 46
  81. 81 .Rijping van Specifieke Corticale Gebieden 47
  82. 82 .Langdurige Corticale Rijping 47
  83. 83 .Corticale Verdunning en Cognitieve Correlaties 47
  84. 84 .Vergelijkingen tussen Gezonde Kinderen en Kinderen met Neuro-ontwikkelingsstoornissen 47
  85. 85 .Tijdelijke Corticale Afwijkingen bij ADHD 48
  86. 86 .Progressief Corticaal Verlies bij Kinderlijk Begonnen Schizofrenie 48
  87. 87 .Functionele Beeldvormingstechnieken voor Hersenenstudies 48
  88. 88 .fNIRS voor Beeldvorming bij Jonge Kinderen 49
  89. 89 .Hersenplasticiteit en Aanpassingsvermogen 49
  90. 90 .Rol van Epigenetische Veranderingen 49
  91. 91 .Invloed van Interne Gebeurtenissen tijdens Ontwikkeling 49
  92. 92 .Omgevingsinvloeden op Hersenontwikkeling 49
  93. 93 .Invloed van Vroege Ervaringen op Hersenontwikkeling 49
  94. 94 .Impact van Avondale Ervaringen (ACEs) op Gezondheid 50
  95. 95 .Effecten van Prenatale Ervaringen op Hersenontwikkeling 50
  96. 96 .Invloed van Psychoactieve Middelen tijdens de Zwangerschap 50
  97. 97 .Effecten van Omgeving op Hersengrootte 50
  98. 98 .Rol van Leefomstandigheden 51
  99. 99 .Specifieke Invloed op de Occipitale Cortex 51
  100. 100 .Invloed van Omgevingscomplexiteit op Hersenontwikkeling 51
  101. 101 .Verschillen in Reactie op Ervaring tussen Jong en Oud 51
  102. 102 .Langetermijneffecten van Vroege Ervaring 51
  103. 103 .Mogelijke Invloed van Prenatale Ervaring 51
  104. 104 .Experimenten van Robbin Gibb en Collega’s 52
  105. 105 .Invloed van het Moederlijk Dieet op Genmethylering 52
  106. 106 .Rol van het Prenatale Microbioom 52
  107. 107 .Experimenten met het Microbioom bij Muizen 52
  108. 108 .Geografische en Culturele Variaties in het Microbioom 53
  109. 109 .Invloed van Vroege Optische Verstoring op Visuele Ontwikkeling 53
  110. 110 .Verzwakking van Verbindingen door Gebrek aan Visuele Stimulatie 53
  111. 111 .Invloed van Specifieke Visuele Stimulatie 53
  112. 112 .Genetische Programmering en Omgevingsinvloeden 54
  113. 113 .Invloed van Verrijkte Ervaring op Corticale Organisatie 54
  114. 114 .Vroege Spraakperceptie en Taalomgeving 54
  115. 115 .Toepassing van Kennis over Corticale Reorganisatie 55
  116. 116 Evaluatie 71
  117. 117 Magneto-encefalografie 71
  118. 118 Structurele beeldvorming 72
  119. 119 Computertomografie 73
  120. 120 Magnetische resonantie beeldvorming 73
  121. 121 .Magnetisch veld en protonen 73
  122. 122 .Radiofrequentiepuls 74
  123. 123 .Ontspanning van protonen 74
  124. 124 .T1- en T2-relaxatietijden 74
  125. 125 Dit is in contrast met methoden zoals EEG en MEG die de elektrische of magnetische velden meten die worden gegenereerd door de neurale activiteit zelf. 76
  126. 126 Functionele magnetische resonantie beeldvorming (fMRI) 76
  127. 127 .Simpel samengevat 77
  128. 128 .Ruimtelijke en temporele resolutie van fMRI 77
  129. 129 .Beperkingen door de hemodynamische respons 78
  130. 130 .Aantal trials en nulgebeurtenissen: 78
  131. 131 .Gegevensverzameling 78
  132. 132 Functionele nabij-infraroodspectroscopie 78
  133. 133 .Geluid en het gehoorsysteem 79
  134. 134 .Constante perceptie 79
  135. 135 .Aanvulling door het brein 79
  136. 136 .Verschil tussen horen en zien 79
  137. 137 .Zuivere tonen en toonhoogte 80
  138. 138 De intensiteit (hard/zacht) van een geluidsgolf (amplitude, hoe hoog de golf piekt) beïnvloedt de subjectieve ervaring van luidheid, gemeten in decibel. Hoe groter de amplitude, hoe luider het geluid. 80
  139. 139 .Fysieke versus waargenomen eigenschappen 80
  140. 140 .Combinaties van tonen 81
  141. 141 .Het ontbrekende fundamentele fenomeen 81
  142. 142 .Timbre 81
  143. 143 .Drie hoofdonderdelen van het oor 81
  144. 144 .Werking van het basilair membraan 82
  145. 145 .Geluidslokalisatie 83
  146. 146 .Auditief pad van oor naar hersenen 83
  147. 147 .Neuronaal aantal en actieve informatieverwerking 84
  148. 148 .Top-down paden 84
  149. 149 .Tonotopische organisatie 84
  150. 150 .Uitdagingen bij gehooronderzoek in een MRI-scanner 85
  151. 151 .Oplossing: Spaarzaam scannen 85
  152. 152 .Basisverwerking van auditieve informatie 85
  153. 153 .Hiërarchische verwerking van auditieve kenmerken 85
  154. 154 .Toonhoogte verwerking 86
  155. 155 .Hiërarchische opbouw van auditieve kenmerken 86
  156. 156 .Center-surround eigenschappen in de primaire auditieve cortex 86
  157. 157 .Hiërarchische verwerking van auditieve stimuli 87
  158. 158 .Respons op luidheid en locatie 87
  159. 159 .Specialisatie voor "wat" versus "waar" in de auditieve cortex 87
  160. 160 .Onderzoek van Rauschecker en Tian 88
  161. 161 .Twee routes in de auditieve verwerking 88
  162. 162 .Dorsale route als "hoe"-route 88
  163. 163 .Oplossingen voor het lokaliseren van geluid 88
  164. 164 .Lokalisatie in de ruimte 89
  165. 165 .Ruimtelijke oriëntatie 89
  166. 166 .Auditief geheugen en stroomsegregatie 90
  167. 167 .Model van Näätänen (auditief geheugen) 90
  168. 168 .Mismatch Negativity (MMN) 90
  169. 169 Het wordt gegenereerd anterior in de primaire auditieve cortex, maar hebben ook een inferior frontale component. Deze regio`s kunnen gelinked zijn aan afwijking detectie en aandacht orientatie 90
  170. 170 .Voorbeeld van MMN 90
  171. 171 .Complexere auditieve patronen 91
  172. 172 .MMN en ruimtelijke afwijkingen 91
  173. 173 .Pariëtale betrokkenheid bij auditieve stroomsegregatie 91
  174. 174 .Cusack – Perceptueel ambigue auditieve stimuli 91
  175. 175 .Patiënten met unilaterale neglect 92
  176. 176 .De pariëtale kwabben en het cocktailpartyprobleem 92
  177. 177 .EEG-onderzoek door Kerlin 92
  178. 178 .fMRI-onderzoek door Worden en Miller 92
  179. 179 Evaluatie van auditieve codering 92
  180. 180 Ruimtelijke informatie en de dorsale route 92
  181. 181 Ventrale route en inhoud van geluiden 93
  182. 182 .Muziekwaarneming 93
  183. 183 .Verschil tussen muziekwaarneming en muziekproductie 93
  184. 184 .Essentiële kenmerken van muziek 93
  185. 185 .Muziek en hersenhelften 94
  186. 186 .Model van muziekverwerking (Peretz en Coltheart) 94
  187. 187 .Onderscheid binnen muziek 95
  188. 188 .Hersenbeschadiging en herkenning van melodieën 95
  189. 189 .Geheugen voor bekende melodieën 96
  190. 190 .Stoornissen in ritme versus toonhoogte 96
  191. 191 .Interacties tussen auditief en motorsysteem 96
  192. 192 .Aangeboren amusia (toondoofheid) 97
  193. 193 .Invloed op spraakverwerking 97
  194. 194 .Taalverschillen en amusia 97
  195. 195 .Verschillen tussen toonhoogteverwerking in muziek en spraak 98
  196. 196 .Model van Peretz en Coltheart – Stadia van toonhoogteverwerking 98
  197. 197 .Muzikale syntaxis 98
  198. 198 .Neurale respons op muzikale syntaxis 99
  199. 199 .Andere regio's bij muzikale syntaxis 99
  200. 200 .Weglating van timbre in het model van Peretz en Coltheart 99
  201. 201 .Kenmerken van verschillende instrumenten 99
  202. 202 .Invloed van hersenletsel op timbreperceptie 99
  203. 203 .Muziek en emotie 100
  204. 204 .Culturele herkenning van emoties in muziek 100
  205. 205 .Neurale verwerking van emotionele muziek 100
  206. 206 .Emotieverwerking en muziek 100
  207. 207 .Stemmen en sociale informatie 100
  208. 208 .Fysieke kenmerken van de stem 100
  209. 209 .Emotionele en persoonlijke informatie in de stem 101
  210. 210 .Unieke stemhandtekening 101
  211. 211 .Parallelle routes voor stemverwerking 101
  212. 212 .Stem-selectief gebied in de hersenen 101
  213. 213 .Verschillende regio's voor verschillende aspecten van stemgeluiden 101
  214. 214 .Homologe regio's in dieren 102
  215. 215 .Case study: Onvermogen om bekende stemmen te herkennen 102
  216. 216 .Relatie tussen stem- en gezichtsherkenning 102
  217. 217 .Onduidelijke functie van muziek 102
  218. 218 .Evolutionaire verklaringen voor muziek 102
  219. 219 .Tegenovergestelde visie van Pinker 102
  220. 220 .Link tussen muziek en spraak 103
  221. 221 .Voorkeuren van primaten voor muziek 103
  222. 222 .Verschil in spraakverwerking en andere auditieve stimuli 103
  223. 223 .Wernicke's hypothese 103
  224. 224 .Beeldvormingsstudies en primaire auditieve cortex 103
  225. 225 .Linkerhersenhelft-specialisatie voor spraak 104
  226. 226 .Specialisatie van linker- en rechterhersenhelft 104
  227. 227 .Zuivere woorddoofheid: 104
  228. 228 .Spectrogram en spraakperceptie 104
  229. 229 .Variabiliteit in spraak 105
  230. 230 .Productie van klinkers en medeklinkers 105
  231. 231 .Categorische perceptie 106
  232. 232 .Co-articulatie 106
  233. 233 .Motortheorie van spraakperceptie 106
  234. 234 .Spiegelneuronen en de motortheorie 107
  235. 235 .Beperkingen van de motortheorie 107
  236. 236 Dit suggereert dat auditieve gerelateerde gebieden kunnen zelfstandig spraakperceptie ondersteunen, maar er is bewijs dat de motorische gebieden een contribuerende eigenschap heeft. 107
  237. 237 .Rol van motorische representaties bij spraakperceptie 107
  238. 238 .Rechterhersenhelft en prosodie 108
  239. 239 Auditieve ventrale en dorsale routes voor "wat" en "hoe" 108
  240. 240 .Auditieve ventrale ("wat") en dorsale ("waar") routes 108
  241. 241 ."Hoe"-route binnen de dorsale route 108
  242. 242 .Ventrale "wat"-stroom 108
  243. 243 .Dorsale "hoe"-stroom 109
  244. 244 .Posterieure STS-regio als multisensorisch gebied 109
  245. 245 .Functie van de "wat"- en "hoe"-route 109
  246. 246 .Fonologische lus en kortetermijngeheugen 109
  247. 247 .Herhaling van spraak en de "hoe"-route 110
  248. 248 .Relatie tussen korte- en langetermijngeheugen 110
  249. 249 Lippen lezen en stemmen zien — de McGurk-illusie 110
  250. 250 Visuele informatie en spraakperceptie 110
  251. 251 .Verklaringen voor de McGurk-illusie 111
  252. 252 .Verdere onderzoeken 111
  253. 253 .Aandacht en sensorische overbelasting 111
  254. 254 .Onoplettendheidsblindheid (bottelneck reference) 112
  255. 255 .Veranderingsblindheid (gerelateerd aan onopleetendheidsblindheid): 112
  256. 256 .Aandacht en de hersenen: 112
  257. 257 .Bottom-up en top-down aandacht: 112
  258. 258 Spatiële en niet-spatiële aandacht: 112
  259. 259 .Spotlight metafoor: 113
  260. 260 .Posner's studie van ruimtelijke aandacht: 113
  261. 261 Bevindingen van de studie: 113
  262. 262 .Exogene en endogene oriëntering van aandacht: 113
  263. 263 .Visueel zoeken (tevens een endogeen fenomeen): 114
  264. 264 .Niet-ruimtelijke aandachtsprocessen: 114
  265. 265 .Rol van pariëtale en frontale kwabben in aandacht: 115
  266. 266 .Ventraal en dorsaal pad: 115
  267. 267 .Laterale intrapariëtale area (LIP) en aandacht: 115
  268. 268 .Neurale verwerking in LIP (Laterale Intrapariëtale Area): 116
  269. 269 .Functie van LIP in aandacht en oogbewegingen: 116
  270. 270 .Multisensorische integratie in LIP: 116
  271. 271 .Aandacht en hersenactiviteit bij mensen: 116
  272. 272 .Functionele connectiviteit en top-down/bottom-up aandacht: 117
  273. 273 .Aandachtsverwerking bij apen: 117
  274. 274 .Twee aandachtsnetwerken (Corbetta en Shulman): 117
  275. 275 .Temporoparietale en frontale activering bij stimulusveranderingen: 118
  276. 276 .Dominantie van de rechter pariëtale kwab in ruimtelijke aandacht: 118
  277. 277 .Pseudo-neglect ruimtelijke aandacht rechterkant: 118
  278. 278 .Hemisferische verschillen in pariëtale kwabben en ruimtelijke aandacht: 118
  279. 279 .Hemisferische asymmetrie en pseudo-neglect: 119
  280. 280 .Niet-ruimtelijke aandachtstekorten: 119
  281. 281 .Verschillende rollen van linker en rechter pariëtale kwabben in niet-ruimtelijke aandacht volgens Mevorach: 119
  282. 282 .Relatie tussen ruimtelijke en niet-ruimtelijke aandacht: 119
  283. 283 .Buiksprekerillusie en visuele "vangst": 120
  284. 284 .Verklaring van de visuele dominantie: 120
  285. 285 .Multisensorische integratie: 120
  286. 286 .Tactiele equivalent van de buiksprekerillusie: 121
  287. 287 .Definities van aandacht, perceptie en bewustzijn: 121
  288. 288 .Relatie tussen perceptie en aandacht: 121
  289. 289 .Aandacht en hersenactiviteit: 122
  290. 290 .Verwachting en neurale activiteit: 122
  291. 291 .Relatie tussen perceptie en bewustzijn: 122
  292. 292 .Dehaene Model: 122
  293. 293 .Attentional blink-paradigma (voorbeeld): 122
  294. 294 .Alternatieve theorie van bewustzijn: 123
