Samenvatting verborgen
talenten
Deel 1
De functies van jeugdboeken:
1. Cognitieve functie: door het lezen van boeken krijg je toegang tot nieuwe kennis.
2. Esthetische functie: de taal en het beeld in een boek bieden ontspanning en kunnen
je ontroeren. Je kunt aan de hand van verhalen reflecteren over goed en kwaad,
recht en onrecht.
In het onderwijs is er tegenwoordig meer aandacht voor een brede identiteitsontwikkeling
van kinderen waarin zij zich sociaal, emotioneel, cognitief, motorisch en creatief kunnen
ontwikkelen. Deze aandacht voor een veelzijdige ontwikkeling sluit goed aan bij de theorie
van Gardner over meervoudige intelligentie. Volgens hem heeft ieder mens zijn eigen unieke
samenstel van intelligenties. Hij onderscheidt 8 intelligenties:
1. Linguïstische intelligentie: gevoelig voor taal, leren makkelijk een nieuwe taal en
weet taal goed te gebruiken om het doel te bereiken.
2. De logisch-wiskundige intelligentie: goed in het logisch analyseren van problemen
en het maken van wiskundige opgaven. Je kan goed rekenen en speelt graag met
cijfers en getallen.
3. De visueel-ruimtelijke intelligentie: goed in waarnemen van ruimte en patronen,
zowel op grote als kleine schaal. Zal niet gauw verdwalen.
4. De muzikale intelligentie: gevoel voor melodie, ritme en timbre. Melodie na een keer
meezingen en horen gelijk als iets vals is.
5. De lichamelijk-kinesthetische intelligentie: motorisch heel goed. Goed in imiteren,
leert dingen door te doen en passief te luisteren of te lezen.
6. De naturalistische intelligentie: goed in het herkennen en classificeren van soorten
planten en dieren.
7. De interpersoonlijke intelligentie: goed in het begrijpen van andere mensen op
basis van bedoelingen, motieven en verlangens. Goed met andere mensen.
8. De intra persoonlijke intelligentie: een fijnzinnig inzicht in hun eigen gevoelens,
angsten en herinneringen en kunnen goed alleen zijn.
Deel 2
Er zijn verschillende informatie verwerkende modellen van het lezen:
1. Bottom-up modellen: de informatiestroom loopt van de tekst naar het hoofd. De
tekst is het belangrijkste en je moet die woord voor woord lezen.
2. Top-down modellen: de informatiestroom loopt van het hoofd naar de tekst. Je weet
al veel en neemt vooral uit de tekst op wat je nog niet kunt voorspellen.
3. Interactieve modellen: de informatie gaat zowel bottom-up als top-down.
Er zijn ook nog niveaus van begrijpend lezen:
1. Microniveau: kunnen lezen van concrete woorden.
2. Mesoniveau: relaties binnen en tussen zinnen (verwijswoorden).
3. Macroniveau: abstracte verband tussen grotere tekstdelen. Het verwijst in elk
hoofdstuk naar elkaar of blikt op elkaar terug.
Er zijn vier stadia van de ontwikkeling van leesvaardigheid:
talenten
Deel 1
De functies van jeugdboeken:
1. Cognitieve functie: door het lezen van boeken krijg je toegang tot nieuwe kennis.
2. Esthetische functie: de taal en het beeld in een boek bieden ontspanning en kunnen
je ontroeren. Je kunt aan de hand van verhalen reflecteren over goed en kwaad,
recht en onrecht.
In het onderwijs is er tegenwoordig meer aandacht voor een brede identiteitsontwikkeling
van kinderen waarin zij zich sociaal, emotioneel, cognitief, motorisch en creatief kunnen
ontwikkelen. Deze aandacht voor een veelzijdige ontwikkeling sluit goed aan bij de theorie
van Gardner over meervoudige intelligentie. Volgens hem heeft ieder mens zijn eigen unieke
samenstel van intelligenties. Hij onderscheidt 8 intelligenties:
1. Linguïstische intelligentie: gevoelig voor taal, leren makkelijk een nieuwe taal en
weet taal goed te gebruiken om het doel te bereiken.
2. De logisch-wiskundige intelligentie: goed in het logisch analyseren van problemen
en het maken van wiskundige opgaven. Je kan goed rekenen en speelt graag met
cijfers en getallen.
3. De visueel-ruimtelijke intelligentie: goed in waarnemen van ruimte en patronen,
zowel op grote als kleine schaal. Zal niet gauw verdwalen.
4. De muzikale intelligentie: gevoel voor melodie, ritme en timbre. Melodie na een keer
meezingen en horen gelijk als iets vals is.
5. De lichamelijk-kinesthetische intelligentie: motorisch heel goed. Goed in imiteren,
leert dingen door te doen en passief te luisteren of te lezen.
6. De naturalistische intelligentie: goed in het herkennen en classificeren van soorten
planten en dieren.
7. De interpersoonlijke intelligentie: goed in het begrijpen van andere mensen op
basis van bedoelingen, motieven en verlangens. Goed met andere mensen.
8. De intra persoonlijke intelligentie: een fijnzinnig inzicht in hun eigen gevoelens,
angsten en herinneringen en kunnen goed alleen zijn.
Deel 2
Er zijn verschillende informatie verwerkende modellen van het lezen:
1. Bottom-up modellen: de informatiestroom loopt van de tekst naar het hoofd. De
tekst is het belangrijkste en je moet die woord voor woord lezen.
2. Top-down modellen: de informatiestroom loopt van het hoofd naar de tekst. Je weet
al veel en neemt vooral uit de tekst op wat je nog niet kunt voorspellen.
3. Interactieve modellen: de informatie gaat zowel bottom-up als top-down.
Er zijn ook nog niveaus van begrijpend lezen:
1. Microniveau: kunnen lezen van concrete woorden.
2. Mesoniveau: relaties binnen en tussen zinnen (verwijswoorden).
3. Macroniveau: abstracte verband tussen grotere tekstdelen. Het verwijst in elk
hoofdstuk naar elkaar of blikt op elkaar terug.
Er zijn vier stadia van de ontwikkeling van leesvaardigheid: