• Verkeerd document? Gratis ruilen
  • Geschreven door studenten die geslaagd zijn
  • Direct beschikbaar na je betaling
  • Online lezen of als PDF
Verkopen
Kies je studieland
Kies je taal
Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 208 pagina's
Samenvatting

Volledige samenvatting theoretische criminologie probleem 1 tm 8 en alle 5 de hoorcolleges (8,9 gehaald!)

Document preview thumbnail
Voorbeeld 4 van de 208 pagina's

Deze samenvatting is genoeg uitgebreid en bevat alle stof die je moet weten voor dit tentamen. Het bevat ook veel tabellen die erg handig overzicht geven die je bovendien kunt gebruiken bij onderwijsgroepen. Hiervoor is het boek An Introduction to Criminological Theory van Burke, Criminology van Newburn en Essential Criminology van Lanier et al. en alle aanvullende literatuur gebruikt. Aan het einde zijn alle hoorcolleges bovendien toegevoegd. De stof is echt volledig, je hoeft eigenlijk niet meer in je boeken te kijken en een hoorcollege missen kan ook. Ik had voor dit vak een 8,9, dus dit is echt een aanrader!

Voorbeeld van de inhoud

Samenvatting Theoretische Criminologie

Probleem 1 – biocriminologie
Leerdoelen:

1. Wat is de biocriminologie? (Dit mag lekker kort)

2. Welke verschillende perspectieven/paradigma's uit de biologie en psychologie worden er in de
criminologie gebruikt om criminaliteit te verklaren?

3. Hoe heeft de biocriminologie zich ontwikkeld?

4. Welke implicaties en/of gevolgen heeft dit voor de rechtspraak?



Leerdoel 1: Wat is biocriminologie?
Lanier, M.M., Henry, S. & Anastasia, D.J.M. (2014)
Biocriminologie is een stroming binnen de criminologie die kijkt naar biologische en genetische factoren en hun
relatie tot crimineel gedrag → belangstelling voor de mogelijke rol die genetische aanleg en andere biologische
factoren kunnen spelen in de criminaliteit. Het speelt zich af op microniveau (op individu gericht)
Het uitgangspunt van de biologische criminologie is dat bepaalde mensen geboren worden om crimineel te zijn
door het erven van een genetische of fysiologische aanleg (fysiologie=studie van de functies en processen van
levende organismen en hun onderdelen) voor criminaliteit.

- Biologisch positivisme: de biologische variant van de voorbestemde crimineel.
- Universeel, lichaam rol, determinisme (Determinisme is het idee dat alle gebeurtenissen, inclusief
menselijk gedrag, vooraf bepaald zijn door oorzaken buiten de vrije wil)
- Omgevingsomstandigheden worden niet genegeerd, maar gezien als potentiële triggers van
de biologische kracht.
- Aangezien gedrag wordt gezien als een vooraf geschreven, vaak geërfde code (DNA), ligt criminaliteit
buiten individuele controle. Daarom is de biologische criminologie overweldigend positivistisch van
aard.
- Kritiek: te reductionistisch (betekent dat iets te veel wordt vereenvoudigd door het terug te brengen
tot één oorzaak of factor, terwijl het eigenlijk complexer is  gaat uit van maar één waarheid);
negeren invloed van sociale context en hier kan misbruik van gemaakt worden (WOII).




Leerdoel 2: Welke verschillende perspectieven/paradigma's uit de biologie en
de psychologie worden er in de criminologie gebruikt om criminaliteit te
verklaren?

Newburn, T. (2017). Criminology

paradigma = Een set van overtuigingen, waarden en technieken die een bepaald denkkader of model vormen
binnen een wetenschap of discipline (gebied van studie of kennis))

Klassieke school




1

,De Klassieke school (heet ook classicisme) gaat ervan uit dat de crimineel een vrije wil (niet gedreven door
bijvoorbeeld biologische factoren) heeft en met zijn gezonde verstand rationeel een keuze maakt om
criminaliteit te plegen → kosten-baten afweging.

Criminaliteit is hier een uitkomst van rationele keuzes (rationele keuze theorie); de beloning (baten) van
criminaliteit is groter dan de straf (kosten). Routine activiteiten theorie (Felson) zegt dat structurele
veranderingen in de routine criminaliteit beïnvloeden. Het bestaat uit drie delen, namelijk gemotiveerde dader,
geschikt doelwit en de afwezigheid van bewaking.

 De rationele keuzetheorie is een theorie die stelt dat mensen keuzes maken door rationeel de voor- en nadelen af te
wegen, met als doel hun eigen voordelen te maximaliseren. Het gaat er vanuit dat individuen bij elke beslissing streven naar
het beste resultaat voor zichzelf. Deze theorie werd ontwikkeld in 1960 door de Amerikaanse econoom Gary Becker (1930-
2014) (maar Britse criminologen Clarke & Cornish hebben in jaren 1980 op criminologie toegepast, ze zeggen dat er
meerdere keuzes vooraf een delict moeten zijn gemaakt die beïnvloed zijn door sociale en psychologische factoren)
 De routine-activiteitentheorie stelt dat criminaliteit ontstaat als een gemotiveerde dader, een geschikt doelwit en een
gebrek aan toezicht samenkomen. Het werd ontwikkeld door Amerikaanse sociologen en criminologen Lawrence Cohen
(1936-heden) en Marcus Felson (1943-heden) in 1979.

Mensen zijn verantwoordelijk voor hun eigen gedrag. Dit past bij de denkbeelden van Italiaanse filosoof en
politicus Cesare Beccaria (1738-1794) (pleitte voor eerlijke straffen en proportionele rechtspraak) en Engelse
filosoof en jurist Jeremy Bentham (1748-1632) (ontwikkelde het utilitarisme (ethische theorie die stelt dat de
beste actie degene is die het meeste geluk of welzijn voor de meeste mensen oplevert; hoort Beccaria ook bij) en
de hedonistische calculus (hedonisme= theorie, levenshouding die genot ziet als het hoogste levensdoel en
calculus=rekenmethode; dus methode om de morele waarde van een actie te beoordelen op basis van de
hoeveelheid plezier en pijn die het met zich meebrengt)). Deze school is ontstaan in de tijd van de Verlichting
(verlichting=een intellectuele beweging in de 17e en 18e eeuw (ong 1685-1815) die rationaliteit en wetenschap
boven religie en traditie stelde) als reactie op de onvoorspelbaarheid van straffen in de 16 e en 17e eeuw. Er
kwam meer zekerheid en proportionele straffen voor de dader. De klassieke school kijkt naar de daad, en niet
de dader.
Het classicisme heeft nog steeds invloed vandaag de dag. Het idee dat de straf die past bij de aard (de
eigenschappen ervan) van het misdrijf is nog steeds herkenbaar en er is nog steeds een toename in de
gevangenissen (classicisme heeft geleid tot een systeem waarin gevangenisstraffen als een effectieve en
proportionele reactie op criminaliteit worden gezien, wat bijdraagt aan de toename van gevangenissen en de
gevangenen erin)

Kritiek classicisme
- Het is te simpel om te denken dat iedereen een vrije wil heeft en rationele keuzes maakt.
- Heeft een te rationele visie op de menselijke natuur, met als argument dat mensen zich alleen
gedragen op een puur eigenbelangrijke en ‘vrije’ manier. Als ze kunnen zien dat ze gestraft worden,
zullen ze afgeschrikt worden; als ze denken dat ze weg kunnen komen met de misdaad, dan zullen ze
dat doen. Dit te simpel en gaat voorbij aan de complexiteit van het menselijk gedrag.
-  Beschouwt criminaliteit als het resultaat van een vrije keuze, maar we kunnen ons afvragen of we
allemaal even ‘vrij’ zijn om deze keuzes te maken, en of we allemaal voor dezelfde keuzes staan.

- Daarnaast besteedt het geen aandacht aan kinderen of geestelijke ziektes (zij hebben geen vrije wil).
-  Er wordt geen rekening gehouden met het onvermogen om rationeel te handelen. Het classicisme
beschouwt alle mensen als een rationeel wezen, maar er wordt weinig rekening gehouden met de
problemen van bijv. geestesziekten, leermoeilijkheden en andere vormen van beperkingen, of negeren
simpelweg kwesties van volwassenheid, wat inhoudt dat kinderen op dezelfde manier moeten worden
behandeld als volwassenen.
o Neoclassicisme = Mensen als rationeel behandelen, maar wél rekening houden met zaken als
leeftijd en mentale toestand.

- Ook negeert de Klassieke school de sociale ongelijkheid  hoe kan het dat vooral arme mensen
misdaden plegen als iedereen een vrije wil heeft en rationeel is. Er wordt aangenomen dat de
samenleving op een eerlijke en rechtvaardige manier werkt. Volgens de klassieke school zijn armen



2

, alsnog verantwoordelijk → ze focussen dus niet op sociale factoren. Als iedereen even rationeel is, is
het niet logisch dat sommigen meer misdaden plegen.
-  Machtsprobleem  als individuen volledig rationeel en naar vrije wil handelen, waarom zijn het
dan voornamelijk armen die het overgrote deel van het strafrechtsysteem representeren? Is
rationaliteit gerelateerd aan rijkdom en macht? Het classicisme heeft een gebrek aan fundamentele
aspecten, zoals het niet rekening houden met verschillende soorten sociale ongelijkheden. 
Reimand: ‘De rijken worden rijker, en de armen krijgen de gevangenis’.
-  Gaat ervan uit dat individuen leven in samenlevingen die op eerlijke en rechtvaardige manieren zijn
georganiseerd. Maar kunnen we ‘gerechtigheid’ hebben in een ‘onrechtvaardige samenleving’?

Positivistische school
De Positivistische school (ook positivisme of determinisme genoemd) stelt dat gedrag is gebaseerd op
deterministische factoren (betekent dat gebeurtenissen of uitkomsten volledig worden bepaald door
voorafgaande oorzaken/omstandigheden, zonder ruimte voor toeval of vrije wil), zoals biologische of
psychologische kenmerken. De oorzaken van criminaliteit liggen in de persoonlijke factoren. Het positivisime
ging ervan uit dat er andere factoren waren die kenmerkend zijn voor de crimineel, waardoor je een crimineel
en niet-crimineel kunt onderscheiden van elkaar. Deze factoren behoren tot het individu zelf of vormen een
deel van zijn omgeving  psychologische en biologische factoren. Deze stroming is geïnspireerd op de
evolutietheorie (1859) van Charles Robert Darwin (1809-1882) (Britse natuuronderzoeker en bioloog) (Het
Darwinistisch perspectief/evolutietheorie kijkt naar gedrag en eigenschappen als het resultaat van evolutionaire processen
en natuurlijke selectie (proces waarbij de beste aangepaste individuen in een populatie meer kans hebben om te overleven
en zich voort te planten, waardoor hun gunstige eigenschappen doorgegeven worden aan de volgende generatie). In dit
geval betekent het dat criminaliteit wordt gezien als een overblijfsel van evolutionaire achterstand (atavisme)). Het gaat
hierbij vooral om een scientific approach tegenover een misdadiger  er worden wetenschappelijke methoden
gebruikt, data wordt verzameld d.m.v. observaties, er is een hypothetico deductive reasoning  het testen van
een hypothese door voorspellingen te maken en te kijken of ze kloppen met de resultaten. (deductie=Logisch
redeneren waarbij je vertrekt van algemene principes (hier dus hypothese) om specifieke conclusies te trekken).

Criminaliteit werd lang geassocieerd met abnormaliteit en defectiveness (defectiviteit: gebrekkig, onvolledig of
beschadigd zijn). Er was een assumptie dat personen die biologisch inferieur waren een grotere kans hadden
om in deviante activiteiten terecht te komen
De mens heeft geen vrije wil en kan daarom niet verantwoordelijk zijn, omdat zijn handelen wordt veroorzaakt
door interne en externe factoren.

Aantal aannames dat centraal staat bij de positivistische theorie:
- Natuurwetten (fundamentele principes die de werking van de natuur beschrijven en die consistent zijn
in het universum, zoals de wetten van de zwaartekracht) moeten en kunnen ook toegepast worden op
de sociale wereld.
- De fundering van onze kennis over de wereld (epistemologie: tak van de filosofie die de aard,
oorsprong en grenzen van kennis bestudeert) komt van data die we verzamelen door middel van
observatie (positivisme).
- Feiten moeten worden onderscheiden van waarden.
- De kernmethode is het verzamelen van data, de ontwikkeling van hypotheses en het testen van deze
hypotheses op falsificatie (=testen van hypotheses om te bepalen of ze onjuist zijn) (deductie)
- De combinatie van natuurkundige methoden en deductieve redenatie heeft geleid tot een voorkeur
voor kwantitatief onderzoek boven kwalitatief onderzoek.
- Onderscheid tussen biologisch positivisme en psychologisch positivisme.
- Fysionomie (De studie van iemands gezichtskenmerken/gelaatstrekken (de lijnen in het gezicht die een
bepaalde uitdrukking geven) om persoonlijkheid of karakter af te leiden)): focust op kenmerken van het
gezicht.
- Frenologie (De studie van de vorm en structuur van de schedel, met de veronderstelling dat dit inzicht
kan geven in iemands karakter en mentale capaciteiten): vorm van de schedel → de grootte van de
schedel bepaalt de grootte van het brein.

Kritiek positivisme
Amerikaanse socioloog en criminoloog David Matza (1930-2018) stelt in 1964 dat het positivisme 3
problematische veronderstellingen (benaderingsmethoden) hanteert:


3

, 1. Determinisme  dingen staan buiten het individu. Mensen worden gedreven tot het plegen van
criminaliteit (biologisch, psychologisch of sociaal)
 Kritiek (Matza): Er wordt alleen gefocust op behandeling en verantwoordelijkheid wordt
genegeerd
2. Differentiatie (verscheidenheid/onderscheid maken)  daders kunnen onderscheiden worden van
niet-daders
 Kritiek (Matza): Men gaat ervan uit dat criminelen bepaalde kenmerken hebben, wat fout is
omdat dit een te simplistische benadering is die de complexiteit van crimineel gedrag negeert.
3. Pathologie (studie van ziekten en afwijkingen, inclusief hun oorzaken en effecten op het lichaam) 
verschillen tussen wel of niet crimineel liggen in het resultaat van iets dat fout is gegaan in het
vroegere leven of omstandigheden
 Kritiek (Matza): er heerst hierdoor een aanname dat er iets mis moet zijn gegaan in het leven


Meer kritiek positivisme

- Gaat er van uit dat mensen gedreven worden tot misdaad door krachten die grotendeels buiten hun macht
liggen. Het ontkent de vrije keuze van de mens  soms vergeten we dat mensen wel verantwoordelijkheid
hebben. Een oplossing zou kunnen zijn om misdaad te beschouwen als het resultaat van een combinatie
van een keuze en determinisme.
- Daarnaast wordt er wordt te veel onderscheid gemaakt tussen criminelen en niet criminelen.
- Tot slot sluit het positivisme niet goed aan op het strafrecht.  Het strafrecht sluit niet goed aan op het
positivisme omdat het positivisme zich richt op de oorzaken en omstandigheden van crimineel gedrag,
terwijl het strafrecht vaak de nadruk legt op individuele verantwoordelijkheid en schuld (classicisme), wat
leidt tot een focus op straf in plaats van rehabilitatie of preventie.