  295. 295 .Verschil tussen de twee modellen: 123
  296. 296 .Evaluatie van Aandacht: 123
  297. 297 .Opkomende trends in onderzoek naar aandacht: 123
  298. 298 .Vergelijking met andere cognitieve functies: 123
  299. 299 .Gebrek aan consensus: 124
  300. 300 Voorbeeld: Stel er worden kort gekleurde letters laten zien, waar je niet je seriële aandacht aan kan besteden, dan kan het zijn dat deelnemers claimen dat ze een rode “H” hebben gezien, terwijl het een blauwe “H”was en een rode “E”. 125
  301. 301 Dit bewijst de conclusie van FIT dat aandacht moet worden ingezet om samengevoegde eigenschappen, goed te kunnen onderscheiden. 125
  302. 302 TMS over de parientiele kwab laten je langzamer zoeken bij meerdere kenmerken, maar niet als er maar één kenmerk is. 125
  303. 303 Mensen met parientiele schade maken vaker fouten in de illusoire conjucties als deze maar korter worden laten zien. 125
  304. 304 Kenmerken van verwaarlozing 133
  305. 305 .Frontale Lobben 157
  306. 306 .Pariëtale Lobben 157
  307. 307 .Dorsale versus Ventrale Stroom 157
  308. 308 .Competitieve Selectie 158
  309. 309 .Gevolgen van Schade aan de Stromen 158
  310. 310 .Optische Ataxie 158
  311. 311 .Dissociaties in de Normale Populatie 159
  312. 312 .Dorsale Stroom en Sensorimotorische Transformatie 159
  313. 313 .Verschillende Acties: Reiken versus Oogbewegingen 159
  314. 314 .Belangrijke Neurale Regio's 159
  315. 315 .Voorkeurshoeken van Neuronen 160
  316. 316 .Plannen en Voorspellen van Acties 160
  317. 317 .Distinctie tussen Grijpen en reiken 160
  318. 318 .Functies van het Anterieur Intrapariëtale Gebied (AIP) 161
  319. 319 .Anatomische Verbindingen 161
  320. 320 .Gebruik van Gereedschappen 161
  321. 321 .Sensorimotorische Transformatie 161
  322. 322 .Betrokken Hersenregio's 161
  323. 323 .Premotorische Cortex 162
  324. 324 .Actie-vocabulaire 162
  325. 325 Andere neuronen kunnen gespecialiseerd zijn in verschillende handvormen (bijv. precisiegrip, volledige handgreep). 162
  326. 326 Het voordeel van een opgeslagen repertoire is dat de hersenen bepaalde aspecten van de acties niet elke keer opnieuw hoeven te berekenen, en het kan ook bepaalde soorten acties mogelijk maken om geassocieerd te worden met vertrouwde objecten. 162
  327. 327 .Verbinding tussen Sensorische en Motorische Systemen 162
  328. 328 .Fantoomledematen 163
  329. 329 .Verklaring van Fantoomledematen 163
  330. 330 .Variabiliteit van Fantoomsensaties 163
  331. 331 .Experiment van Ramachandran en Rogers-Ramachandran 163
  332. 332 .Integratie van Sensorische en Motorische Informatie 163
  333. 333 .Evolutionaire Ontwikkelingen 163
  334. 334 .Impact van Gereedschappen 164
  335. 335 .Kenmerken van Gereedschappen 164
  336. 336 .Representatie van Gereedschappen in de Hersenen 164
  337. 337 .Interactie tussen Sensorische en Motorische Eigenschappen 164
  338. 338 .Afhankelijkheid van Hersengebieden 165
  339. 339 .Opslag van bject-gebaseerde Acties 165
  340. 340 .Onderzoek van Chao en Martin 165
  341. 341 .Onderzoek van Rumiati 166
  342. 342 .Ideomotorische Apraxie 166
  343. 343 .Semantische Representaties en Object-gerelateerde Gebaren 166
  344. 344 .Impact van Semantische Dementie 166
  345. 345 .Linkerhersenhelft en Object-gebaseerde Acties 167
  346. 346 .Onderzoek naar Linkshandigen 167
  347. 347 .Rol van Taaldominantie 167
  348. 348 .Neurale Activatie en Actie 168
  349. 349 .Sensorimotorische Transformatie 168
  350. 350 .Opslag van Object-afhankelijke Acties 168
  351. 351 .Semantische Representaties en Affordances 168
  352. 352 .Rol van Subcorticale Structuren 168
  353. 353 .Studie van Krams 168
  354. 354 .Corticaal-Subcorticale Lussen 169
  355. 355 .Functie van het Cerebellum 169
  356. 356 .Patiënten met Cerebellaire Laesies 169
  357. 357 .Basale Ganglia en Hun Circuits 169
  358. 358 .Rol van het Ruggenmerg 170
  359. 359 .Ziekte van Parkinson 170
  360. 360 .Neuropathologie 170
  361. 361 .Basale Ganglia en Motorische Circuit en begrijpen symtomen parkinson 171
  362. 362 .Beweging en Actie bij Parkinson 171