Klassieke school Positivistische school
Object van de studie -De daad -De dader
Aard van de dader -Vrije wil -Determinisme bepaald
-Rationeel, berekend -Gedreven door biologische, psychologische of andere
-Moreel verantwoordelijk factoren
-Normaal -Niet moreel verantwoordelijk
-Pathologisch
Reactie op de -Straffen -Behandeling
criminaliteit -Proportioneel dus in verhouding met de daad -Onbepaald, afhankelijk van individuele omstandigheden
Personen - Italiaanse filosoof en politicus Cesare Beccaria (1738- - Italiaanse criminoloog, arts en psychiater Cesare
1794): proportioneel straffen, legaliteitsbeginsel (straf Lombroso (1835-1909): atavistische kenmerken dader,
moet voorgeschreven zijn door de wet), preventie afwijkende schedel, grote neus, type crimineel
- Engelse filosoof en jurist Jeremy Bentham (1748- - Italiaanse criminoloog en socioloog Enrico Ferri (1856-
1632): straf moet nuttig zijn (utilitarisme) en alleen in 1929): criminaliteit als resultaat van een combinatie van
hoeverre het nodig is biologische, psychologische en sociale invloeden.
-Amerikaanse psycholoog en criminoloog William Sheldon
(1898-1977): somatotypologie (Koppelen van
lichaamstypes aan persoonlijkheid en criminaliteit)
-Italiaanse criminoloog Raffaele Garofalo (1851-1934):
Introduceerde "natuurlijke criminaliteit" (misdaden zijn in
strijd met de menselijke natuur) en pleitte voor straffen
gebaseerd op de morele toestand van de dader.
Kritiek - Niet iedereen heeft een vrije wil en maakt vrije - Vrije wil en keuze wordt ontkend
keuzes ((geesten)ziekte, kinderen, omstandigheden) - Te veel onderscheid tussen criminelen en niet-criminelen
- Sociale ongelijkheid wordt genegeerd - Past niet goed bij strafrecht
- Wie bepaalt wat rationeel is?  - Verantwoordelijkheid wordt genegeerd
machtsverhoudingen - Aanname dat er iets mis moet zijn in leven van crimineel



Leerdoel 3: Hoe heeft de biocriminologie zich ontwikkeld?
Lanier, M.M., Henry, S. & Anastasia, D.J.M. (2014)
Ontwikkeling classicisme

4

Inhoudsopgave

  1. 01 Samenvatting Theoretische Criminologie 1
  2. 02 Probleem 1 – biocriminologie 1
    1. Leerdoel 1: Wat is biocriminologie? 1
    2. Leerdoel 2: Welke verschillende perspectieven/paradigma's uit de biologie en de psychologie worden er in de criminologie gebruikt om criminaliteit te verklaren? 1
  3. 03 De Klassieke school (heet ook classicisme) gaat ervan uit dat de crimineel een vrije wil (niet gedreven door bijvoorbeeld biologische factoren) heeft en met zijn gezonde verstand rationeel een keuze maakt om criminaliteit te plegen → kosten-baten afweging. Criminaliteit is hier een uitkomst van rationele keuzes (rationele keuze theorie); de beloning (baten) van criminaliteit is groter dan de straf (kosten). Routine activiteiten theorie (Felson) zegt dat structurele veranderingen in de routine criminaliteit beïnvloeden. Het bestaat uit drie delen, namelijk gemotiveerde dader, geschikt doelwit en de afwezigheid van bewaking. 2
    1. Leerdoel 3: Hoe heeft de biocriminologie zich ontwikkeld? 4
    2. Lanier, M.M., Henry, S. & Anastasia, D.J.M. (2014) 4
    3. Leerdoel 4: Welke implicaties/gevolgen heeft dit voor de rechtspraak? 15
  4. 04 Probleem 2 – Ontwikkelings- en levensloopcriminologie 22
    1. Leerdoel 1: Wat zijn risicofactoren? Welke zijn er en wat is het verschil met 'oorzaken'? 22
    2. Leerdoel 2: Wat is de ontwikkelings-/levensloopcriminologie? 25
    3. Leerdoel 3: Welke theorieën vallen onder de levensloopcriminologie? 27
    4. Leerdoel 4: Hoe worden deze theorieën toegepast op beleid? 32
  5. 05 Probleem 3 – Rationele keuze & Controle 38
    1. Leerdoel 1: Wat zijn push- en pullfactoren? 39
    2. Leerdoel 2: Wat zijn rationele keuzetheorieën en welke zijn er? 39
    3. Leerdoel 3: Wat zijn controlebenaderingen en welke zijn er? 45
    4. Leerdoel 4: Hoe verhouden de factoren en theorieën zich tot elkaar? 52
  6. 06 Probleem 4 – Leertheorieën 53
  7. 07 Probleem 4 53
    1. Leerdoel 1: Wat zijn leertheorieën? 53
    2. Leerdoel 2: Welke leertheorieën staan in dit probleem centraal? 54
    3. Leerdoel 3: Pas de leertheorieën toe op het Enron-schandaal en op wbc 61
  8. 08 Probleem 5 – (Sociaal-)ecologische benadering 66
    1. Leerdoel 1: Wat zijn (sociaal-)ecologische benaderingen? 67
    2. Leerdoel 2: Hoe heeft deze benadering zich ontwikkeld? 68
    3. Lissenberg, E., Van Ruller, S., & Van Swaaningen, R. (red.). (2001). Tegen de Regels IV: een inleiding in de criminologie. De grondslag werd gelegd door de Chicago School (Een invloedrijke school in de sociologie, opgericht in de vroege 20e eeuw (al in 1892 maar in de jaren 1930 groot geworden), die zich richtte op de studie van stedelijk leven, sociale problemen en criminologie, met nadruk op empirisch onderzoek en de invloed van omgeving op gedrag (stadsecologie)) (begin 19e eeuw) 68
    4. Leerdoel 3: Welke ecologische theorieën zijn er? 69
    5. Leerdoel 4: Op welke manier kunnen ecologische benaderingen toegepast worden op beleid? 75
  9. 09 Probleem 6 – Strain & culturele criminologie 78
    1. Leerdoel 1: Welke strain/spanningsbenaderingen zijn er? 79
    2. Lissenberg, E., Van Ruller, S., & Van Swaaningen, R. (red.). (2001). Tegen de Regels IV: een inleiding in de criminologie. 79
    3. Spanningsbenaderingen/strainbenaderingen 79
    4. Straintheorie (1938&1968) – Robert Merton (1910 – 2003) in boek "Social Structure and Anomie”(1938) en “Social Theory and Social Structure” (1968) ( 1938 echt grondtekst) 80
    5. Lissenberg, E., Van Ruller, S., & Van Swaaningen, R. (red.). (2001). Tegen de Regels IV: een inleiding in de criminologie. 83
    6. Leerdoel 2: Wat is de culturele criminologie (carnival of crime)? 85
  10. 10 Seductions of crime (=verleidingen van criminaliteit) (1988) - Jack Katz (1943-heden) uit boek “Seductions of Crime: Moral and Sensual Attractions in Doing Evil” 1988 87
  11. 11 Schizofrenia of crime (2007) - Hopkins Burke (1953-heden) uit artikel “Moral Ambiguity, the Schizophrenia of Crime and Community Justice” 2007 88
  12. 12 The culture of control (2001) – David Garland (1955-heden) uit boek “The Culture of Control: Crime and social order in contemporary society” 2001 88
    1. Criminaliteit als sociaal-culturele constructie (begrip dat aangeeft dat bepaalde ideeën, waarden en normen worden gevormd door sociale interacties en culturele contexten, in plaats van dat ze natuurlijk of gegeven zijn) 90
    2. Mediale verbeelding (weergave en interpretatie van realiteit in de media) (Het heeft met cultuur te maken omdat de media culturele normen, waarden en betekenissen rondom criminaliteit vormgeven en verspreiden, wat invloed heeft op hoe mensen criminaliteit begrijpen en ervaren) 90
    3. Cultuur als betekenisgeving binnen een veranderende context 92
    4. Het structure-agency-debat en het constructivistische cultuurbegrip 92
    5. Toekomst-proof (geschikt voor de toekomst, duurzaam) culturele criminologie: van de stroom (continuïteit van beweging of verandering) naar de bedding (structuur of basis die stabiliteit biedt). 93
    6. Leerdoel 3: Hoe kun je dit toepassen op de rellen in de VK? 96
  13. 13 Probleem 7 – morele paniek 100
    1. Leerdoel 1: Welke (3) verklaringen staan bij het/dit Marokkanenprobleem centraal? (rechtsrealisme, subculturele benadering & labellingbenadering) 100
    2. Leerdoel 2: Wat is de relatie tussen theorie en onderzoek? 112
    3. Leerdoel 3: Wat is de relatie tussen theorie en beleid? 115
  14. 14 Probleem 8 – cybercrime 123
    1. Leerdoel 1: Wat is cybercrime? [definitie, soorten, daders en slachtoffers] 124