  363. 363 .Reactietijd en Acties 171
  364. 364 .Relatief Gespaarde Acties (verklaring) 172
  365. 365 .Functionele Beeldvorming 172
  366. 366 .Cognitieve Taken en Motorische Vereisten 172
  367. 367 .Stroop-Test Variant van Brown en Marsden 172
  368. 368 Motorische Symptomen van de Ziekte van Parkinson 173
  369. 369 Hyperkinetische Stoornissen van de Basale Ganglia 173
    1. .Ziekte van Huntington 173
    2. Deze verschuiving bevordert beweging in het algemeen. Omdat het indirecte pad verzwakt is en het directe pad normaal blijft, ontstaat er een onevenwicht in de motorische controle: er is minder remming van bewegingen en de motorische cortex krijgt relatief meer signalen om bewegingen uit te voeren. 173
    3. .Hypokinetisch en hyperkenetisch 174
    4. Ziekte van Parkinson: Vermindering van beweging (hypokinetisch) 174
    5. Ziekte van Huntington: Verhoging van beweging (hyperkinetisch) 174
    6. .Syndroom van Gilles de la Tourette 174
  370. 370 .Circuits voor Bewegingsinitiatie en -uitvoering 174
  371. 371 .Leren en geheugen 175
  372. 372 .Korte-termijngeheugen (STM) vs. lange-termijngeheugen (LTM) 175
  373. 373 .Modellen van korte-termijngeheugen en werkgeheugen 176
  374. 374 .Werkgeheugenmodellen en korte-termijnopslag 176
  375. 375 .Fonologisch korte-termijngeheugen en verbaal werkgeheugen 177
  376. 376 .Visueel-ruimtelijk korte-termijngeheugen (STM) 179
  377. 377 .Neurale basis van visueel-ruimtelijk STM 179
  378. 378 .Uitdagingen voor werkgeheugenmodellen gebaseerd op lange-termijnactivatie 180
  379. 379 .Neurale basis van visueel STM 180
  380. 380 .Kenmerken van korte-termijngeheugensystemen 181
  381. 381 .Meervoudige geheugensystemen 181
  382. 382 .Declaratief vs. non-declaratief geheugen 181
  383. 383 .Binnen declaratief geheugen (onderverdeling) 182
  384. 384 .Overlapping van geheugensystemen 182
  385. 385 .Patiënt HM en amnesie 183
  386. 386 .Verstoord geheugen bij amnesie 184
  387. 387 .Episodisch geheugen en amnesie 184
  388. 388 .Amnesie in Hollywood vs. klinische amnesie 184
  389. 389 .Kortetermijngeheugen bij amnesie 185
  390. 390 .Impliciet leren en geheugen bij amnesiepatiënten 186
  391. 391 .Semantisch geheugen bij amnesie 186
  392. 392 .Samenvattend over amnesie 187
  393. 393 .Leren en geheugen bij amnesiepatiënten 188
  394. 394 .Goldman-Rakic's Model van Werkgeheugen: 210
  395. 395 .Petrides' Alternatieve Model: 211
  396. 396 .Self-Ordered Pointing Task 211
  397. 397 Overkomen van sterke en automatische reactie 212
  398. 398 .Overwinnen van sterke of automatische reacties 212
  399. 399 .Go/No-Go Tests 212
  400. 400 .Inhibitie en Neurale Activiteit 212
  401. 401 .Functies van Stroop en Go/No-Go Tests 213
  402. 402 .Specifieke Hersengebieden 213
  403. 403 .Go/No-Go Taak 213
  404. 404 .Schade aan de Prefrontale Cortex 213
  405. 405 .Stroop Test en Hersengebieden 213
  406. 406 .Wisconsin Card Sorting Test (WCST) 213
  407. 407 . Taakwisseling en Perseveratie 214
  408. 408 . Kenmerken van de WCST 214
  409. 409 .Voorbeeld van Voorspelbare Taakwisselingen 214
  410. 410 . Switch Cost 214
  411. 411 . Evaluatie van Switch Cost 214
  412. 412 .Voorbeelden van Taakwissel 214
  413. 413 .Functionele Beeldvormingsstudies 214
  414. 414 .Uitdagingen bij Hersengebied- en Proceslinken 215
  415. 415 .Voorbeeld van Taakwisseling 215
  416. 416 . Studie van Rushworth 215
  417. 417 .Multi-tasking versus Task-switching 215
  418. 418 . Impact van Prefrontale Laesies 215
  419. 419 . Fractionering van Executieve Functies 216
  420. 420 .Six Element Test 216
  421. 421 . Moeilijkheden bij Taakcoördinatie 216
  422. 422 .Definitie van Executieve Functies in de Jaren '90 216
  423. 423 .Indicatoren van Prefrontale Functies 216
  424. 424 .Modellen van Executieve Functies 216
  425. 425 .Effect van Laesies 217
  426. 426 .Complexiteit van Hedendaagse Opvattingen 217
  427. 427 .Politieke Carrière 217
  428. 428 .Bijdragen aan Neurologie en Neurochirurgie 217
  429. 429 .Impact van de Lobotomie 217
  430. 430 .Uitvoering van de Procedure 217
  431. 431 .Toepassing en Beoordeling 218