    2. Leerdoel 3: Wat zijn de problemen met het meten en de aanpak van cybercrime? 137
    3. Leerdoel 4: In hoeverre kunnen bestaande theorieën worden gebruikt om cybercrime te verklaren? 139
  15. 15 Hoorcollege 1 Theoretische criminologie Biologische, psychologische en levensloopperspectieven – René van Swaaningen 144
  16. 16 Functie van theorie 144
  17. 17 Verklaringsniveaus: opbouw hele vak 145
  18. 18 Ontwikkeling biocriminologie 145
  19. 19 Hedendaags onderzoek: Adrian Raine (Adrian Raine (1954–heden) is een Britse neurocriminoloog, bekend om zijn onderzoek naar de biologische en neurologische oorzaken van crimineel gedrag) 146
  20. 20 Bekende misvattingen 146
  21. 21 Oorsprong biocriminologie 146
  22. 22 Evolutieleer als ‘missing link’ 146
  23. 23 In Nederland: Arnold Aletrino (1858-1916) (Nederlandse arts, criminoloog en schrijver) 147
  24. 24 Excessen (uitzonderlijke of buitensporige handelingen, dus extreem of ongewenst gedrag) 147
  25. 25 Europa na 1945 148
  26. 26 Tweeling- en adoptiestudies 148
  27. 27 Hedendaagse biocriminologie 149
  28. 28 Neurologische factoren en externe invloeden 149
  29. 29 ‘Externe’ (sociale) factoren 150
  30. 30 Aandachtpunten 150
  31. 31 ‘Psychologische criminologie’ (Een tak van de criminologie die de psychologische factoren bestudeert achter crimineel gedrag, zoals persoonlijkheid en motivaties.) 150
  32. 32 Verschillend begrippenkader 151
  33. 33 Theoretische ontwikkeling 151
  34. 34 Gabriel Tarde (1843-1904) (Franse socioloog die het sociale gedrag en criminaliteit bestudeerde): representant van de Franse milieuschool (Een benadering binnen de criminologie die zich richt op de sociale en culturele factoren die criminaliteit beïnvloeden, met nadruk op de rol van de samenleving in het vormen van crimineel gedrag.) (school= een groep van denkers of onderzoekers die een gemeenschappelijke theorie, methodologie of benadering delen binnen een bepaald vakgebied). 151
  35. 35 Sigmund Freud (1856-1939) (Oostenrijkse neuroloog en de grondlegger van de psychoanalyse (gaat het hieronder ook over) (einde van de 19e eeuw tot in de vroege 20e eeuw), die onbewuste processen en kinderlijke ervaringen onderzoekt om gedrag te begrijpen.) 152
  36. 36 Psychologisch-criminologische noties (begrip of idee) 153
  37. 37 Lessen uit psychologische leertheorieën 153
  38. 38 Levensloopcriminologie 154
  39. 39 Kanttekeningen (aanvullende/kritische opmerking) 155
  40. 40 Voorspellend vermogen overschat 156
  41. 41 Hoorcollege 2 Theoretische criminologie Anomie, prestatiedruk, buurt- & subculturen – René van Swaaningen 156
    1. Van Anomie tot ‘Strain’ 156
    2. De kern van ‘Strain’ 157
    3. Beeld van criminaliteit in de Strain benadering 158
    4. American Dream? 158
    5. Durkheim’s anomie-begrip 159
    6. Merton’s ‘Strain to Anomie’ 159
    7. Aanpassingsstrategieën Merton 159
    8. - Conformiteit: Mensen accepteren zowel de doelen van de maatschappij als de legitieme middelen om die te bereiken. Bijvoorbeeld, hard werken om rijk te worden. 160
    9. - Innovatie: Mensen accepteren de doelen, maar gebruiken illegale of onconventionele middelen om die te bereiken. Bijvoorbeeld, stelen of frauderen om rijk te worden. 160
    10. - Ritualisme: Mensen geven de doelen op, maar blijven wel de middelen volgen. Ze werken hard zonder echt te streven naar succes of rijkdom. Bijvoorbeeld, iemand die zonder ambitie naar het werk gaat. 160
    11. - Terugtrekking: Mensen verwerpen zowel de doelen als de middelen. Ze trekken zich terug uit de maatschappij, zoals daklozen of drugsverslaafden. 160
    12. - Rebellie: Mensen verwerpen zowel de bestaande doelen als de middelen, en willen deze vervangen door nieuwe. Ze proberen de maatschappij te veranderen, bijvoorbeeld door activisme of revolutie. 160
    13. Subculturele ‘Strain’ 160
    14. Agnew 1992 artikel ‘Foundation for a general strain theory’: General strain theorie 161
    15.  De General Strain Theory van Agnew stelt dat criminaliteit voortkomt uit stress of spanning die ontstaat door negatieve ervaringen, zoals falen in het behalen van doelen, verlies van positieve stimuli of blootstelling aan negatieve stimuli. Mensen kunnen hierdoor geneigd zijn om illegitieme middelen te gebruiken om met deze spanningen om te gaan.  aanvulling op klassieke strain-theorieën van van Merton (1938), Cohen (1955), en Cloward en Ohlin (1960), die alleen het eerste onderstreepte benadrukken. 161
    16. Frustratie als sleutel 161
    17. Strain & Neoliberale economie (Messner & Rosenfeld 2001) 161
    18. Steven F. Messner (1951-heden) & Richard Rosenfeld (1952-heden) (2001) in de wereld van vandaag 162
  42. 42 Chicago School  Een invloedrijke school (school= een groep van denkers of onderzoekers die een gemeenschappelijke theorie, methodologie of benadering delen binnen een bepaald vakgebied) in de sociologie, opgericht in de vroege 20e eeuw (al in 1892 maar in de jaren 1930 groot geworden), die zich richtte op de studie van stedelijk leven, sociale problemen en criminologie, met nadruk op empirisch onderzoek en de invloed van omgeving op gedrag (stadsecologie: de studie van de interacties tussen mensen en hun omgeving in stedelijke gebieden, waarbij wordt gekeken naar hoe de fysieke en sociale kenmerken van een stad het gedrag en de leefomstandigheden beïnvloeden). 163
    1. Grote mannen, grote namen 163
    2. Ecologische benadering 164
    3. Concentric zone theory (concentrische zone (Een cirkelvormig gebied binnen een stad dat een specifieke functie of karakter heeft, zoals wonen) theorie)  Een theorie van Ernest Burgess (1886-1966) (1925) die stelt dat steden zich ontwikkelen in cirkels rond een centraal punt (gebaseerd op chicago maar ook toe te passen op andere steden volgens Burgess). Zones: 165
    4. 1. Centrale business district (CBD) (heet ook Loop): Commercieel centrum (Gebied met een hoge concentratie van winkels, bedrijven en financiële instellingen). 165
    5. 2. Overgangszone (heet ook transitional zone): Verwaarloosde woningen en sociale problemen.  meeste criminaliteit 165
    6. 3. Werkende klasse zone (working class zone): Woongebied voor arbeiders (met arbeiders bedoelen ze iemand die lichamelijk werk doet waar weinig opleiding voor nodig is in fabrieken of andere productieomgevingen) 165
    7. 4. Middenklasse zone (heet ook residential zone): Betere woningen voor de middenklasse. (heet ook Residential zone ,betekent woonomgeving of woonzone. Dit verwijst naar een gebied dat voornamelijk bestemd is voor woningen, waar mensen wonen en leven, hier dus de middenklasse) 165
    8. 5. Buitenwijken (heet ook suburban zone): Woongebieden aan de rand van een stad, vaak met lagere bevolkingsdichtheid en meer ruimte. (heet ook commuters zone of in NL forensen zone, verwijst naar een gebied waar mensen wonen en dagelijks naar hun werk reizen wat meer in CBD ligt) 165
    9. De theorie helpt begrijpen hoe sociale en economische factoren stedelijke structuren beïnvloeden. 165
    10. Sociale desorganisatie 165
    11. Kritiek 166
    12. Actuele belang ecologie 166
    13. Differentiële associatie (=betekent dat crimineel gedrag wordt aangeleerd door interactie (wisselwerking tussen mensen of groepen, waarbij zij elkaar beïnvloeden en communiceren) met anderen. Mensen leren criminaliteit door tijd door te brengen met mensen die criminele normen en waarden hebben. Het idee is dat wie je omgaat, invloed heeft op je gedrag) theorie  ** In Sutherland's differentiële associatietheorie verwijst differentiatie naar de verschillende normen en waarden die binnen groepen heersen. Dit betekent dat binnen bepaalde sociale groepen crimineel gedrag als normaal of acceptabel kan worden gezien, terwijl andere groepen legale gedragsnormen aanhouden. De mate waarin iemand met deze verschillende groepen in aanraking komt, beïnvloedt welke normen en waarden hij of zij overneemt. 167
    14. Associatie (relaties en interacties die iemand heeft met anderen) verwijst naar de mate van betrokkenheid en verbondenheid die iemand voelt met bepaalde personen in deze groepen. Hoe sterker iemand zich verbonden voelt met personen die criminele normen aanhangen, hoe groter de kans dat hij of zij dit gedrag overneemt. 167
    15. Oorzaken van crimineel gedrag op drie niveaus 168
    16. Misvattingen en kritiek 168
    17. Neutralisering en ‘drift’ (Amerikaanse socioloog David Matza (1930-2018)) 169
    18. Neutralisering: Een proces waarbij individuen crimineel gedrag rechtvaardigen door morele waarden te ontkennen of te verbergen, waardoor ze zich minder schuldig voelen over hun acties. (Matza's neutraliseringstheorie uit 1957 stelt dat delinquenten hun criminele gedrag goedpraten door te ontkennen dat ze verantwoordelijk zijn, ontkennen van schade, ontkennen dat iemand een slachtoffer is, veroordelen van mensen die oordelen of door te zeggen dat ze handelen uit loyaliteit naar vrienden of groepen (=neutralisatietechnieken)) (deze theorie komt uit 1957 in boek "Techniques of Neutralization: A Theory of Delinquency", naast Matza ook van Gresham Sykes (1922-2010) maar in dit hoco geen aandacht aan hem) (**in de neutraliseringstheorie begrijpen individuen meestal dat hun gedrag crimineel (verboden/strafbaar) is, maar ze gebruiken technieken van neutralisatie om de morele implicaties en schade ervan te ontkennen of te minimaliseren) ***Neutralisatietechnieken worden gebruikt tegenover jezelf en tegenover anderen: 169
    19. 3. Tegenover jezelf: Om je eigen schuldgevoelens te verminderen, bijvoorbeeld door verantwoordelijkheid te ontkennen (dit voornamelijk  voornamelijk vooraf dus dan ook voornamelijk tegenover jezelf). 169
    20. 4. Tegenover anderen: Om je gedrag te rechtvaardigen aan anderen, bijvoorbeeld door te zeggen dat je uit loyaliteit handelt. 169
    21. Drift 1964: Een concept (algemeen idee of begrip) (je kan t ook drift theorie noemen) dat suggereert dat mensen soms tijdelijk afwijken van hun normen en waarden (driften, neiging van individuen om zich tijdelijk te laten afleiden of af te wijken van maatschappelijke normen, waardoor ze deviant of crimineel gedrag vertonen) in situaties waar de sociale controle afneemt (denk aan ouders of autoriteiten niet aanwezig of drukke steden waardoor je anoniemer bent), wat leidt tot crimineel gedrag  drift hoort bij de neutralisatietheorie. Het concept beschrijft hoe individuen tijdelijk afwijken van normen, terwijl ze technieken van neutralisatie gebruiken om hun criminele gedrag te rechtvaardigen (komt uit boek "Delinquency and Drift” uit 1964 alleen van Matza) 169
    22. Normen en waarden (Matza) 169
    23. Neutralisatietechnieken (gebruikt tegenover zowel jezelf als anderen, maar sterkste focus op het beschermen van je eigen zelfbeeld waardoor je vindt dat je mag/kan afwijken van de sociale normen  gericht op schuldgevoelens (tijdelijk) buiten werking stellen) (kan zowel vooraf als achteraf als tijdelijk, maar kenmerkend is vooraf) 170
    24. Momenten van neutralisatie 170
    25. Praktische (gericht op toepasbaarheid en uitvoering in de werkelijkheid) implicaties (de betekenis of het gevolg dat iets met zich meebrengt) (van neutralisering en drift Matza) 170