  432. 432 .Laatste Jaren en Erfenis 218
  433. 433 .Benaderingen van Executieve Functies 218
  434. 434 .Kernprincipes van Executieve Functies 218
  435. 435 .Modellen van Executieve Functies 218
  436. 436 .Onderscheid in Executieve Functies 218
  437. 437 .Betrokken Hersengebieden 219
  438. 438 .Taak van Dias 219
  439. 439 .Experimentele Opzet 219
  440. 440 .Dimensieoverschakeling 219
  441. 441 .Interpretatie van Resultaten 220
  442. 442 .Probleem in de Oudere Literatuur 220
  443. 443 .Somatic Marker Hypothesis 220
  444. 444 .Opslag en Functie van Somatische Markers 220
  445. 445 .Onderzoek naar de Hypothese 220
  446. 446 .Resultaten van de Taak 221
  447. 447 .Huidgeleidingsreactie (SCR) 221
  448. 448 .Profielen van Patiënten met Laesies 221
  449. 449 .Sociopathie en Hersenschade 221
  450. 450 .Falen van Reversal Learning 221
  451. 451 .Delay Discounting (Tijdelijke Korting) 222
  452. 452 .Mechanismen van Delay Discounting 222
  453. 453 .Organisatie van Executieve Functies 222
  454. 454 .Multiple-Demand Network 222
  455. 455 .Cognitieve Controle 223
  456. 456 .Neurale Activiteit in Laterale PFC 223
  457. 457 .Vloeibare Intelligentie 223
  458. 458 .Gekristalliseerde Intelligentie 224
  459. 459 .Meta-analyses en Functionele Beeldvorming 224
  460. 460 .Patiënten met Prefrontale Cortex Laesies 224
  461. 461 .Correlaties met Executieve Functies 224
  462. 462 .Multiple-Demand Netwerk 224
  463. 463 Neuroeconomics 225
  464. 464 .Psychologie van Economische Besluitvorming 225
  465. 465 .Sociale Elementen in Economische Beslissingen 225
  466. 466 .Waardeverdeling 225
  467. 467 .Intuïtie en Emotie in Besluitvorming 225
  468. 468 .Neurologische Betrokkenheid 225
  469. 469 .Functie van de Rostrale Prefrontale Cortex 226
  470. 470 .FMRI-experiment van Koechlin 226
  471. 471 .Patiënten met Frontale Laesies 226
  472. 472 .Hiërarchische Organisatie van Executieve Functies 226
  473. 473 Anterieure Prefrontale Cortex: Voert meerdere taken tegelijkertijd uit (multitasking). Wanneer je bijvoorbeeld bezig bent met meerdere projecten of moet schakelen tussen verschillende doelstellingen. 226
  474. 474 .Model van Koechlin en Summerfield 226
  475. 475 .Contextuele Informatie en Cognitieve Controle 227
  476. 476 .Branching Control 227
  477. 477 Studie van Koechlin 227
  478. 478 .Standpunt van Badre en D’Esposito 228
  479. 479 .Voorbeeld van Semantische Beslissingen 228
  480. 480 .Theorie van Burgess 228
  481. 481 .Verbinding met Sociale Cognitie 228
  482. 482 .Controverse over Hemisferische Specialisaties 229
  483. 483 .Neuropsychologische Onderzoeken 229
  484. 484 .Model van Stuss en Collega’s 229
  485. 485 .Activiteit in de Mediale Regio's 229
  486. 486 .Herziene SAS-model 229
  487. 487 Monitoring Stage: Verbonden met de rechter laterale PFC 229
  488. 488 .Wisconsin Card Sorting Test 230
  489. 489 .Taak-setting versus Monitoring 230
  490. 490 .Probleem met Task-switching 230
  491. 491 Rol van de Linker Dorsolaterale PFC 230
  492. 492 .Effect van TMS op de Linker DLPFC 231
  493. 493 .Monitoring en Controlemechanismen 231
  494. 494 .Studie van Cabeza 231
  495. 495 .Studie van Stuss 231
  496. 496 .Reactietijden en Wachttijden 231
  497. 497 .Effect van TMS 232
  498. 498 .Alternatieve Visie op de Rechter Laterale PFC 232
  499. 499 .Monitoring versus Inhibitie 232
  500. 500 .fMRI-studie van Duann 232
  501. 501 .Hedendaagse Modellen van Executieve Functies 232
  502. 502 .Kritiek op Ongedifferentieerde Modellen 232
  503. 503 .Verschillende Behandelingsmechanismen 233
  504. 504 .Niveaus van Organisatie 233
  505. 505 .Anatomische Positionering 233
  506. 506 .Verbindingen en Activiteit 233
  507. 507 .Rol in Executieve Functies 233
  508. 508 .Effecten van Laesies 234
  509. 509 .Foutgerelateerd Potentiaal 234
  510. 510 .Dubbelzinnigheid over Rol 234
  511. 511 .Rol in Responsconflicten 234
  512. 512 .Conflict- en Foutdetectie 234
  513. 513 .Cognitieve versus Affectieve Reacties 234
  514. 514 .Kosten-Batenanalyse 234
  515. 515 .Motivatie en Energization 235