Gekoppeld boek
 image
Tim Newburn Criminology
Uitgever: 2018 ISBN: 9780199643257 Druk: Onbekend

Documentinformatie

Heel boek samengevat?
Nee
Wat is er van het boek samengevat?
Onbekend
Geüpload op
2 januari 2025
Aantal pagina's
208
Geschreven in
2024/2025
Type
Samenvatting
€9,46
Gekocht door 3 studenten

Verkeerd document? Gratis ruilen Binnen 14 dagen na aankoop en voor het downloaden kun je een ander document kiezen. Je kunt het bedrag gewoon opnieuw besteden.
Geschreven door studenten die geslaagd zijn
Direct beschikbaar na je betaling
Online lezen of als PDF

Seller avatar
De reputatie van een verkoper is gebaseerd op het aantal documenten dat iemand tegen betaling verkocht heeft en de beoordelingen die voor die items ontvangen zijn. Er zijn drie niveau’s te onderscheiden: brons, zilver en goud. Hoe beter de reputatie, hoe meer de kwaliteit van zijn of haar werk te vertrouwen is.
brittvzx
4,4
(46)
Verkocht
142
Volgers
11
Items
21
Laatst verkocht
1 week geleden


Echte notities, van echte studenten
Elk document op Stuvia is geschreven door een medestudent die hetzelfde vak deed. Zo leer je van iemand die het al heeft gehaald.

Reviews van geverifieerde kopers

8 maanden geleden

Heel uitgebreid, sommige bronnen niet meer bruikbaar dit jaar :(




Waarom studenten kiezen voor Stuvia

Gemaakt door medestudenten, geverifieerd door reviews

Kwaliteit die je kunt vertrouwen: geschreven door studenten die slaagden en beoordeeld door anderen die dit document gebruikten.

Niet tevreden? Kies een ander document

Geen zorgen! Je kunt voor hetzelfde geld direct een ander document kiezen dat beter past bij wat je zoekt.

Betaal zoals je wilt, start meteen met leren

Geen abonnement, geen verplichtingen. Betaal zoals je gewend bent via iDeal of creditcard en download je PDF-document meteen.

Student with book image

“Gekocht, gedownload en geslaagd. Zo makkelijk kan het dus zijn.”

Alisha Student

Bezig met je bronvermelding?

Maak nauwkeurige citaten in APA, MLA en Harvard met onze gratis bronnengenerator.

Bezig met je bronvermelding?

Veelgestelde vragen