  516. 516 .Taakwisselstudie 235
  517. 517 .Diermodellen 235
  518. 518 .Samenvatting 235
  519. 519 .Functie van Emoties 235
  520. 520 .Flexibiliteit van Emotionele Associaties 236
  521. 521 .Emoties en Sociaal Gedrag 236
  522. 522 .Neurologische Basis van Emoties 236
  523. 523 .Cognitieve Controle en Emoties 236
  524. 524 .Veelzijdigheid van Emoties 236
  525. 525 .Kenmerken van Emoties 236
  526. 526 .Verschillende Theorieën 237
  527. 527 .Methoden van Meting 237
  528. 528 .Kenmerken van Emoties 237
  529. 529 .Continuïteit van Emoties 238
  530. 530 .Charles Darwin 238
  531. 531 .Sigmund Freud (1856-1939) 238
  532. 532 .James-Lange Theorie van Emotie 238
  533. 533 .Kritische Vragen 239
  534. 534 .Lichamelijke Veranderingen en ANS 239
  535. 535 .Schachter en Singer 239
  536. 536 .Hedendaagse Theorieën 239
  537. 537 .Cannon-Bard Theorie van Emotie 239
  538. 538 .Rol van de Hypothalamus 239
  539. 539 .Papez-circuit 240
  540. 540 .Deliberatieve Analyse 240
  541. 541 .MacLean's Bijdrage 240
  542. 542 .Hedendaagse Neurobiologie 240
  543. 543 .Alternatieve Standpunten 241
  544. 544 .Basisemotiesbenadering 241
  545. 545 .Alternatieve Hedendaagse Benadering 241
  546. 546 .Etnografisch Onderzoek naar Basisemoties 241
  547. 547 .Kenmerken van Basisemoties 241
  548. 548 .Kritiek op de Basisemotiesbenadering 242
  549. 549 .Kritiek op Emotionele Categorieën 242
  550. 550 .Theorie van Barrett 242
  551. 551 .Constructie van Emoties 242
  552. 552 .Cross-Culturele Variatie 242
  553. 553 .Theorie van Rolls 243
  554. 554 .Stimulus en Emotionele Toestand 243
  555. 555 .Basisemoties versus Constructie van Emoties 243
  556. 556 .Mogelijkheden binnen de Basisemotiesbenadering 243
  557. 557 .Morele Emoties 244
  558. 558 .Evolutie van Morele Emoties 244
  559. 559 .Unieke Menselijke Emoties 244
  560. 560 .Kernset van Ideeën over Emoties 244
  561. 561 .Veelzijdigheid van Emoties 244
  562. 562 .Categorische Verschillen tussen Emoties 245
  563. 563 .Toekomstige Secties 245
  564. 564 .Morele Oordelen 245
  565. 565 .Oorsprong van Morele Standaarden 245
  566. 566 .Hersenstructuren en Morele Emoties 245
  567. 567 .Theory of Mind en Sociaal Gedrag 246
  568. 568 .Impact van Orbitofrontale Laesies 246
  569. 569 .Atypisch Gedrag bij Morele Dilemma's 246
  570. 570 .Introductie van Belangrijke Hersenstructuren 246
  571. 571 .Verwerking van Sociale en Niet-Sociale Stimuli 246
  572. 572 .Beoordeling van Theorieën 246
  573. 573 .Anatomie van de Amygdala 247
  574. 574 .Functie in Emotioneel Geheugen en Leren 247
  575. 575 .Rol bij Angstconditionering 247
  576. 576 .Leren en Opslaan van Angstreacties 247
  577. 577 .Amygdala-Activatie bij Angstreacties 248
  578. 578 .Geconditioneerde Respons en Geheugen 248
  579. 579 .Sociale Angstconditionering 248
  580. 580 .Amygdalalaesies en Emotieherkenning 248
  581. 581 .Theoretische Verklaringen 248
  582. 582 .Functionele Beeldvorming en Amygdala-Activatie 249
  583. 583 .Detectie van Bedreigingen 249
  584. 584 .Specifieke Reacties op Fobieën 249
  585. 585 .Neurale Paden naar de Amygdala 249
  586. 586 .De Amygdala en Angstverwerking 250
  587. 587 .Effect van Laesies op Leren 250
  588. 588 .Functionele Beeldvorming en Affectieve Stimuli 250
  589. 589 .Anatomie en Functie van de Insula 250
  590. 590 .Walging en Emotionele Herkenning 250
  591. 591 .Selectieve Laesies en Waarneming 251
  592. 592 .Morele Walging 251
  593. 593 .Brede Rol van de Insula 251
  594. 594 .Functie van de Orbitofrontale Cortex 251
  595. 595 .Onderzoek naar Chocoladeconsumptie 251
  596. 596 .Beloningen en Straffen 252
  597. 597 .Flexibiliteit in Gedrag 252
  598. 598 .Invloed van Cognitieve Beoordeling 252
  599. 599 .Verschillen met de Laterale Prefrontale Cortex 252
  600. 600 .Breder Spectrum van Functies 253
  601. 601 .Reactie op Sociale Stimuli 253
  602. 602 .Lichamelijke Signalering en Reacties 253
  603. 603 .Sociale Pijn en Emotionele Circuits 253
  604. 604 .Sociale versus Technische Uitsluiting 254
  605. 605 .Dorsaal versus Ventraal Striatum 254
  606. 606 .Verbindingen tussen Frontale Cortex en Basale Ganglia 254
  607. 607 .Limbische Lus 254
  608. 608 .Dopamine en de Nucleus Accumbens 254
  609. 609 .Beloningen bij Mensen 255
  610. 610 .Cruciale Hersengebieden in Emotionele Verwerking 255
  611. 611 .Verschillende Functies van Emotionele Regio's 255
  612. 612 .Core Affect en Emotionele Dimensies 255
  613. 613 .Rol van Cognitie in Emoties 256
  614. 614 .Gezichtsverwerking als Sociaal Object 256
  615. 615 Gezichtuitdrukkingen herkennen 256
  616. 616 .Modellen van Gezichtsverwerking 256
  617. 617 .Ondersteuning voor het Model van Haxby 257
  618. 618 .Mechanismen van Gezichtsuitdrukking Herkenning 257
  619. 619 .Rol van Hersengebieden bij Gezichtsuitdrukkingen 257
  620. 620 .Simulatietheorie 257
  621. 621 .Ondersteunend Bewijs 258
  622. 622 .Sociale Verwijzing 258
  623. 623 .Wat is het Capgras-syndroom? 258
  624. 624 .Verklaring van het Syndroom 258
  625. 625 .Huidgeleidingsreacties 259
  626. 626 .Belang van Oogcontact en Blikrichting 259
  627. 627 .Blikrichting en Sociale Cognitie 259
  628. 628 .Neurologische Basis 259
  629. 629 .Autisme en Oogcontact 259
  630. 630 .Mechanismen van Gezichtsuitdrukking Herkenning 260
  631. 631 .Rol van de Superieure Temporale Sulcus (STS) 260
  632. 632 .Oogopslag en Intenties 260
  633. 633 .Basisarchitectuur van Gezichtsverwerking 260
  634. 634 .Raciale Verschillen en Emotionele Evaluatie 260
  635. 635 .Expertise en Raciale Herkenning 261
  636. 636 .Amygdala-Activatie en Racial Bias 261
  637. 637 .Gezichtsuitdrukkingen als Weergave van Mentale Toestanden 261
  638. 638 .Simulatietheorie 261
  639. 639 .Theory of Mind (ToM) 262
  640. 640 .Debat tussen Simulatie en Mentalisatie 262
  641. 641 .Empathie en Neurobiologie 262
  642. 642 .Activering van Pijn-gerelateerde Hersengebieden 263
  643. 643 .Empathie en Gecoördineerde Processen 264
  644. 644 .Mechanismen van Empathie volgens Decety en Jackson 264
  645. 645 .Autisme en Diagnose 264
  646. 646 .Gedragskenmerken en Onderzoek 265
  647. 647 .Valse Overtuiging Test 265
  648. 648 Dit fenomeen wordt ook wel "mind-blindness" genoemd. 265
  649. 649 .Selectieve Moeilijkheden in Mentaliseren bij Autisme 265
  650. 650 .Kritiek op de Theory of Mind-verklaring 266
  651. 651 .Cognitieve Sterke en Zwakke Punten 266
  652. 652 .Zwakke Centrale Coherentie 266
  653. 653 .Empathizing vs. Systemizing een andere verklaring voor andere verwerkingsstijl 266
  654. 654 .Theorieën Over Sociale Tekortkomingen bij Autisme 267
  655. 655 .Uitvoerend Functioneren 267
  656. 656 .Broken-Mirror Theory 267
  657. 657 .Ondersteunend Bewijs 267
  658. 658 .Kerntekort en Sociale Beperkingen 267
  659. 659 .Bronnen van Bewijs voor de Neurale Basis van Theory of Mind 268
  660. 660 .Meta-analyse van Functionele Beeldvormingsliteratuur 268
  661. 661 .Recente Reviews 268
  662. 662 .Activatie van Taal- en Semantisch Geheugen 268
  663. 663 .Onderzoek van Zahn 269
  664. 664 .Variatie in Testmethoden 269
  665. 665 .Reactiviteit op Menselijk Denken 269
  666. 666 .Patiëntstudies en Theory of Mind 269
  667. 667 .Betrokkenheid bij Taalpragmatics 269
  668. 668 .Integratie van Informatie 270
  669. 669 .Verbinding met Verhaalbegrip 270
  670. 670 .Activatie bij Diverse Taken 270
  671. 671 .Patiënten met Laesies 270
  672. 672 .Vergelijking van Taken 270
  673. 673 .Toekenning van Mentale Toestanden 270
  674. 674 .Vereiste Processen voor Theory of Mind 271
  675. 675 .Controverse in Mechanismen 271
  676. 676 .Ondersteunend Bewijs 271
  677. 677 .Rol van Autisme 271

Gekoppeld boek
 image
Uitgever: januari 2015 ISBN: 9781848722729 Druk: 1

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Ja
Geüpload op
16 januari 2025
Aantal pagina's
271
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting
€10,96

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
kimvanrooij1
3,7
(7)
Verkocht
77
Volgers
3
Items
8
Laatst verkocht
1 maand geleden

Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.



Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen